BijbelArchief
Hij maakt rijk
Christus in het Evangelie naar Markus
 

Christus in het Evangelie naar Markus
A. Lievers

Hij maakt rijk

”En zij kwamen in Jericho; en toen Hij Jericho uitging met zijn discipelen en een aanzienlijke menigte, zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs, een blinde bedelaar, langs de weg. En toen hij had gehoord dat het Jezus de Nazaréner was, begon hij de woorden te roepen: Zoon van David, Jezus, erbarm U over mij! En velen waarschuwden hem dat hij zou zwijgen; hij riep echter des te meer: Zoon van David, erbarm U over mij! En Jezus bleef staan en zei: Roept hem; en zij riepen de blinde en zeiden tot hem: Heb goede moed, sta op, Hij roept u. Hij nu wierp zijn kleed af, sprong op en kwam bij Jezus. En Jezus antwoordde hem en zei: Wat wilt u dat Ik u doe? De blinde nu zei tot Hem: Rabboeni, dat ik weer kan zien. En Jezus zei tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond kon hij weer zien, en hij volgde Hem op de weg” (Mark. 10:46-52).

Op weg naar Jeruzalem
Op de laatste reis naar Jeruzalem kwam de Heer ook door Jericho. De stad was door God Zelf in een puinhoop veranderd en zou niet herbouwd mogen worden. De puinhopen van Jericho moesten een herinnering vormen aan de hulp die God had gegeven bij de inname van het land. Jammer genoeg hielden de Israëlieten zich niet aan deze opdracht. Ze verschilden daarin dus niet veel van ons. Ze vonden het jammer dat die ruïnes niet herbouwd mochten worden, te meer daar de plaats natuurlijk uitermate geschikt was voor een stad. En zo herbouwde men de plaats waar de vloek van God op ruste. En het werd een prachtige stad. Van de vloek die er over was uitgesproken merkte je in het dagelijkse leven niets.

Ook voor ons is er een geestelijk land om in bezit te nemen, de geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten, zoals Paulus ze in de Brief aan de Efeziërs noemt. En ook wij zijn figuurlijk door de Jordaan heen een nieuw land binnen getrokken. Het is nu maar de vraag of we niet misschien ons Jericho weer hebben opgebouwd. Het is mogelijk dat we de principes van de wereld, zoals zij er onder het bewind van satan uit is gaan zien, weer binnengehaald hebben in ons christelijke leven. Want verschillen de levens van christenen en ongelovigen eigenlijk nog wel van elkaar?

Een blinde bedelaar
Nu hoop ik dat u me de vergelijking niet kwalijk neemt, maar die Bartimeüs is een beeld van veel mensen die nu leven. Veel christenen leven zoals iedereen leeft. Ze verschillen in niets van hun buren. Hun opvattingen zijn gelijk aan die van iedereen, hun gedrag in het dagelijkse leven lijkt sprekend op dat van de doorsnee burger. Maar wat ze niet door hebben is, dat God een vloek heeft uitgesproken over deze wereld. En het zicht op de zegeningen die ze hebben ontvangen zijn ze kwijt. Hoeveel weten u en ik nog van die geestelijke zegeningen die we in de Heer Jezus hebben ontvangen? In hoeverre is ons leven gekleurd door het volgen van de Heer?

Wat wilt u?
De blinde bedelaar langs de kant van de weg kreeg in de gaten dat er iets bijzonders aan de hand was. Hij begreep dat dit zijn kans was om genezen te worden. En hij begon te roepen: Erbarm u over mij. Hij maakte zich niet druk over de gewoonten, hij trok zich er niets van aan wat de mensen van hem zouden zeggen, maar hij riep gewoon uit alle macht: ”Jezus, Zoon van David, erbarm U over mij!” Toen hij uiteindelijk voor de Heer stond, zonder Hem te zien vanzelfsprekend, hoorde hij de stem die hem vroeg: ”Wat wilt u dat Ik voor u doen zal?” Die vraag zouden wij waarschijnlijk niet gesteld hebben. Wij zouden wel weten wat zo’n blinde bedelaar zou willen. Maar toch was die vraag niet zo overbodig als ze wel leek. En dat geldt helemaal wanneer we over deze geschiedenis nadenken als een vergelijking met de toestand waarin wij allemaal kunnen verkeren.

Wat vragen wij?
Als u nu aan de Heer Jezus zou mogen zeggen wat u graag van Hem zou ontvangen, wat zou dat dan zijn? Voor sommigen zou dat de oplossing van een probleem zijn, genezing van een ziekte bijvoorbeeld, of het vinden van een andere baan. Ze zijn als een Bartimeüs die de Heer om een aalmoes zou hebben gevraagd: ”Geef me twee goudstukken, Heer.”

Anderen zouden misschien niet over materiële zaken praten, maar over geestelijke zegeningen. Ze zouden graag een echte diepe blijdschap hebben in hun geloofsleven, of een echte ervaring van diepe vrede. Ze zijn als een Bartimeüs die aan de Heer vraagt om een fijn huis om in te wonen: ”Geef toch dat ik hier niet weer hoef te zitten.”

Maar dat vroeg hij niet. Hij was niet geïnteresseerd in de oplossing van een aantal deelproblemen. Hij wilde een oplossing van de oorzaak van zijn armoede. Hij wilde weer kunnen zien. Ook dat is iets wat we ons moeten realiseren. Wanneer we iets van onze geestelijke armoede en van onze geestelijke verblinding hebben ervaren, dan moeten we niet vragen naar een of andere zegen. Dan moeten we de Heer vragen ons de ogen te openen voor Hem. Zodat we Hem weer gaan zien en in staat zullen zijn Hem te volgen op de weg waar Hij voorop loopt.

Blinden in een vervloekte plaats
Bartimeüs is in dit verhaal als het ware de verpersoonlijking van de mens die onder de vloek van God probeert uit te komen. Hij probeert zich een zo komfortabel mogelijk leven op aarde te verschaffen. Maar in de grond van zijn hart weet hij dat hij niet veel meer is dat een arme stumper, geestelijk blind voor de werkelijkheid. Dit geldt natuurlijk voor iedereen, ook voor hen die zich geen christen noemen. Maar de plaats waar het verhaal zich afspeelt doet ons toch wel denken aan die mensen die zich christen noemen en hun godsdienstigheid reserveren voor de zondag, of voor speciale gelegenheden. Ze willen wel christen heten, maar ze willen niet weten van de beperkingen die God in het leven heeft gelegd. Ze willen een aangenaam leven leiden, dat vooral niet teveel door godsdienst wordt beïnvloed.

Geestelijk blind
Dan komt als het ware nu, op dit moment, diezelfde Heer voorbij, en Hij stelt ons dezelfde vraag: ”Wat wilt u dat Ik voor u doe?” Hij wil ons verlossen van onze geestelijke blindheid. Want Hij houdt van ons. Hij is degene die werkelijk mededogen, medelijden, heeft met iedereen die zich bewust is van zijn geestelijke armoede. En Hij wil ons rijk maken!

Galaten 3:13.14
Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden (want er staat geschreven: ”Vervloekt is ieder die aan een hout hangt”), opdat de zegen van Abraham in Christus Jezus tot de volken zou komen, opdat wij de belofte van de Geest zouden ontvangen door het geloof.

(c) copyright Uit het Woord der Waarheid, Winschoten, januari 1992
Met toestemming voor electronische verspreiding over genomen door BBS