Van Egypte naar Kanaän (2)

Van Egypte naar Kanaän
deel 2
J. Ritchie

Satans nabootsing van de dienst van God
Elk werk van God wordt door satan tegengewerkt en daarna nagebootst om het te gronde te richten. We zien dit heel duidelijk bij Jerobeam, de koning van de tien stammen. Hij was een afgodendienaar en wilde het volk afhouden van de dienst van God en van Zijn koning in Jeruzalem. Hij deed dat niet openlijk, maar hij verleidde het volk door de instelling van een imitatie van de dienst van God. Hij maakte zelf altaren en gouden kalveren in Dan en Beth-El, stelde priesters aan uit de geringsten van het volk en organiseerde een feest dat leek op het feest dat in Jeruzalem gevierd werd.

Dit was een volledige nabootsing van de dienst van God, met namaakaltaren, namaakpriesters, en een namaakfeest. Het was een menselijk verdichtsel, verdicht uit zijn hart (1 Kon. 12:33). Hierdoor keerde het volk zich af van de ware dienst van God en volgde het de imitatie van de satan. Zo is het helaas ook gegaan met de viering van het avondmaal in de christenheid. Als we het roomse misoffer en het protestantse sacrament vergelijken met de oorspronkerijke instelling van het avondmaal, dan zien we hoe ver men is afgeweken van Gods gedachten. Waar spreekt de Schrift over de jaarlijkse of de halfjaarlijkse bediening van het sacrament voor de lidmaten van een bepaalde kerk, voor bekeerden én onbekeerden? Waar lezen we in Gods Woord over een aangestelde persoon die het sacrament bedient, of over vastendagen of voorbereidingsdagen om gebruik te maken van dit genademiddel?

Alle ware gelovigen die verbonden zijn met zulke menselijke instellingen, zullen met droefheid moeten erkennen dat dit alles in strijd is met Gods gedachten. Maar dat is niet voldoende. We zullen ook in overeenstemming met Gods geopenbaarde wil moeten handelen, als we daartoe in staat zijn. Het is veeleer een bewijs van lauwheid en wereldsgezindheid om genoegen te nemen met de bestaande toestand. Daarom is het zo verfrissend dat de Schrift ons mannen laat zien die een andere gezindheid tentoonspreiden: mannen als Hizkia, Josia en Ezra en Nehemia, die niet alleen treurden over het verval maar ook een herstel bewerkten.

Het herstel onder Hizkia
Hizkia was de eerste van deze reformatoren, die teruggingen tot de inzettingen zoals ze door God gegeven waren. Zijn vader Achaz was een afgodendienaar en het stond er slecht voor in zijn koninkrijk. Maar Hizkia liet zich daardoor niet ontmoedigen en ging onmiddellijk aan het werk. Hij roeide de afgodendienst uit, reinigde het huis des HEEREN en herstelde de eredienst. Hij kleefde de HEERE aan en hij week niet van Hem na te volgen, en hij hield Zijn geboden die de HEERE aan Mozes geboden had (2 Kon. 18:6).

Daarna kwam het herstel van het paasfeest. Hizkia nodigde het hele volk uit om het pascha te houden in Jeruzalem, en daarom stuurde hij ook boodschappers naar de tien stammen. Door het hele land weerklonk de oproep om het pascha te houden in Jeruzalem, want zij hadden het lange tijd niet gehouden gelijk het geschreven was (zie 2 Kron. 30). Dat was beslist een moedige stap, want er was niet veel positiefs te verwachten van een volk dat al zo lang was afgedwaald. De boodschappers werden dan ook belacht en bespot, maar sommigen van Aser en Manasse en Zebulon verootmoedigden zich en kwamen te Jeruzalem. Zo werd het gemeenschappelijk gevierd en was er grote blijdschap, want sinds de dagen van Salomo was iets dergelijks niet gebeurd in Jeruzalem.

Het herstel onder Josia
Josia was de volgende reformator. Toen hij nog een jongen was, begon hij God te zoeken. En toen het wetboek gevonden werd, liet hij zich daaruit voorlezen en verootmoedigde hij zich voor Gods aangezicht. De voorschriften van het hervonden wetboek werden onmiddellijk opgevolgd en zo werd ook het pascha weer gehouden op de vastgestelde tijd, op de veertiende van de eerste maand, en op de vastgestelde plaats, te Jeruzalem. Dit was een bijzondere gebeurtenis, want er was ook geen pascha als dat in Israël gehouden, van de dagen van Samuël de profeet af (2 Kron. 35:18).

Het herstel na de ballingschap
Daarna volgde er een lange onderbreking. Juda was weggevoerd naar Babel, de tempel was verwoest en het volk zat in duisternis. De weggevoerden treurden aan de rivieren van Babel, totdat de oproep weerklonk om terug te keren naar Jeruzalem. Het overgrote deel van het volk zag Jeruzalem nooit meer terug, maar een overblijfsel luisterde naar Gods roepstem en ging terug naar de geliefde stad. Daar herstelden ze de dienst van God, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, de man Gods (Ezra 3:2).

Ze keerden terug tot dat wat van het begin af was. Ze volgden niet het voorbeeld van allerlei vrome mannen, maar ze gingen terug tot wat geschreven stond in de wet van Mozes. Het Woord van God was de enige grondslag voor hun handelen. Het zo spreekt de HEERE was hun motto. Alleen God en Zijn Woord zijn onfeilbaar. Als we het voorbeeld van goede mensen volgen, kunnen we toch ernstige fouten maken. De goede hogepriester Aäron maakte het gouden kalf en de slechte Jerobeam kon op zijn voorbeeld wijzen om de gouden kalveren in Dan en in Beth-El goed te praten. Tot zulke dingen kunnen we komen als we mensen navolgen en niet alleen het Woord van God als maatstaf hanteren.

