Buiten de legerplaats

Buiten de legerplaats
H.L. HEIJKOOP

In onze liederen en in onze gebeden vragen wij de Heer, ons te bewaren en in ons te bewerken dat wij in de praktijk van het leven waar zouden maken wat wij zien met betrekking tot de gemeente van God als lichaam van Christus en huis van God. Hierbij kunnen we denken aan Hebr. 13 : 8-16.

In vers 8 lezen wij: ”Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid”. Zó is Hij, de Onveranderlijke. Dat betekent dat wij in Hem alles hebben wat wij nodig hebben voor tijd en eeuwigheid. Eigenlijk is de konklusie van de hele Brief, dat wij alles hebben, als wij Hém hebben. Dat zal in de hemel zo zijn. Hij is het middelpunt van de hemelse heerlijkheid. En wij zullen daar met Hem alles genieten. ”Wij zullen Hem zien zoals Hij is” (1 Johannes 3 : 2). Daarin is alles uitgedrukt, want alles wat in de hemel is, in het huis van de Vader, is alleen maar de uitdrukking van datgene wat Hij is. De hemelse heerlijkheid is de uitstraling van zijn heerlijkheid. Zo hebben wij in Hem alles ontvangen.

Om Efeze 1 : 3, 4 aan te halen: wij zijn ” ... gezegend ... met alle geestelijke zegening in (de) hemelse gewesten in Christus. In Hem heeft Hij ons immers uitverkoren. Wij hebben door Hem de verlossing verkregen, en Hij heeft ons aangenaam gemaakt in de Geliefde”.

Het is alles in Christus. De hele Brief aan de Hebreeën heeft eigenlijk maar één doel, n.l. ons de heerlijkheid van de Heer Jezus voor te stellen en te laten zien dat Hij oneindig meer is dan alle andere dingen, zelfs dan datgene wat God eenmaal Zelf in het Oude Testament gegeven heeft. Het is in grote lijnen dezelfde gedachte die wij in Markus 9 : 8 op de berg der verheerlijking zien: Mozes en Elia moeten verdwijnen zodat Hij alleen over blijft. ”Zij zagen niemand meer bij zich dan Jezus alleen”. En zij hoorden de stem van de Vader: ”Deze is mijn geliefde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb” (Mattheüs 17 : 5). Hier zienwij dat de Vader al zijn welgevallen in Hem vond. Hij was het voorwerp van Zijn vreugde, van alles wat het hart van God in eeuwigheid bevredigt.

Dat maakt duidelijk dat dat in de eeuwigheid ook ons deel zal zijn. En als wij iets van Zijn heerlijkheid hebben leren kennen, dan begrijpen wij dat het zo zal zijn en dat Hij echt onze harten in de eeuwigheid vervullen zal. Zijn heerlijkheid, datgene wat bij Hem gevonden wordt, is voor ons genoeg. Als wij Hem echt zien, kunnen wij het met de zonen van Korach uitroepen: ”Al mijn fonteinen zijn in U” (Psalm 87 : 7). Dat is de inhoud van de Brief aan de Hebreeën. De Heer Jezus wordt vergeleken met engelen, met mensen, met Aäron, met Mozes, met offers van het O.T., ja, met alles. En dan komt de eindkonklusie: Hij is oneindig meer. Ja, alles moet verdwijnen. En dat is de slotsom die wij hier hebben gezien: ”Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde, en tot in eeuwigheid”.

Maar dan komt de vraag: welke uitwerking heeft dat op ons praktische leven, en wel heel speciaal in betrekking tot de dienst van God hier op aarde? Wij kunnen zien wat de gemeente is. Wij kunnen ook haar doel zien: het lichaam van Christus, volkomen één gemaakt met Christus, zodat de rechten van Christus hier op aarde worden gezien, zodat Hij een plaats hier op aarde heeft. Hij heeft een plaats in deze wereld die Hem heeft verworpen. Daardoor is er voor deze wereld een getuigenisvan Zijn rechten. Het spreekt van het feit dat God aan Zijn zijde staat, Hem de plaats boven alle autoriteit heeft gegeven en dat ieder mens zich voor Hem moet buigen, Hem moet dienen, Hem moet aanbidden. Het spreekt ook van het feit dat God de Heilige Geest in de gemeente woont als een getuigenis voor alle mensen dat God Gód is en de mensen schépselen zijn en als zodanig de Schepper moeten dienen en liefhebben, zoals het ook in Deuteronomium 5 staat.

En zo wordt hier ook, als over de Heer Jezus wordt gesproken tenslotte gezegd: Hij is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid. Ja, dan zal alles verdwijnen als men Hem ziet. En dat moet ook, alles zal ook verdwijnen als Hij komt. Maar uit dit alles wordt ons duidelijk welk een uitwerking die heeft op onze praktische openbaring hier op aarde en wel heel speciaal wat de dienst betreft.

De Brief is, zoals de naam zegt, aan de gelovigen uit de Joden gericht, aan de Hebreeën. Dat waren degenen die opgegroeid waren in het midden van de Joden, in een systeem dat God Zelf verordend had. Het bevatte de tempeldienst, de Joodse dienst zoals wij die in het Oude Testament vinden; God Zelf had heel precies aangegeven hoe deze dienst zou zijn. Hij had het precies beschreven zodat zij het wisten. God had hun oren gegeven om te horen. Toen de Samaritaanse vrouw in Johannes 4 tegen de Heer Jezus zei: Wij aanbidden hier en jullie zeggen dat het daar moet, zei de Heer Jezus: ”Wij aanbidden wat wij weten” (vers 22). Dat was de berg Jeruzalem. Dat had God Zelf bevolen. Maar de Heer voegt er aan toe: ”er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid” (vers 23). Dat was tot daaraantoe van God, echt door God bevolen, zodat degene die op deze wijze tot God kwam, dat ook deed op een wijze die naar Gods gedachten was. Het was de Goddelijke weg.

Nu was echter de Heer Jezus de Zoon van God op aarde gekomen. En dat had tot gevolg dat daardoor de dingen zouden veranderen. In het Oude Testament was God niet geopenbaard. Hij was in het donker verborgen. Dit zegt Gods Woord ons uitdrukkelijk. En zo was de dienst aangepast aan mensen hier op aarde. Aan mensen die God niet echt kenden, aan natuurlijke mensen. Er werd ook niet de voorwaarde gesteld dat zij wedergeboren waren. leder die uit het volk Israël geboren was, kon deze dienst doen, hij moest slechts tot het volk behoren. En de natuurlijke afkomst was genoeg om tot het volk van God te behoren zodat het dus ook natuurlijke mensen waren. En de dienst die zij moesten volbrengen was daarmee volkomen in overeenstemming. Maar als het echt er om gaat tot God te naderen, als het niet een dienst is waarbij men ver van God af blijft, als ’t op aarde en aards of zoals de Brief aan de Hebreeën het zegt een werelds heiligdom betreft waar alles alleen maar een schaduw is, dan kunnen natuurlijke mensen deze weg gaan. Maar als het God Zelf betreft, dan is het duidelijk dat ieder die tot God komt met God in overeenstemming moet Zijn.

En als God Zelf hier op aarde komt om God te openbaren wie Hij is, als Hij komt als licht en liefde - ”God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis” (1 Johannes 1 : 5)- dan is het duidelijk dat ieder die naar Hem toegaat met Hem in overeenstemming moet zijn. Wie naar Hem toe gaat moet ook licht zijn - of zoals wij het in Efeze 1 : 4 lezen ”heilig en onberispelijk... vóór Hem in de liefde”. Maar dat niet alleen. God is een geest en wie Hem aanbidt moet Hem aanbidden in geest en waarheid. Maar dat kan iemand die niet is wedergeboren onmogelijk doen. Hij kan niet in geest en waarheid aanbidden. Hij heeft immers geen nieuw leven. Hij bezit niet datgene wat de Heer Jezus Zelf in Johannes 3 noemt: ”als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk Gods niet ingaan” (vers 5). En ook: ”Wat uit de Geest geboren is, is geest” (vers 6). Deze nieuwe natuur, die wij in de nieuwe geboorte ontvangen hebben draagt het karakter, het kenmerk, van Degene die dat bewerkt heeft, God de Heilige Geest. Deze nieuwe natuur draagt dat karakter en wij hebben dat in de tijd van Zijn verworpen-zijn ontvangen - dat leven in overvloed - het leven dat de Heer Jezus Zelf is. Dat leven dat in staat is God te kennen als Vader, en ook de Heer Jezus Zelf, zoals Johannes 17 : 3 ons zegt. Zo moet nu het komen tot God en de dienst voor God daarmee in overeenstemming zijn En dat is eigenlijk de hele inhoud van de Brief aan de Hebreeën: alles wat God Zelf verordend heeft, wordt vergeleken met de heerlijkheid van de Heer Jezus. En het oude moet verdwijnen, omdat het nieuwe betekenis voor God heeft en alleen dát het ware is. In de Brief aan de Hebreeën worden niet in hoofdzaak de oude dingen zelf gezien, maar zij worden gezien als dingen die verdwijnen moeten en geen waarde hebben in de dienst voor God.

En dan wordt hier de konklusie getrokken: wij zijn naar de Heer Jezus toegebracht, wij zijn naar God gebracht. De Heer Jezus heeft ons geleerd wat de mens van nature is. Ja, toen Hij hier op aarde kwam werd - zo zegt ons Johannes 1 - ieder mens in het licht geopenbaard. Daardoor werd duidelijk wat ieder mens was. Dat was de waarheid. Door Hem werd alles geopenbaard hoe het in werkelijkheid was. Vóór die tijd was het niet geopenbaard wat de mens in werkelijkheid was. Het was ook niet geopenbaard wat God was. Nu werd geopenbaard dat de mens volkomen verdorven slecht, was en onmogelijk met God in verbinding kon zijn omdat God licht en waarheid is. En zo zegt Hij meteen in het begin van Johannes 1 dat alleen maar diegenen kinderen van God kunnen zijn die uit God geboren zijn, niet uit de wil van de man. Die hebben dan ook het recht kinderen van God te zijn. En in Johannes 3 zegt Hij: ”als iemand niet geboren wordt uit water en Geest ...” En dat betekent dat hij opnieuw geboren wordt, uit een andere bron, op een nieuwe wijze tot, nieuw leven komt, anders dan de mens van nature is. En in hoofdstuk 4 zegt Hij dat op deze manier een mens met God in kontakt kan komen en dat die het Woord van God in hem levend zou maken. En dit levende water zou tot een bron van water worden dat springt tot in het eeuwige leven. De Heer Jezus is het eeuwige leven. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven, dat dus de ziel in een levende relatie met God Zelf brengt. En dan spreekt de Heer Jezus in hoofdstuk 4 ook nog over de aanbidding in geest en waarheid. Van toen af werd niet meer in Jeruzalem aangebeden. Samaria was nooit als de plaats van aanbidding genoemd. God is een geest en wie Hem aanbidt, moet Hem aanbidden in geest en waarheid.