Het overblijfsel dat terugkeerde uit de ballingschap vierde het pascha in overeenstemming met het Woord van God. Hoewel ze maar met een handvol mensen waren, vierden ze het met blijdschap, want de HEERE had hen verblijd (Ezra 6:22). Dit was werkelijk een herstel naar Gods gedachten. Het was niet iets nieuws, maar het herstel van het oorspronkelijke feest, ook al was het dan in miniatuur. Ongetwijfeld was het maar iets kleins vergeleken met de prachtige begintijd, en daarom lezen we dat er bij de grondlegging van de herbouwde tempel zowel gejuich als geween was (Ezra 3:11-13). Ze hadden maar kleine kracht, maar ze gebruikten die om in overeenstemming met Gods gedachten te handelen.

Dat is ook ónze roeping met betrekking tot de viering van het avondmaal. We hoeven niet iets nieuws te bedenken of het voorbeeld van allerlei grote mannen te volgen, maar we mogen ons eenvoudig houden aan het Woord van God. Geen menselijke tradities, geen geloofsbelijdenissen, maar de Schrift moet ons-richtsnoer zijn. We lezen in Hand. 20 dat de gelovigen vergaderd waren om brood te breken, en in 1 Kor. 11 lezen we over het samenkomen van de gemeente om dit te doen totdat Hij komt. Zo mogen we de dood van de Heer verkondigen, in gehoorzaamheid aan Zijn wens om dit te doen tot Zijn gedachtenis. We doen dit als een zwak overblijfsel, zonder kerkelijke pretenties en zonder pogingen om weer een apostolische kerk op te bouwen. We vormen maar een gedeelte van de verstrooide kudde van God, dat zich vergadert rondom de grote Herder van de schapen en het gezag van Zijn Naam erkent aan Zijn tafel.

De uittocht uit Egypte
Nauw verbonden met de verlossing van het zwaard van de verderfengel was Israëls uittocht uit Egypteland. In dezelfde nacht waarin ze het bloed van het paaslam aan de deurposten aanbrachten, keerden ze Egypte voorgoed de rug toe. Ze zeiden het toneel van hun slavernij en afgoderij, Egypte en de goden van Egypteland, voor altijd vaarwel. Elke band die hen gevangen hield was verbroken, en ze waren vrij om de levende en waarachtige God te dienen.

Wat een bijzondere gebeurtenis was dit vertrek uit het land dat onder de vloek lag! De Israëlieten trokken haastig weg, terwijl de Egyptenaren hun doden beweenden. Egypte was blij als zij uittrokken, want hun verschrikking was op hen gevallen (Ps. 105: 38). God voerde Zijn volk door een sterke hand uit Egypte, uit het diensthuis. En Hij die ze uit Egypte leidde, zou ze nooit weer daarheen terugbrengen.

Dit is een beeld van de verlossing van de gelovige. Nauw verbonden met zijn verlossing van het oordeel is zijn verlossing uit deze tegenwoordige boze eeuw (Gal. 1: 4). Hij is niet alleen veilig voor het oordeel, maar hij is úit de wereld getrokken die onder het oordeel ligt. Hij heeft niet alleen een veilige toevlucht gevonden bij het kruis, maar het kruis staat tussen hem en een wereld die haar ondergang tegemoet gaat. Door het kruis is hij voor de wereld gekruisigd en de wereld voor hem, en leeft hij nu voor God.

Velen zien dit niet of willen het niet zien. Ze roemen wel in het kruis als het middel dat hen verlost van de komende toorn, maar ze ontkennen de kracht van het kruis die hen scheidt van deze wereld. Ze voelen zich thuis in Egypte en ze zijn verbonden met ongelovigen. Ze spreken wel over de hemel, maar ze profiteren toch zoveel mogelijk van deze wereld. Ze willen van twee walletjes eten. Maar het is niet naar Gods wil dat Zijn kinderen een onheilig verbond met de wereld sluiten. Hij heeft daar met onmiskenbare duidelijkheid over gesproken: Overspeligen, weet gij niet, dat vriendschap met de wereld vijandschap is tegen God? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, betoont zich een vijand van God (Jak. 4:4).

Dit vers uit Jakobus is overduidelijk. Dat is heel iets anders dan van twee walletjes eten. Trouwens, ieder die dat probeert zal vaststellen dat hij er niets bij wint, noch voor deze tijd noch voor de eeuwigheid. Laat dit onderdeel van Israëls geschiedenis dus een les voor ons zijn. Laat de scheidslijn tussen ons en deze wereld zo duidelijk mogelijk zijn, even duidelijk als God deze getrokken heeft.

Het vermengde volk
En veel vermengd volk trok ook met hen op (Ex. 12:38). Hier hebben we opnieuw een belangwekkend feit in de geschiedenis van Israël. Satan gebruikt allerlei listen, en als de ene list niet lukt, heeft hij altijd wel een andere. Als hij niemand van het volk van God in Egypte kan houden, probeert hij Egyptenaren met dit volk mee op te laten trekken. En is het hem niet gelukt?

In het nachtelijk donker was het erg moeilijk deze Egyptenaren te onderscheiden van de Israëlieten. Waarschijnlijk bestond dit vermengde volk uit Egyptische vrienden en verwanten, want door onderlinge huwelijken was er een bepaalde vermenging tussen Egyptenaren en Israëlieten opgetreden (verg. Lev. 24:10). En het was toch eigenlijk vanzelfsprekend dat deze Egyptische vrienden en familieleden met de Israëlieten meegingen? Maar juist dit vermengde volk werd een valstrik en een vloek voor Israël. In het boek Numeri zien we dat heel duidelijk. Zij waren degenen die om vlees riepen en die terug verlangden naar Egypte. Zij waren niet tevreden met het manna en veroorzaakten een algemene ontevredenheid onder het volk (zie Num. 11 en 21).