Dat is in korte lijnen de leer van de Brief aan de Hebreeën. En hier vinden wij dat dit grondbeginsel op de gelovige Joden toegepast wordt. Zij hadden de Heer Jezus als hun Heiland aangenomen. En zij aanbaden Hem. Maar datgene waarin zij opgegroeid waren, waarin zij de zegeningen genoten hadden, was weliswaar van God Zelf gekomen, maar nu konden zij niet zo ver komen zich daarvan los te maken. En nu wordt hier gezegd, dat zij dat verlaten moesten, dat zij buiten de legerplaats moesten gaan, naar Hem, naar de Heer Jezus, om daar bij Hem te zijn.

Ditzelfde grondbeginsel dat hier aan de gelovige Joden getoond wordt geldt ook voor ons. Hier lezen wij het. En als wij deze verzen lezen wordt ons duidelijk wat het betekent. Dat het echt een grondbeginsel is dat ook voor ons geldt. De Heer Jezus is hier het middelpunt en zoals wij dat al gezien hebben in de Efeze-brief, het middelpunt van ons samenkomen. Wij zijn met Hem verbonden. Al onze zegeningen worden in Hem gevonden. En ons getuigenis hier op aarde staat in verbinding met zijn Persoon, is een getuigenis van Hém.

Maar waar is de Heer Jezus nu en wie is Hij? Eens was Hij op aarde, maar Hij is er nu niet meer. Eens was Hij een Baby in een kribbe, maar dat is Hij nu niet meer. Hij leefde 33 jaren hier op aarde, nu niet meer. Hij is gestorven en door de dood gegaan en opgestaan aan de andere kant van de dood. Hij is in wezen een ander Mens. Hoewel Hij echt mens was, was Hij niet langer een natuurlijk mens zoals Hij eens was, omdat Hij door de dood is gegaan. - En dat betekent, dat, als wij bij Hem willen zijn, wij dan ook praktisch aan de andere kant van de dood moeten zijn, d.w.z. in de opstandingswereld, waar Hij nu is.

Dat is praktische vermaning die wij hier vinden. Dat is ook de sleutel tot datgene wat het echte naar Gods gedachten is. Hier betekent het: ”Laat u niet meeslepen door velerlei en vreemde leringen; want het is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, waarvan zij die daarin wandelden, geen nut hadden” (vers 9). Hier staat niet: waarvan zij, die daarvan ATEN geen nut hadden. Er staat: ”die daarin wandelden...” De Heilige Geest toont ons hier dus alle verordeningen van het Oude Testament met de gehele inrichting van de dienst van God zoals die in het oude verbond was. En de Heilige Geest zegt ons hier dat degenen die daarin wandelden daarvan geen nut hadden.

Het is een samenvatting van datgene wat wij in de voorafgaande hoofdstukken kunnen lezen. Het Oude Testament had goede instellingen. Het had een tempel, waar God woonde, zij hadden priesters met prachtige gewaden, die de dienst uitoefenden, de dienst die door God Zelf was ingesteld. Daar konden zij Hem offers brengen, offers van goud en zilver, of ook van dieren, zoals God het Zelf verordend had, wij weten dat het schaduwbeelden waren van datgene wat zou komen. En toch staat in Hebreeën 10 dat b.v. de Grote Verzoendag (Leviticus 16) die door God Zelf ingesteld was voor de zonden van het volk, slechts een herinnering aan de zonden was en geen enkele zonde kon wegnemen. Zo zien wij dat al de instellingen van het Oude Testament in werkelijkheid de mens niet met God in verbinding konden brengen. Geen Israëliet kwam ooit in de tegenwoordigheid van God, alleen Aäron slechts éénmaal per jaar en dan ook slechts met bloed, en anders niemand. En hieruit zien wij, dat deze verordeningen in werkelijkheid de mens niet in tegenwoordigheid van God brachten. Er moest een andere weg zijn om tot God te komen. En wij vinden die in hoofdstuk 10 : 20 ”de nieuwe en levende weg” waardoor wij in het heiligdom kunnen binnengaan.

Maar het zijn niet de inzettingen van het Oude Testament, maar het is de dood van de Heer Jezus, die ons de weg opende naar en in het heiligdom, zodat wij nu tot God kunnen gaan. En zo wordt ons hier in één regel gezegd: alles wat God daar en toen verordend had en wat in verbinding stond met de natuurlijke mens, daar had niemand profijt van. Het was slechts een schaduwbeeld. Het was aangepast aan de natuurlijke mens en kon slechts zo lang worden gebruikt als God Zelf niet geopenbaard was. Maar toen God geopenbaard was en de Heer Jezus het werk op het kruis volbracht had (waardoor God geopenbaard is en waardoor de mens in staat gesteld wordt in de tegenwoordigheid van God te komen) toen was dat alles voorbij.

En dan lezen wij vervolgens: ”Wij hebben een altaar, waarvan zij die de tabernakel dienen geen recht hebben te eten” (vers 10). Wij weten wie van het altaar van het Oude Testament mochten eten: alle Israëlieten die rein waren. Zij mochten eten van datgene wat op het koperen altaar was gebracht, van het vrede-offer. Wij lezen daarover in Leviticus 3 en Leviticus 7. Leviticus 7 zegt ons dat ieder die rein was van datgene wat geofferd was mocht eten. Van de overige offers mochten slechts de priesters eten, n.l. van de zondoffers, waarvan het bloed niet in het heiligdom werd gebracht d.w.z. dat zij mochten eten van datgene wat niet echt een schaduwbeeld was van het werk van de Heer Jezus op het kruis. Maar hier staat: die van dit altaar eten, mogen niet eten van het Christelijk altaar. Dat betekent dat degenen die van deze offers aten, niet mochten eten van datgene wat in het Nieuwe Testament de tafel van de Heer wordt genoemd, zoals ook het altaar in het Oude Testament de tafel van de Heer werd genoemd.

De tafel van de Heer spreekt van het vergoten bloed van de Heer Jezus en van Zijn lichaam dat voor ons werd overgegeven, zoals wij dat in 1 Korinthe 10 kunnen lezen. Die nu de tabernakel dienden, die dus in verbinding stonden met de verordeningen die betrekking hebben op de natuurlijke mens, kunnen niet deel hebben aan datgene wat spreekt van de dood van de Heer Jezus. Dat spreekt ons immers van Hem Die niet meer op aarde leeft, Die Zich heeft gezet aan de rechterhand van de Vader (daar heeft God Hem tot Heer en Christus gemaakt) en Die als verheerlijkte Heer in de hemel Zijn tafel hier op aarde heeft. De zijnen worden hartelijk uitgenodigd daarvan te eten, van datgene wat spreekt van het gestorven-zijn, zoals wij dat in 1 Korinthe 1 1 lezen. Wij verkondigen de dóód van de Heer. Niet Zijn sterven, maar Zijn dood, totdat Hij komt. En wij weten, als wij ’s zondags samen komen en de Heer lof en dank brengen, dat wij dan over Zijn lijden spreken. Dat kan niet anders. Maar wij nemen gebroken brood; en het brood en de wijn zijn gescheiden van eikaar. Wat wij dus doen spreekt niet over een levende Heer, het spreekt ook niet over de Heer zoals Hij nu is, maar het spreekt over de gestórven Heer, hoe Hij was toen Hij op het kruis en in het graf was. Daaraan denken wij en verkondigen Zijn dood. Maar wij weten - want Gods Woord geeft ons duidelijkheid over alles - dat de dood van de Heer de dood van de zondige mens voor God betekent. Het betekent dat de dood van de Heer het bewijs is, dat God met de natuurlijke mens niets anders wist te doen dan hem te veroordelen omdat het waar was wat in Genesis 6 staat: ” .... dat al het gedichtsel van de gedachten van zijn hart te allen dage alleenlijk boos was” (vers 5). En in Romeinen 3 lezen wij: ”Er is niemand die goed doet, er is er zelfs niet één” (vers 12). Als nu geen mens iets goeds doet, zelfs niet na 4000 jaar opvoeding, nadat God hem alles gegeven heeft wat hem helpen kon God te dienen, zelfs deze verordeningen van het Oude Testament, dan is het duidelijk dat God met de natuurlijke mens niets meer weet te beginnen. En juist het kruis heeft dat bewezen. Het volk dat het dichtst bij God was, het volk dat door God uitverkoren was, waaraan Hij al deze verordeningen had gegeven, het volk in wier midden de Heer Jezus Zelf werd geboren, het volk waaraan God zijn Woord had gegeven, dat volk kruisigde de Heer toen Hij kwam. Dat volk stelde zich onder de macht van satan en erkende satan als vorst en nam hem als zijn god aan. Het was dat volk dat het meeste licht en de grootste zegeningen van God had ontvangen. Juist het kruis laat zien hoe slecht de mens is. En zo kon God alleen maar een eind maken met deze mensen. En dat deed Hij ook door Hem die de zonde niet kende, tot zonde te maken, tot datgene wat de toestand van de mens was, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.

Romeinen 8 : 3 zegt ons dat de Heer gekomen is ”in een gedaante gelijk aan het vlees van de zonde”. En toen heeft God de zonde in het vlees in Hem geoordeeld en een eind gemaakt aan de natuurlijke mens. Vervolgens lezen wij dan dat de natuurlijke mens nooit tot God kan komen. Voor een ieder die een nakomeling van Adam is, is er alleen maar oordeel. Slechts hij die overgegaan is in de familie van de tweede Adam, de laatste Adam, slechts die kan met zegeningen rekenen. Maar het hoofd van deze tweede familie is de Heer Jezus nadat Hij het werk volbracht had, nadat Hij gestorven is en opgestaan uit de doden.