Maar zo gaat het altijd. Satan zal altijd proberen om onkruid te zaaien tussen de tarwe. In tijden van opwekkingen zullen er onder de vele bekeerden ook schijngelovigen zijn, die met de ware gelovigen optrekken. Een tijdlang schijnt er niets aan de hand te zijn, maar zo langzamerhand komt het ware karakter van dit vermengde volk aan het licht. En ze zullen altijd hun sporen nalaten onder het volk van God. Sommigen volgen alleen om de broden en de vissen (Joh. 6:26). Anderen laten zich leiden door hun natuurlijke gevoelens en door hun verwantschap met ware gelovigen komen ze tot een uiterlijke belijdenis van het christendom. Innerlijk blijven ze echter Egyptenaren, die voor de ware gelovigen alleen een valstrik kunnen vormen. Laten we dus oppassen voor deze wereldlingen, die heimelijk onder de gelovigen binnensluipen. Vroeg of laat zullen ze weer teruggaan naar de wereld, maar ondertussen zullen ze een sterke invloed ten kwade uitoefenen.

De wolk- en vuurkolom
Als zondaars hebben we een Heiland nodig, als gevangenen een Verlosser, maar als pelgrims hebben we behoefte aan een Leidsman. Toen God ons zag in onze verloren toestand, gaf Hij ons in Zijn liefde Zijn eniggeboren Zoon als onze Heiland en Verlosser. Maar Hij heeft ons ook Zijn Heilige Geest gegeven, en Zijn kostbaar Woord, om ons te leiden op de weg. Vader, Zoon en Heilige Geest zijn werkzaam geweest om ons te verlossen, maar Zij zijn ook betrokken bij onze pelgrimsreis.

Toen de Israëlieten in Etham gelegerd waren, aan de rand van de woestijn, moet de verschijning van de wolkkolom een geweldige verrassing voor hen geweest zijn. Ze kenden geen stap van de weg door de woestijn; ze wisten niet hoe ze Kanaän zouden bereiken. En toen daalde daar plotseling de wolkkolom neer. God Zelf kwam neer om hun Gids te zijn, om met hen te wandelen, hen te beschermen en hen te vergezellen. Ook al was de weg lang en moeizaam en de woestijn vol gevaren, wat gaf dat nu God met hen was? Hij kende elke stap die ze door deze grote en vreselijke woestijn moesten gaan. Hij kende elk gevaar en als ze Hem maar volgden, zou alles goed gaan.

Overdag was de wolk een beschutting tegen de hitte, maar als de avond viel veranderde de wolk in een vuurkolom die de legerplaats verlichtte. Hij breidde een wolk uit tot een bedekking, en vuur om de nacht te verlichten (Ps. 105: 39). Ze zaten dus nooit in het donker en ze konden evengoed ’s nachts reizen als overdag. God was hun Licht en Hij leidde hen als een trouwe Herder. Zijn bewarende zorg wordt heel mooi tot uitdrukking gebracht in het lied van Mozes: Hij vond hem in een land der woestijn en in een woeste huilende wildemis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel. Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken, zo leidde hem de HEERE alleen, en er was geen vreemde god met hem (Deut. 32:10-12).

En wat een genade is het dat de wolkkolom bij hen bleef, ondanks hun falen, hun morren en hun zonden! God verliet hen niet. De wolk bleef veertig jaar lang bij hen en zweefde boven hen toen ze tenslotte overwinnend door de droge bedding van de Jordaan trokken, op weg naar de rustplaats in het beloofde land. En Hij is nog steeds dezelfde: déze God is ónze God eeuwiglijk en altoos.

De plaats van de wolk
De drievoudige positie van de wolk laat ons zien dat God vóór ons, mét ons en In ons is. Bij de Rode Zee maakt de wolk scheiding tussen de Israëlieten en hun vijanden; daar blijkt dat God vóór hen is, en wie zou dan tegen hen zijn? Op de reis door de woestijn gaat de wolk met hen, en gaat voor hen uit om de weg te wijzen; God is mét hen. En in de derde plaats is de wolk in hun midden; God woont tussen de cherubim en de wolk bedekt de tabernakel. Dit is een beeld van de inwoning van de Heilige Geest in de gelovigen; Hij is niet alleen bij ons maar ook in ons.

Geest en Woord
Als de wolk zich verhief, brak men op. En als de wolk stil hield, legerde men zich op die plaats. Jahweh was hun Leidsman en zij luisterden naar Zijn bevel. Hij was de Herder, zij waren de schapen. En zoals Hij Israël door de woestijn leidde door middel van de wolkkolom, zo heeft Hij in ónze behoeften voorzien door Zijn Geest en Zijn Woord. Hij wil ons leiden door het licht en door de bescherming van Zijn Geest en van Zijn Woord. Zijn Woord is een lamp voor onze voet en een licht voor ons pad, en de Heilige Geest wil ons leiden in al de waarheid. Een andere raadsman of een andere gids hebben we niet nodig; laten we ons daar toch meer van bewust zijn.

De andere Trooster
In dit verband willen we wat nader ingaan op de Persoon en het werk van de Heilige Geest, en het gezag en de genoegzaamheid van de Heilige Schrift. De andere Trooster waarover de Heer Jezus sprak aan de vooravond van Zijn heengaan naar de Vader, is een Goddelijk Persoon. De eeuwige Geest is een Persóón, niet maar een invloed. Tien dagen na de hemelvaart van de opgestane Heer is de Heilige Geest neergedaald uit de hemel. En vanaf dat moment van de uitstorting van de Heilige Geest woont Hij in de gemeente; Hij is ook nu nog aanwezig, ondanks het falen van het volk dat aan Zijn zorg is toevertrouwd.

Evenals Israël ontrouw was aan Gods leiding, heeft de gemeente de Heilige Geest bedroefd. Toch is Hij nog aanwezig in de gemeente, niet om enige verdienste van onze kant, maar op grond van het volbrachte werk van de Heer Jezus. Het is net zoals met de aanwezigheid van de wolk. De wolk bleef bij het volk, omdat het verzoeningsbloed op het verzoendeksel gesprenkeld was. Alleen op de grondslag van het gestorte bloed kon God temidden van Zijn volk wonen; de wolk rustte op het verzoendeksel.

Onze Leraar
De Heilige Geest is onze Leraar (Joh. 14:26; 16:13). Zonder Zijn onderwijs blijft het Woord van God een gesloten boek, een verzegelde schat. Want niemand kent de dingen van God, dan de Geest van God; en ze zijn alleen te verstaan dóór de Geest (1 Kor. 2: 10-16). Dat is vernederend voor de menselijke trots, voor de menselijke wijsheid en wetenschap. Een pasbekeerde, een baby in Christus, die met een oprecht hart het Woord van God bestudeert in afhankelijkheid van het onderwijs van de Heilige Geest, zal werkelijk meer van Gods waarheid leren dan alle filosofie van de universiteiten van deze wereld hem ooit zou kunnen bijbrengen. De diepten van God zijn voor wijzen en verstandigen verborgen, maar aan kinderen geopenbaard. Dat is een grote troost voor hen die verstoken zijn van gemeenschap met andere gelovigen en die het zonder het onderwijs van een leraar moeten stellen. Toch zijn ze niet alleen, want de beste Uitlegger is bij hen, namelijk de Geest van God.

Als we de Geest niet bedroeven, zal Hij ons de verborgenheden van God openbaren. Theoretische kennis is niet voldoende en wordt gemakkelijk weer vergeten, maar het onderwijs van Gods Geest zal ons altijd bijblijven. Het stille suizen van de stem van Gods Geest, zoals die tot ons komt in het Woord, zal ons in Gods gemeenschap bewaren.

Het is ook een gevaar om te denken, dat alleen een gestudeerd man de Schrift op een betrouwbare wijze zou kunnen uitleggen. Dat is in feite een klerikaal beginsel. Het leidt tot de vorming van een geestelijke stand, en het gevolg is meestal dat er dwaalleer wordt ingevoerd. Het systeem waar dit klerikale beginsel tot volle bloei gekomen is, leert dat alleen de gewijde priester het Woord van God kan uitleggen. Andere kerkelijke systemen gaan niet zover, maar de kiem van het kwaad is daar toch ook aanwezig.

Voorwaarden voor de leiding van de Geest
De Geest leidt ons dus in al de waarheid, en Hij leidt ons op onze weg door de woestijn. Een voorwaarde voor Zijn leiding is echter wel dat onze eigen wil gebroken is. Alleen als we Christus praktisch als Heer in ons leven erkennen en als we ons buigen voor Zijn gezag, zullen we de leiding van de Geest opmerken. De leiding van de Geest gaat in tegen ons vlees, en Hij brengt ons op een weg waarop we alleen door het geloof kunnen wandelen. Denk aan de weg van Jezus. Na Zijn doop in de Jordaan werd Hij door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel; en Zijn weg eindigde op het kruis.

Gods weg is dus vaak een weg van zelfverloochening, van beproeving en lijden. De Geest leidt ons dáár waar het vlees niet zou willen gaan. Een andere belangrijke toetssteen voor de leiding van de Heilige Geest is, dat het niet een zaak van het gevoel is. De leiding van de Geest is in overeenstemming met het Woord. Als ik bijvoorbeeld met een ongelovige onder één juk ga door een huwelijk of door een zakelijke relatie, kan dat beslist niet de leiding van Gods Geest zijn. Dan kan ik wel zeggen dat ik ertoe geleid werd om dat te doen, maar de leiding van de Heilige Geest is nooit in strijd met het geïnspireerde Woord van God. De Heilige Geest zal ons altijd leiden in gehoorzaamheid aan het Woord. Als Hij een apostel leidde om de Korinthiërs te schrijven: Gaat niet met ongelovigen onder één juk (2 Kor. 6:14), zou Hij óns dan willen leiden op een weg die daarmee in strijd is?

Laat dat goed tot ons doordringen. Een weg, een verbintenis die niet wordt goedgekeurd door het geschreven Woord van God, is nóóit van de Geest van God. De duivel kan ons wel gemakkelijk wijsmaken dat iets van God komt, terwijl het in werkelijkheid afkomstig is van het vlees. We moeten ons altijd afvragen: Is dit de wil van mijn hemelse Vader? Is het in overeenstemming met Zijn Woord?

Als we zo vasthouden aan het Woord van God zal de Geest van God ons veilig leiden. Zelfs de donkerste dagen zullen verlicht worden door het schijnsel van Zijn tegenwoordigheid. Onze blik is dan gericht op het beloofde land en we zullen de weg die we te gaan hebben duidelijk voor ons zien. Welgelukzalig is het volk dat het geklank kent; o HEERE, zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen (Ps. 89:16).

De Rode Zee
Er zijn helaas veel gelovigen die geen gevestigde vrede hebben. Soms zijn ze blij en gelukkig, maar soms ook bedroefd en terneergeslagen. Soms bezitten ze zekerheid, maar soms twijfelen ze eraan of ze wel werkelijk het eigendom van Christus zijn. Ze zijn bezig met hun eigen gedachten en gevoelens, hun blijdschap en droefheid. Ze putten uit hun eigen ervaringen en hun blik is naar binnen gericht, inplaats van op Christus en de volle oplossing die Hij bewerkt heeft. Dit kan verschillende oorzaken hebben. Sommigen hebben bij hun bekering slechts een bedekt evangelie gehoord, of maar een deel van het evangelie van God aangaande Zijn Zoon. Het is hun geleerd dat twijfel en vrees ten aanzien van hun uiteindelijke behoudenis een zeker bewijs van genade is, en dat een voortdurende droefheid over de inwonende zonde het hoogste is wat God in de Zijnen kan prijzen. Op die manier leven ze steeds in nevels en tobben ze over hun eigen geestelijke staat, hun innerlijke heiligheid of verdorvenheid.