Daarom zijn zij die tot deze familie behoren geen natuurlijke mensen meer. Zij zijn immers door de dood gegaan en zij hebben Zijn leven ontvangen. Daarom kunnen zij zeggen: ”Wij zijn metChristus gestorven, wij zijn met Hem gekruisigd”, en hebben daar in de doop uitdrukking aan gegeven. Zij zijn immers tot Zijn dood gedoopt, met Hem begraven, zodat zij, als door de dood gegaan, als nieuwe mensen in een opstandingswereld met Christus verbonden zijn. Zij zijn leden van deze nieuwe familie, waarvan de opgestane Christus het Hoofd is, zodat zij geheel gescheiden zijn van datgene wat van de natuurlijke mens is.

Dan wordt het ook duidelijk dat, als deze Christus Zijn tafel heeft, dat daaraan niemand kan deelhebben die nog verbonden is met de natuurlijke mens en die niet met Hem door de dood is gegaan. Dat wil ons dit Bijbelgedeelte leren. ”Wij hebben een altaar, waarvan zij die de tabernakel dienen geen recht hebben te eten”.

”Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid”. En als wij bij Hem willen zijn - en dat is toch de wezenlijke betekenis van het Christen-zijn, want het Christendom heeft ons naar Hem toe gebracht - dan zijn er maar twee plaatsen waar wij kunnen zijn. De lichamen van de dieren waarvan het bloed voor de zonde door de hogepriester in het heiligdom gedragen werd (en alleen die zondoffers waarvan het bloed in het heiligdom gedragen werd, zijn een echt beeld van het kruis en van het sterven van de Heer Jezus), werden buiten de legerplaats verbrand. ”Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden” (vs. 12).

Laten wij nu naar het Oude Testament terugkeren. Als een mens, een Jood, bij het offer wilde zijn, waar moest hij dan zijn? Het bloed was in het heiligdom, en het lichaam was buiten de legerplaats. Hij moest dus, of in het heiligdom, of buiten de legerplaats gaan. En dat is de positie waar de Christus nu is. Het bloed is in het heiligdom gedragen. Dat is de hemel, dat is immers de heerlijkheid. Als wij bij de Heer willen zijn, dan moeten wij de hemel binnengaan. Hij is niet hier op aarde. Hij is ginds in de hemel. En zoals wij in de Brief aan de Hebreeën lezen kunnen wij het heiligdom binnengaan. De weg ligt open. Wij kunnen naar God in het heiligdom gaan, want daarheen is het bloed gebracht. En wij weten het: eenmaal zullen wij daar echt binnengaan, als de Heer Jezus komt en ons tot Zich zal opnemen. En dan zullen wij eeuwig bij Hem in het Huis van de Vader zijn.

Maar wat onze plaats hier op aarde betreft, als wij bij Hem willen zijn, moeten wij buiten de legerplaats zijn. Hij heeft buiten Jeruzalem geleden. Hij heeft dáár geleden waar God een eind maakte aan de natuurlijke mens. En als wij bij Hem willen zijn moeten wij - hier wordt het op het Jodendom toegepast - buiten het Jodendom treden. Hij heeft immers niet in Jeruzalem - en dat was in het Jodendom - geleden, niet op die plaats die God verkoren had om daar zijn Naam te laten wonen. Wij moeten buiten die plaats treden om bij Hem te zijn.

Maar ten tweede spreekt het bloed van een gestorven Heiland. Het lichaam waar geen bloed in is, spreekt niet van leven, maar van dood. En waar wij ons ook mogen bevinden: bij de Heer Jezus zijn maar twee plaatsen, en beide spreken van een gestorven Heiland, van iemand die niet meer hier op aarde leeft, maar door de dood is gegaan. Beide plaatsen spreken van een door God voltrokken oordeel. Hij heeft de natuurlijke mens geoordeeld omdat hij voor Hem niet meer kon bestaan.

Wij zien hier de hele praktijk van het Christendom. Hier zijn wij bij het grondbeginsel van alle Christelijke samenkomsten. Dat kan slechts daar zijn waar de dood van Christus het grondbeginsel is en waar de natuurlijke mens geen plaats meer heeft. Christus is gestorven onder het oordeel van God. God heeft daar een einde gemaakt aan de natuurlijke mens. Waar nu God het oordeel voltrokken heeft is het duidelijk dat daar de natuurlijke mens geen plaats meer heeft. Als wij dus bij Christus willen zijn moeten wij op die plaats zijn, waar het oordeel van God over de natuurlijke mens voltrokken is en waar de natuurlijke mens geen plaats meer heeft, geen enkele plaats, en waar hij ook niets meer te zeggen heeft, maar waar alles gegrond is op de dood van de Heer Jezus.