Als we hierover spreken is het beslist niet onze bedoeling iets af te doen van de ernst van de inwonende zonde, of van de macht van de satan. Het is zeker van groot belang dat ieder kind van God het karakter kent van het vlees dat in hem is, en dat hij zich rekenschap geeft van de macht van satan die tégen hem gericht is. Maar het is onze stellige overtuiging dat het tobben over deze dingen nooit de overwinning erover kan geven, terwijl de normale toestand van iemand die het evangelie geloofd heeft juist gekenmerkt wordt door die overwinning. Overwinning en geen nederlaag, vrijheid en geen slavernij: dat is de normale toestand van een gelovige. Velen leven misschien in de ervaringen van Rom. 7, maar we geloven beslist niet dat dát de ervaringen zijn van iemand die weet dat hij verbonden is met een gestorven en opgestane Heer. Hoe zou God tegen Zijn kinderen kunnen zeggen dat ze zich altijd moesten verblijden, als Hij hun geen hogere danktoon liet zingen dan: Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen?

Deze gedachten kwamen bij ons op naar aanleiding van Ex. 14, waar we de Israëlieten voor de Rode Zee zien staan. Ze waren nog op de grens van het rijk van Farao, binnen het bereik van zijn macht. De woestijn had hen ingesloten en de Rode Zee lag voor hen. Ze konden nergens heen, en Farao en zijn wagens jaagden hen na. In hun angst riepen de Israëlieten tot God - want ze wisten nog niet dat Hij vóór hen en tégen hun vijanden was. Is dit niet een beschrijving van de toestand en van de ervaringen van een gelovige die nog in Rom. 7 leeft? Is dit misschien úw toestand? Misschien is het nog niet zo lang geleden dat u geroepen heeft: wat moet ik doen om behouden te worden? En u heeft uw blik toen gericht op de Heere Jezus, de Heiland die voor zondaars gestorven is, en u heeft geloofd in de kracht van Zijn verzoeningsbloed. Maar satan laat u niet met rust. Evenals Farao laat hij zich zijn buit niet zo gemakkelijk ontglippen. Hij brengt u in het nauw, hij herinnert u aan uw verleden en hij verduistert uw toekomst. Hij zegt tegen u dat u hem toebehoort en dat u zijn slaaf bent en ook zijn loon zult ontvangen. Schijnbaar is uw toestand nu nog erger dan toen u in de wereld leefde.

Toen had u het niet zo moeilijk, want de duivel bewaarde zijn goederen in vrede. Maar nu wordt u beangstigd door zonde, satan en dood. Evenals Israël zou u haast wensen dat u in Egypte gebleven was, om daar rustig de duivel te dienen. Want het lijkt er veel op, dat u bijna weer in zijn greep bent. Anderen in uw omgeving zijn gelukkig. Ze zingen van blijdschap, maar u kunt alleen maar zuchten. Misschien hebben ze maar weinig begrip voor u, omdat ze uw toestand niet kennen. Ze staan in de vrijheid en in het volle zonlicht van het evangelie van God, en zingen het lied van verlossing. Maar u kunt dat lied niet zingen, want er is geen lied in Egypte, geen dankzegging tussen Migdol en tussen de zee. Eerst moet u het heil des HEEREN leren kennen, de verlossing die Hij bewerkt heeft en die we in type zien bij de Rode Zee. Dan kunt u pas het overwinningslied aanheffen. Het woord dat Mozes tot Israël moest spreken was: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan u lieden doen zal, want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid. De HEERE zal voor u lieden strijden, en gij zult stil zijn (Ex. 14:13,14). Wat een bemoediging was dat voor het volk dat beefde van angst! God zelf zou voor hen strijden! Hij stelde Zich tussen hen en hun vijanden! Het was nu niet meer een zaak tussen Farao en Israël, maar tussen Farao en Israëls God! Het volk hoefde alleen maar stil toe te zien. En zo is het ook met ons, want Christus heeft onze zaak op Zich genomen. Hij is tussen ons en onze vijand gaan staan en heeft hem overwonnen. Mozes strekte zijn staf uit over de zee en onmiddellijk werden de wateren gekliefd. Er onstond een weg tussen de golven, die aan weerskanten daarvan als muren van kristal oprezen. Het was een werk van God, en het was wonderlijk in de ogen van Zijn volk.

Daarna klonk het bevel: Zeg tot de kinderen Israëls, dat zij voorttrekken (Ex. 14: 15). En door het geloof gingen zij door de Rode Zee als door droog land, zo zegt de Brief aan de Hebreeën. Ze hoefden niet naar droge plaatsen te zoeken, maar ze trokken snel voort op het droge. Toch was het een pad dat alleen door het geloof kon worden betreden; en zó bereikten ze de andere oever. De vijand achtervolgde hen en probeerde dezelfde weg te gaan, maar Farao en zijn macht betrad het terrein van zijn totale ondergang. De donkere kant van de wolk was naar hen toegekeerd, hun wagens liepen vast en toen stortten de wateren zich op hen. Zo kwamen de Egyptenaars aan hun einde. De HEERE streed voor Israël en tegen zijn vijanden. De overwinning was volledig: er werd niet één Egyptenaar behouden, maar er ging niet één Israëliet verloren. De zon ging op en beseheen een rimpelloze zee, waarin Farao’s legermacht zijn graf gevonden had. Maar het verloste volk stond op de andere oever en zag vol ontzag het heil des HEEREN; en in het besef van die verlossing hief het het overwinningslied aan. Farao is een beeld van satan en Egypte van de wereld, waarvan hij de overste is. De Rode Zee spreekt van de dood, de grenslijn van satans rijk, zijn laatste en sterkste vesting. De legerplaats tussen Migdol en tussen de zee toont ons de toestand van hen die het heil des HEEREN nog niet in zijn volheid hebben leren kennen, zoals dat door de dood en opstanding van Christus voor hen bewerkt is.