Dat maakt ons duidelijk wat de legerplaats naar Gods gedachte is. De legerplaats is naar Gods gedachte dat terrein waar de natuurlijke mens een plaats heeft, waar niet alles gegrond is op de dood van de Heer Jezus, maar waar dingen zijn voor de natuurlijke mensen. Dat zijn die plaatsen waar de natuurlijke mens regelingen treft en waar de Heer Jezus niet alléén gezag heeft. Dat zijn de plaatsen waar de Heilige Geest niet alléén de leiding heeft, maar waar de natuurlijke mens een plaats heeft. Het zijn de plaatsen waar natuurlijke aangeboren eigenschappen bestemmen of iemand een dienst kan uitoefenen of niet, en niet de gave die de verheerlijkte Heer in de hemel aan de Zijnen die met Hem in de dood zijn gegaan, gegeven heeft. Dat behoort alles tot de legerplaats. Zo begrijpen wij dat het alles is waar de natuurlijke mens, die niet aan het kruis zijn einde gevonden heeft, nog een plaats heeft en waar niet de dood van Christus verwerkelijkt wordt. Daar waar het grondbeginsel niet daarvan uitgaat dat God het oordeel over de natuurlijke mens voltrokken heeft.

En zo komen wij dan nu tot dat wat de Heer, wat Gods Woord, vraagt: ”Laten wij daarom tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen” (vers 13). Dat is begrijpelijke taal. Christus werd Jeruzalem uitgeworpen en is daarbuiten gekruisigd. En nu gaan wij in gedachten terug naar de dag dat Hij gekruisigd werd. Als ik bij Hem wil zijn, waar moet ik dan staan? Ik moet onder het kruis gaan staan. Dat betekent dat ik de plaats van verwerping met Hem deel. De hele wereld heeft Hem verworpen. De natuurlijke mens, zelfs de religieuze mens, zelfs de priester die aangesteld was om middelaar tussen God en mensen te zijn, verwierp Hem. Ik moet nu bij Hem zijn, buiten alle verenigingen van mensen, daar onder Zijn kruis, om daar Zijn dood met Hem te delen. Het bij Christus zijn buiten de legerplaats betekent Zijn smaad dragen als de Verworpene op aarde, als Degene die geen plaats had, zelfs niet in het religieuze , gezelschap. Zij hebben Hem aan het Kruis verhoogd. Zij hebben als het ware gezegd: Gaat U terug vanwaar U gekomen bent. - Deze plaats moet ik innemen. Daar waar ik de natuurlijke mens als door God geoordeeld zie en als zodanig aanneem, waar het natuurlijke vlees dus niets meer te zeggen heeft en voor dood moet worden gehouden. Slechts daar alleen kan ik bij Christus zijn.

Er is een vraag: waarom is de Heer daar en daar niet? En men hoort vaak zeggen: dat is toch verschrikkelijk als men zegt: daar is de Heer Jezus niet in het midden; bij ons is Hij wel, maar daar is Hij niet. Ja, als ik dat zou zeggen: de Heer is bij ons, maar daar niet, dan zou het verschrikkelijk zijn, dan zou het vermetelheid zijn, een vreselijke hoogmoed. Maar als wij de gedachten van God zien, als wij lezen wat Gods Woord zegt, dan zijn het uitspraken van God. En dan kunnen wij zó aan de uitspraken van God erkennen waar wij bij de Heer Jezus kunnen zijn en waar Hij niet is. Wij zien dat iedere gelovige bij de Heer Jezus kan zijn als hij maar naar die plaats gaat waar de Heer Jezus is. Dit is die plaats waar het oordeel voltrokken is over de natuurlijke mens, waar alleen het Woord het voor het zeggen heeft. Daar waar alles in overeenstemming met Zijn dood is en met Zijn opstanding, en waar het Woord alleen alles regelt. Dat is een wonderheerlijk feit. Dat zegt ons, dat, als wij bij de Heer willen zijn wij op deze plaats moeten zijn, maar dat wij dan ook bij Hem zijn.

Zo wordt ons dan praktisch de grote vraag gesteld: bij wie willen wij zijn? We kunnen kiezen. Dat zien wij hier. Hier staat: ”Laten wij daarom tot Hem uitgaan”. De apostel zegt niet: wij zijn naar Hem uitgegaan. Het is niet waar dat iedere Christen, ieder die wedergeboren is, naar-de Heer Jezus is uitgegaan. Wij kunnen n.l. hier op aarde zijn en niet bij de Heer. Wij kunnen met andere Christenen samen en toch niet buiten de legerplaats zijn. Er wordt gezegd: ”Laten wij daarom tot hem uitgaan”. Wij hebben dus de keus. En de keus is heel eenvoudig. De keus is: bij Christus te zijn. Maar het is de gestorven Christus. Het is dat terrein waar de natuurlijke mens geen plaats heeft, want het kruis is juist het oordeel van God over de natuurlijke mens. Of willen wij daar zijn waar de natuurlijke mens is en een plaats heeft?

Als wij daaraan denken, is dan de keus moeilijk? Wij kunnen kiezen tussen een plaats waar de natuurlijke mens een plaats heeft, waar de natuurlijke mens het voor het zeggen heeft, het recht heeft een beslissing te nemen, én de plaats waar de Heer Jezus is als Degene die gestorven is en waar het oordeel over de natuurlijke mens is voltrokken, waar ik met Hem ben gestorven en Hij voor mij het oordeel droeg, zodat er voor mij geen oordeel meer is. Nee, het gaat hier riet om de zekerheid van het geloof. Maar het is wel een plaats van zekerheid. In 1 Johannes 5 : 19 lezen wij dat de hele wereld in het boze ligt. Dat betekent dat Gods oordeel over deze wereld hangt, en het zal ook over deze wereld komen. De hele wereld zal geoordeeld worden. Toch is er een plaats die niet geoordeeld wordt. Dat is het kruis op Golgotha. Daar is immers het oordeel van God volmaakt voltrokken. Maar dat is een enige plaats en dat betekent dat een mens alleen maar kan worden gered als hij naar Golgotha gaat. De hele wereld ligt immers onder het oordeel, slechts deze ene plaats niet. Daarom is het ook dat wij in een zinnebeeld in de dood van de Heer Jezus worden gedoopt. Door de doop komen wij op deze plaats waar het oordeel voltrokken is, waar dus geen oordeel meer is. De enige veilige plaats is dus het kruis, en alleen hij die zijn plaats onder het kruis inneemt is veilig voor het oordeel van God. Maar voor deze wereld betekent het tegelijk de plaats van de verwerping, een plaats verbonden met de verworpen Heer, die geen plaats hier op aarde had. En de plaats die wij buiten de legerplaats hebben is dezelfde. In de ogen van God rust het oordeel op de natuurlijke mens. Maar het betekent, dat alleen daar waar de gelovigen tezamen gekomen zijn, daar waar de Christus buiten de legerplaats is, en dat als de gestorvene, daar is in de ogen van God geen oordeel meer. Dat is alleen maar de plaats die tot God spreekt van de dood van de natuurlijke mens, waar een voltrokken oordeel is. En hoe is dat voltrokken? Het is voltrokken aan Hem. Hij was het die onze zonden droeg en God verheerlijkt heeft, zodat God ook echt verheerlijkt is. Weliswaar moest God zijn aangezicht voor Hem verbergen toen de Heer Jezus het moest uitroepen: ”Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” En toch is het ook zo dat Gods aangezicht nooit meer met meer welgevallen op Hem neerzag als juist op dit ogenblik toen Hij Hem oordeelde in onze plaats. Toen Hij in het oordeel ging deed Hij het in gehoorzaamheid tot God en uit liefde tot mij en tot God, zodat God, hoewel Hij Hem moest oordelen met oneindig welgevallen op Hem neerzag juist omdat deze Persoon op deze wijze het oordeel droeg. En als men naar deze plaats gaat, onder het kruis, dan heeft men deel aan dit wonderheerlijke welgevallen, waarmee God op de Heer Jezus neerziet. En dat is het geheimenis dat wij ook in Efeze 1 : 6 lezen: ”Hij heeft ons begenadigd in de Geliefde”, en in Kolosse 1 : 13 ”... die ons... overgebracht heeft in het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde”.

Dan verstaan wij wat de plaats naar Gods gedachte is. De plaats naar Gods gedachte is die plaats waar men bij de Heer Jezus is. Want dat is de enige plaats waarop God met welgevallen neerziet, waar geen oordeel meer is; God ziet op deze plaats me’, welgevallen neer omdat die plaats spreekt van deze Persoon die daar het oordeel gedragen heeft en tegelijkertijd God zó heeft verheerlijkt dat God op deze plaats op aarde werd verheerlijkt in plaats van onteerd, zoals elders. Dan ziet men wat deze plaats naar Gods gedachte is - de plaats buiten de legerplaats, waar de Heer is, waar men zijn smaad draagt, maar waar men voor God staat, niet alleen persoonlijk - daar gaat het nu niet om - maar gezamenlijk. En ook ons vergaderd zijn is daarop gegrond dat de natuurlijke mens is gestorven, daar is Gods oordeel, zodat God alleen ziet wat uit de dood van de Heer Jezus is te voorschijn gekomen, n.l. het opstandingsleven. Dan ziet Hij ons, hoe wij op grond van de werken van de Heer Jezus geworden zijn, nieuwe mensen, verbonden met Hem, de Heer in de hemel.

Maar dat is niet voor altijd. Daar is ook de tweede plaats voor ons. Wij hebben het gelezen dat het bloed in het heiligdom werd gedragen. Dat is de andere kant van de zaak. Maar dat is wel verbonden met deze zaak. Neen, ik zeg niet dat gelovigen die zich niet buiten de legerplaats bevinden niet in de hemel komen. Dat zou een leugen zijn. Als de Heer komt dan neemt Hij alle kinderen van God mee. Geen gelovige zal achter blijven. Allen die zijn wedergeboren en de Heilige Geest hebben ontvangen gaan mee, de hele gemeente. Maar voor de ogen van God horen deze beide plaatsen tezamen. God ziet de Heer Jezus, wat de heerlijkheid betreft, in de hemel en in het heiligdom, maar wat de aarde betreft, op het kruis. Er is geen andere plaats waar God Christus kan zien: buiten de legerplaats, waar het lichaam van het offerdier is, of in het heiligdom. En zo worden die beide plaatsen tezamen gezien. En dat is in Gods gedachte om ons zo de Heer Jezus voor te stellen. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid. En God verwacht dat ook wij al ons welgevallen in de Heer Jezus vinden en dat ook ons hart naar Hem verlangt, er naar uitziet bij Hem te zijn. En dan zegt Hij tegen ons: U kunt bij Hem zijn. Hier op aarde is een plaats waar u bij Hem kunt zijn, bij Degene die het oordeel heeft gedragen. Dus op die plaats waar Hij is, is geen oordeel meer, want dat is de nieuwe opstandingswereld, waar geen oordeel meer is. Daar kunnen wij bij Hem zijn. En later als Hij komt, dan brengt Hij u op die plaats waar dat andere is, waar het bloed is, in het heiligdom. U zult zijn waar Ik woon.