Zo worden we herinnerd aan de grootste strijd die eens gestreden is, en aan de grootste overwinning die eens behaald is. Laten we onze blik een ogenblik richten op de plaats genaamd Golgotha, en op het nabijgelegen graf in de hof, en laten we denken aan wat daar gebeurd is. De vijandelijke machten der duisternis hadden zich daar verzameld, maar ze zijn voorgoed verslagen. De wereld was daar - in al haar gedaanten. Zowel de religieuze, als de politieke en de culturele wereld was daar vertegenwoordigd. Maar op die plaats werd het oordeel over de wereld geveld. Bij het kruis werd het doodvonnis over de wereld en over haar machten uitgesproken. Maar door hetzelfde kruis is de gelovige verlost van deze tegenwoordige boze wereld en is hij gered van haar ondergang. Zoals de Rode Zee tussen de kinderen Israëls en Egypte lag, zo staat het kruis tussen de gelovige en de wereld. Het is een ondoordringbare barrière, die hem voor altijd van de wereld scheidt. Beseffen we dat, geloven we het met ons hart en handelen we ook in overeenstemming daarmee? Zien we onszelf werkelijk als met Christus voor deze wereld gekruisigd, om met Hem in een betere wereld op te staan en ook nu al in nieuwheid des levens te wandelen? Satan was eveneens aanwezig bij het kruis; hij was daar met al de kracht van zijn sterkte.

De Vorst des levens en hij die de macht van de dood had, ontmoetten eikaar op Golgotha. Daar werd de beslissende strijd gestreden tussen het Zaad van de vrouw en de slang. Satan bezat de macht van de dood; dat was de sterkte van zijn rijk. Zelfs geloofsmannen zoals Hizkia weenden bitter toen de dood hen naderde. Het was onbetreden terrein, want niemand was door de dood gegaan en weer teruggekomen naar de aarde. Maar Jezus ging deze vesting binnen, en een ogenblik leek het alsof Hijzelf overwonnen was. De Vorst des levens werd in het graf gelegd, en er werd een steen voor gewenteld en het graf werd verzegeld. De schapen van Zijn kudde werden verstrooid en de wereld was blij en dacht dat haar overste de overwinning behaald had. Maar zijn schijnbare overwinning was van korte duur. Christus verbrak de banden van de dood. De steen, het zegel, de wacht - alles was tevergeefs. Niets kon de Levensvorst weerhouden. Juist door de dood heeft Hij hem die de macht over de dood had, teniet gedaan (Hebr. 2:14). De kop van de slang is vermorzeld en hij is verslagen in zijn eigen vesting. Zijn macht is gebroken en zijn rijk is overwonnen. De Heer is waarlijk opgestaan! Hij heeft de sleutels van de dood in handen! Voor allen die Hem toe behoren heeft Hij een leven verworven dat buiten het bereik van de dood en de macht van satan ligt. Wie in de Zoon gelooft, heeft het leven, ja het eeuwige leven. Satan kan hem nooit meer gevangen nemen. Hij is verlost uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Gods liefde (Kol. 1: 13). Hij leeft omdat Christus leeft, en door Hem is hij meer dan overwinnaar. De overwinning is volkomen, het heil des HEEREN is zeker. Als u misschien nog twijfelt, sta dan nu stil en zie de verlossing die Hij tot stand gebracht heeft!

Het lied der verlossing
Het is goed dat men de HEERE love; onze God te psalmzingen is goed omdat Hij liefelijk is, de lof is betamelijk (Ps. 92: 2; 147: 1). Maar om Hem te kunnen loven, moet men Hem eerst kennen. Het is onmogelijk een onbekende God te prijzen, of God te danken als men Hem alleen als een strenge en wrekende God kent. Van een treurend hart of van een gebonden ziel kan men ook geen danklied verwachten. Pas als we de verlossing, het heil des HEEREN kennen en ons er in verblijden, kan de lofzang uit ons hart tot God opstijgen. Pas als we rust voor ons geweten en vrede met God gevonden hebben, kunnen we het lied der verlossing aanheffen.

Dit zien we in het loflied van Ex. 15. Het is het eerste lied dat we opgetekend vinden in de Schrift, en het werd gezongen door een verlost volk. Dat is een belangrijk gegeven. Zodrá ze verlost waren, zongen ze dit lied. Er zijn veel gelovigen die geen verlossingslied kunnen zingen. Hun toestand wordt gekenmerkt door droefheid en geween. Ze zitten in angst, evenals Israël in Ex. 14. Ze roepen tot God; ze kunnen niet zingen, want ze worden achtervolgd door de vijand. Ze worden bedreigd met de dood. Maar in Ex. 15 is alles anders geworden. De vijand is verslagen en de overwinning is volkomen. De volgorde is dan ook: het volk zag, het geloofde en toen zong het (Ex. 14: 3l; 15: 1). Zo vinden we het ook in Ps. 106: Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof (vs. 12).

Dat is het moment waarop de lofzang wordt aangeheven: ná een gekende verlossing, niet ervoor. Eerst worden de voeten opgetrokken uit het modderige slijk, en dan pas kan de mond het nieuwe lied uitjubelen (Ps. 40: 3,4). De verloren zoon ontving eerst de liefdebewijzen van zijn vader, en daarná begonnen ze vrolijk te zijn. Toen Filippus naar het donkere Samaria ging om het evangelie te prediken, kwamen er grote scharen tot geloof; en zó kwam er grote blijdschap in die stad. De Ethiopische kamerling kwam tot geloof in de woestijn van Gaza, en daarná reisde hij zijn weg met blijdschap. Het is steeds dezelfde volgorde: eerst komt de verlossing, daarna volgt de vreugde van het heil en het lied der verlossing.

Kunt u met de woorden van dit lied instemmen? Kunt u ook zeggen: Hij is mijn God, Hij is mij tot heil geweest? Zelfs ongelovigen kunnen spreken over onze Heiland, en toch zonder Christus verder leven. Ze kunnen op de hoogte zijn van de weg des heils, zoals de slavin die een waarzeggende geest had en die Paulus en de zijnen achterna liep en zei: Deze mensen zijn slaven van God de Allerhoogste, die u de weg tot het heil verkondigen. Maar alleen een verloste kan zingen: De Heere Jezus is mijn, en ik ben Zijn. Met David kan hij het danklied aanheffen: DE HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots ... mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek (Ps. 18: 3). Wat een opeenvolging van mijn’s. Het is allemaal even persoonlijk en even zeker. Hier is geen vage hoop om eenmaal behouden te mogen worden, geen gedachte dat het inbeelding is om zeker te zijn van het heil. Het is allemaal even zeker en vast.

Let ook op het onderwerp van het nieuwe lied, dat Israël op de oever van de Rode Zee zingt. Het gaat allemaal om Jahweh, om de heerlijkheid van Zijn Persoon en de grootheid van Zijn macht. Hij wordt grootgemaakt: De HEERE is mijn Kracht en Lied ... de HEERE is een Krijgsman ... HEERE, wie is als Gij? We vinden hier geen woord over de Israëlieten zelf en over hun daden. Dat is ware lof. En daarom zal het nieuwe lied van de hemel ook altijd zijn: Het Lám is waardig. Als we over onszelf en over onze ervaringen zingen, is dat geen lof. Onze ervaringen zijn altijd veranderlijk en onvolkomen, maar Christus blijft steeds Dezelfde. Zijn heerlijkheid is onveranderlijk en de Vader luistert altijd met een open oor als Zijn kinderen die heerlijkheid bezingen.

Als onze harten vervuld zijn van Gods liefde en genade, dan vloeien ze over van lof en dank. Maar dat is alleen mogelijk als we Zijn verlossing. Zijn heil kennen en ons daarin verblijden. Er zijn massa’s godsdienstige mensen die elke zondag psalmen en gezangen zingen. En misschien gebruiken ze de meest orthodoxe taal en de prachtigste muziek. Maar toch, als ze niet verlost zijn, als ze het heil des HEEREN nooit gezien hebben, als ze niet door de Rode Zee gegaan zijn, dan is het louter schijn en imitatie. Zolang iemand dood is in misdaden en zonden, kan hij niet lofzingen, want de doden zullen de HEERE niet prijzen (Ps. 115: 17).

Zo is er helaas allerlei namaak die als lof aan God wordt opgeofferd. Er zijn oratoria over Bijbelse onderwerpen. Zelfs de ernstigste tonelen van het lijden van de Messias worden voor velen een vorm van godsdienstig amusement. Zo voldoet men aan de natuurlijke gevoelens van de mens en wordt zijn geweten gesust, terwijl men vergeet dat er een dag zal komen waarop de Vermoorde en de moordenaars elkaar zullen ontmoeten. Ook veel ware gelovigen zien niet in dat dit namaak is. Laten we toch meer denken aan de teergevoeligheid van het Hart dat door dit onheilige werk zo ruw doorstoken wordt! Laten we toch meer doordrongen zijn van de diepte van de duisternis en van het lijden dat Hij moest meemaken om ons los te kopen en te scheiden van een wereld die Hem heeft uitgeworpen! Alleen die lof heeft waarde voor God, die opstijgt uit harten die het heil des HEEREN kennen en die dit niet vermengen met de beginselen van deze wereld.

De woestijn
Nadat het lied van de verlossing weerklonken heeft, begint de woestijnreis. De eerste uitbundige vreugde van de verlosten is bedaard en de trommels, die de reidans begeleidden, zwijgen. Ze beginnen zich nu te realiseren waar ze zijn. Hun thuis in Kanaän ligt nog ver voor hen. Egypte ligt ver achter hen en de Rode Zee scheidt hen voor altijd van het terrein van hun slavernij. Ze zijn op een nieuw terrein, in een nieuwe omgeving: een dorre en droge wildernis, waar ze geen water vinden (Ex. 15: 22).

Dit was een beproeving die nieuw voor hen was. Ze waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt (Ps. 107: 5). Het echte woestijnleven was nu begonnen. Ze beginnen te zien hoe moeizaam de weg was, die naar Kanaän leidde. Maar het was de liefde van hun God, die hen op deze weg leidde om hen te onderwijzen (Deut. 32: 10). En dit was de eerste les die ze moesten leren. Maar helaas zijn ze onwillig om die te leren; ze komen in opstand tegen Gods leiding.

Voor de gelovige is deze wereld in geestelijke zin een woestijn, waar hij doorheen moet trekken. Hij heeft hier geen blijvende stad. Hij is een pelgrim, op weg naar het hemels vaderland. Hij ontmoet veel gevaren, veel vijanden, veel strijd en ontbering. Hij vindt geen water. Is dat niet onze ervaring, sinds we tot God bekeerd zijn? Vroegere vriendschappen hebben hun bekoring verloren, wereldse begeerten en genoegens kunnen ons niet meer bevredigen nu we een nieuw schepsel in Christus zijn. Deze wereld is een onvruchtbare zandwoestijn, waar we geen verfrissing vinden voor onze dorstige ziel.

Toch is dat geen reden om te morren of te klagen, want bij God is de fontein des levens. En Hij wil ons juist leren alleen op Hem te zien, zodat al onze bronnen in Hem zijn. Dat is de grote les van de woestijn: de onzienlijke maar toch aanwezige God te vertrouwen, van dag tot dag, van uur tot uur. Zodat we al onze hulp en kracht, alle verkwikking en versterking, alleen van Hem verwachten. Dat leren we niet op één dag, en het is ook geen gemakkelijke les. Maar we hoeven niet bevreesd te zijn, want we kennen de hand die ons leidt en die onze wegen bestuurt. We weten dat Hij alle dingen doet medewerken ten goede. Ook al leidt Hij ons in een weg van beproeving, zodat we overstelpt zijn van droefheid, Hij zal ons niet begeven of verlaten. Zijn bedoeling is alleen om ons de dingen waarop we ten onrechte bouwen, te ontnemen. Hij wil ons alleen maar dichter tot Zich trekken, om ons te tonen hoe goed en vriendelijk Hij is. Zo getuchtigd en gespeend van elk vertrouwen op een vleselij ke arm, zullen we onze weg door de woestijn dan voortzetten, leunend op de arm van onze Geliefde.