In 1 Petrus 3 : 18 staat dat de Heer Jezus ons tot God heeft gebracht. Hij heeft ons, die in de wereld waren, tot God gebracht. En ten slotte zal dat volmaakt zijn, als wij bij God zullen zijn in het huis van de Vader. In beginsel is dat nu al gebeurd, doordat Hij alles weggedaan heeft wat tussen God en ons was, zodat wij nu echt een vrije toegang tot God hebben en nu op een plaats kunnen zijn, hier op aarde, waar wij lichamelijk in de tegenwoordigheid van de Heer zijn, waar de Heer Zelf in ons midden is, en waar Hij ons leidt. Hij woont in Zijn huis en later kunnen wij binnengaan in het Huis van de Vader, waar wij altijd bij de Heer zullen zijn. Beide dingen worden hier tezamen gebracht. Dat is naar Gods gedachte de normale plaats van de gelovige, van een Christen, hier op aarde, n.l. buiten de legerplaats, d.w.z. buiten alles waar de natuurlijke mens nog een plaats heeft. Voor ons is er slechts deze plaats, die alleen spreekt van de dood van de Heer, waar voor de natuurlijke mens helemaal geen plaats is, en daarna in de heerlijkheid, in de tegenwoordigheid van God - waar wij in de geest nu al toegang hebben, zoals de Brief aan de Hebreeën dat zegt. Daar zullen wij spoedig zelf heengaan om dan voor eeuwig bij de Heer te zijn.

Als wij zo de gedachten van God zien en als zo Gods Woord ons duidelijk zegt dat dat de enige plaatsen zijn waar wij bij de Heer kunnen zijn, is dan de keus voor ons moeilijk? Ja, dan geldt weliswaar: ”Laten wij tot Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen”. Men kan deze plaats niet innemen zonder Zijn smaad te dragen. Wel de plaats in het heiligdom. Als de Heer komt om ons te halen en als Hij ons daar bij de Vader zal binnenleiden, dan is daarmee natuurlijk geen smaad verbonden. Maar hier op aarde is er smaad mee verbonden - buiten de legerplaats, buiten alles wat de natuurlijke mens heeft opgebouwd, buiten alle organisatie, waar de natuurlijke mens rechten verkrijgt. Om daaruit te gaan is met smaad verbonden. Christus werd immers ook buiten geworpen en men had voor Hem ook alleen maar smaad.

Laten we bedenken, dat Hij daar is. En als wij zien dat dat alleen de plaats is waar wij bij Hem kunnen zijn - naar het Woord van God - omdat Hij alléén daar kan zijn waar de natuurlijke mens geen plaats heeft, daar waar de nieuwe mens is die Hem als Heer erkent en waar Hij dus rusten kan omdat Hij daar Heer kan zijn, is dan de keus moeilijk? Ja, voor het vlees is ze moeilijk. Het vlees houdt er niet van deze plaats in te nemen. Het vlees, ook ons vlees, houdt er niet van om niets te zeggen te hebben, om op de plaats van de dood te worden gehouden. Het vlees verlangt iets voor zichzelf. Het verlangt mee te spreken, als het mogelijk is een leidersrol te spelen. Maar als onze harten met de Heer Jezus bezig zijn, is het dan moeilijk om te kiezen? 0, nee, ik ben overtuigd, dat als ons hart op Hem alleen ziet, dan wensen wij bij Hem te zijn. En zolang wij nog niet bij Hem kunnen zijn in het huis van de Vader, verlangt onze liefde, ons hart, bij Hem op aarde te zijn, wat ook de gevolgen daarvan mogen zijn. En dat zeker als onze ogen op Hem gericht zijn en wij er aan denken welk een prijs Hij voor ons betaald heeft! Dan zijn wij bereid buiten de legerplaats te gaan, Zijn smaad te dragen. Om bij Hem te zijn, daar waar Hij is, als de Gestorvene, maar ook als Degene Die uit de dood is opgestaan.

(Hattingen 24.9.1967)

(c) copyright Uit het Woord der Waarheid, Winschoten, januari ’83
Met toestemming overgenomen voor electronische distributie door
Bijbelstudie-BBS

Terug naar document-overzicht
Dit artikel wordt u aangeboden door Het BijbelArchief.
Mocht u vragen en/of opmerkingen hebben over dit artikel kunt u contact opnemen met de aanbieder.