Mara
De beproeving van Mara is nog moeilijker: Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter (Ex.15: 23). Wat op het eerste gezicht verkwikking scheen te bieden, bleek alleen maar bitterheid te zijn. We hechten ons zo snel aan iets van deze aarde, inplaats van op de levende God te vertrouwen en Hem te laten zorgen. Maar dat kan Hij niet toelaten, en dan verandert Hij de dingen waarin wij onze vreugde dachten te vinden, in bitterheid.

Zo hebben we allemaal onze Mara’s gehad, sinds we de pelgrimsreis aanvaardden. Sommigen vonden ze in hun huiselijke omstandigheden, anderen in de wereld. Het is bijvoorbeeld bitter als familieleden ons zijn gaan minachten omdat we de Heere Jezus zijn gaan volgen. We hoopten misschien dat ze ons zouden steunen, maar inplaats daarvan tonen ze alleen maar verachting. Dat is een bittere ervaring voor onze natuur. Maar het hoeft ons niet te verbazen als we verdrukking lijden. We ervaren dan hetzelfde als onze Meester, die ons voorzegd heeft dat we evenals Hij verdrukking zouden hebben in deze wereld. We moeten zelfs door veel verdrukkingen ingaan in het koninkrijk van God. Kijken we maar naar Paulus. Zodra hij bekeerd was, zei de Heere: Ik zal hem tonen boeveel hij lijden moet voor Mijn Naam (Hand. 9:16). En waaruit al dat lijden bestond, kunnen we lezen in de opsomming die hij daarvan geeft in 2 Kor. 11.

Zo is het eveneens in de eerste Petrusbrief, die de gelovige ziet op zijn pelgrimsreis door de woestijn. Het woord lijden is hier wel een sleutelwoord (zie 2:19 - 23; 3:14 - 18; 4:12 - 19). Maar naast het lijden zien we hier ook de vertroosting, die de bittere wateren van de beproeving zoet maakt: de lijdende Zoon van God, die heel dicht bij de lijdende pelgrim komt staan. Bij de wateren van Mara was een hout en toen Mozes dat in het water wierp, werd het zoet. Als we zien op de Heer, die voor ons geleden heeft, maakt dat ons lijden zoet. We mogen in Zijn voetspoor wandelen. We ontmoeten dezelfde beproevingen als Hij. We delen in het lijden dat Hij onderging terwille van de gerechtigheid. De bittere beker van de toorn van God heeft Hij alleen gedronken en daarin kon geen mens delen. Maar in het lijden dat Hij onderging van de kant van de mens, als een trouwe Getuige temidden van een boze wereld, delen wij met Hem als wij Hem volgen.

Een treffend voorbeeld daarvan vormen Paulus en Silas in de gevangenis te Filippi. Ze werden eerst wreed behandeld en toen met hun voeten bevestigd in het blok. Dat was Mara, maar het hout was in het water. Het bittere water werd zoet gemaakt. Zij prezen God met lofzangen, en de gevangenen luisterden naar hen. De beproeving had een heerlijk resultaat. Zo was het ook met de drie jongelingen in de vurige oven. Deze dappere getuigen van de waarheid van God werden niet alleen gelaten in het vuur van de beproeving. Ze hadden een Metgezel en Zijn gedaante was als de Zoon van God. Dat veranderde alles.

De les die we moeten leren is deze: dat het niet de weg van de Heere is om de gevangenis weg te nemen of om het vuur uit te doven, maar dat Hij temidden van de beproeving heel dicht bij ons wil komen. Zo maakt Hij het bittere zoet. Hij heeft ons niet beloofd dat Hij ons de beproevingen zal besparen, maar dat Hij met de beproeving ook voor de uitkomst zal zorgen (1 Kor. 10: 13). Hij neemt de doorn in het vlees niet weg, maar Hij geeft genade om die te verdragen (2 Kor. 12:7-9). Zo kunnen we zelfs roemen in de verdrukkingen (Rom. 5:3).

Elim
Daarna komt Elim, met zijn twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen. Een groene oase in de woestijn, die na de beproeving van Mara des te aantrekkelijker was. Elim was nog niet Kanaän, maar het was een plaats van verkwikking op de weg daarheen, een blijde voorsmaak van de tijd waarin Israël in het land zou wonen en het loofhuttenfeest zou vieren onder de schaduw van de palmbomen.

Zo hebben we tijdens de woestijnreis al het uitzicht op de toekomstige rust. De verfrissing en verkwikking van het Woord versterkt onze hoop op de heerlijkheid die we zullen beërven. Na de bittere wateren van de beproeving staat de gelukzalige hoop ons nu des te duidelijker voor de aandacht. Na het lijden volgt de heerlijkheid. Dat is altijd de Goddelijke volgorde (1 Petr. 1:11; 4:13; 5:1, 10). En zelfs hier op aarde liggen onze Mara’s en Elims heel dicht bij elkaar. Na de storm op zee volgde een plotselinge rust. Na het verdriet om het sterven van Lazarus volgde de vreugde van de maaltijd, waarbij hij weer met de zijnen verenigd was en Jezus in hun midden was. Na een Mara volgt altijd een Elim.

(c) copyright Uit het Woord der Waarheid, Winschoten, december ’79
Met toestemming overgenomen voor electronische distributie door Bijbelstudie-BBS

Terug naar document-overzicht
Dit artikel wordt u aangeboden door Het BijbelArchief.
Mocht u vragen en/of opmerkingen hebben over dit artikel kunt u contact opnemen met de aanbieder.

Waarom Baptisten geen Protestanten zijn.

Lees meer

Kiest dan

Lees meer

Symbolische betekenis van de getallen in de bijbel

Lees meer

Chapter 08

Lees meer

Studies in de Psalmen 61-72 (1)

Lees meer