BijbelArchief
Hij is de bespotte
Christus in het Evangelie naar Markus
 

Christus in het Evangelie naar Markus
A. Lievers

Hij is de bespotte

”En de voorbijgangers lasterden Hem, terwijl zij hun hoofden schudden en zeiden: Ha, U die het tempelhuis afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelf en kom van het kruis af! Evenzo spotten ook de overpriesters onder elkaar met de schriftgeleerden en zeiden: Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen. Laat de Christus, de Koning van Israël, nu van het kruis afkomen, opdat wij zien en geloven! Ook zij die met Hem gekruisigd waren, smaadden Hem” (Mark. 15:29-32)

”Wie zal ik u loslaten?”
Vlak voor deze geschiedenis heeft het volk voor de beslissende keuze gestaan. Wie willen ze in vrijheid gesteld zien, Barabbas of Jezus? En het volk kiest voor Barabbas. ”Barabbas” betekent ”zoon van de vader”. Een rare naam eigenlijk. Iedereen is immers een zoon van een vader. Wij zijn allemaal kinderen van onze vader. Maar wat voor een persoon is Barabbas hier in dit verhaal? Is hij het voorbeeld van medemenselijkheid, van goedheid, van liefde? Zeker niet. Hoewel hij waarschijnlijk niet eigenhandig iemand heeft omgebracht, was hij wel degelijk de aanvoerder van een groepje mensen die in opstand waren gekomen, maar die tijdens die opstand een moord hadden begaan.

”Laat ons Barabbas los”
Herkent u daar niet iets in? Wanneer u naar de figuur van Barabbas kijkt, ziet u daar dan niet een verbazingwekkende gelijkenis in met de toestand van de mensen, van de mensheid? Wij zijn allemaal van die mensen die in opstand zijn tegen God, en in die rebellie gaan we geweld zeker niet uit de weg.

Wanneer de mensen dan ook kiezen voor Barabbas, de man van hun eigen afstamming, en kiezen tegen de Zoon van God, dan heeft die keus een diepe betekenis. Het is geen toeval. Want ook nu kiezen veel mensen tegen de Heer Jezus en voor de oude menselijke natuur. Ze willen niet dat Hij, de ware Zoon van de Vader, de Zoon van God, koning over hen wordt. Ze willen dat Hij wordt doodgezwegen, dat Hij verdwijnt. En zo klinkt ook vandaag nog, vanuit de praktijk van het leven van veel mensen, de roep: ”Weg met Hem. Kruisig Hem.”

”Gegroet, koning der Joden”
Nadat Hij definitief is verworpen door het volk, wordt de Heer Jezus door iedereen met minachting en spot overladen. De soldaten beginnen zich te amuseren met deze ter dood veroordeelde. Ze komen op het idee Hem zogenaamd te kronen, die koning der Joden. In plaats van een lauwerkrans zetten ze Hem een doornenkrans op het hoofd. In plaats van een koningsmantel slaan ze Hem een soldatenmantel om. Ze maken zich vrolijk over Hem. Ze buigen zich voor Hem neer en roepen spottend: Gegroet, koning der Joden.

Wanneer je er over nadenkt, dan word je er akelig van. Daar staat Hij, de man die zieken genas, de man die de weg naar God wees, de man die sprak over het koninkrijk van God. Daar staat Hij, verlaten door zijn vrienden, afgewezen door zijn volk, het mikpunt van wrede soldatenhumor. Hij zou bij machte geweest zijn die spottende troep soldaten in én keer te vernietigen, zoals Elia dat eens tot twee keer toe had gedaan. Maar dat deed Hij niet. Omdat Hij de hartewens van God de Vader wilde volbrengen verdroeg Hij al die wrede grappen, al die bijtende spot.

Twee rovers
En wanneer de soldaten op weg gaan om die koning der Joden te kruisigen, nemen ze ook twee anderen mee, die ook gekruisigd moesten worden. Het zijn struikrovers, plunderaars die hun slachtoffers geen genade bewezen. Wanneer iemand in handen van deze rovers viel, waren zijn dagen geteld; ze kenden geen medelijden. En nu wordt de Heer hier aan het kruis gehangen, met het opschrift boven zijn hoofd: De koning der Joden. En om er geen twijfel over te laten bestaan wat voor een koning daar hangt, zijn er als het ware twee onderdanen naast gehangen. Het is alsof men de hofhouding van de koning samen met Hem ten toon stelde.

”Opdat wij zien en geloven”
Wanneer de Heer Jezus dan daar aan het kruis hangt, midden tussen die struikrovers, alsof Hij hun aanvoerder was, komen de mensen erbij staan. Ze bespotten de man die hun ziekten genas, de man die in hun ellende verlichting wilde brengen. Ook de overpriesters en de schriftgeleerden doen mee. ”Kom nu eens van dat kruis af, dan zullen wij het met eigen ogen zien, en geloven dat u de Christus bent”, roepen ze Hem toe.

Nu was het voor Hem helemaal niet moeilijk om Zich van dat kruis los te maken en voor de verbaasde ogen van de overpriesters te bewijzen dat Hij de Christus was. Maar dat zou de toestand alleen maar hebben verergerd. Want er zou geen verlossing zijn. Er zou geen sprake meer van zijn dat zij Hem nog zouden kunnen aannemen. O, zeker, ze zouden het hebben geloofd, maar dat zou niets meer veranderen aan het oordeel dat er over hen zou komen. Ze hadden Hem immers afgewezen. Ze hadden Hem immers ter dood gebracht Ze hadden immers het volk opgezet tegen de koning.

Soms kom je het ook nu nog wel tegen. Mensen die zeggen dat ze God wel eens zouden willen ontmoeten. Mensen die het allemaal eerst willen zien, en als het waar blijkt te zijn, dan zullen ze wel toegeven en geloven. Maar ze hebben niet door dat ze met vuur spelen. Wanneer God ook maar én moment aan hun wens zou tegemoet komen, en iets van zijn gerechtigheid en majesteit zou laten zien, dan zouden ze op datzelfde moment een onafwendbaar oordeel over zich uitgesproken krijgen.

”Zichzelf kan Hij niet verlossen”
En de Heer heeft het allemaal gehoord. Hij hoorde hoe ze onder elkaar spotten en zeiden: ”Anderen heeft Hij verlost, zichzelf kan Hij niet verlossen.” Hij alleen onderkende de waarheid van die woorden. Het was waar. Hij was niet in staat Zichzelf te verlossen, wanneer Hij anderen wilde verlossen. Hij kon onmogelijk èn Zichzelf verlossen uit de dood, èn anderen daaruit verlossen. Hij hing daar in het oordeel van God. Wanneer Hij dat oordeel niet wilde ondergaan, dan zou niemand meer aan dat oordeel ontkomen.

Hoe moet het Hem door de ziel hebben gesneden, dat men daar maar stond en Hem maar uitdaagde dat te doen wat een eeuwig verderf, een eeuwige ellende, over hen had gebracht.

Psalm 69:9-13
”Ik ben mijn broederen vreemd geworden,
en onbekend aan de kinderen van mijn moeder.
Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd;
en de smaadheden van hen, die U smaden, zijn op mij gevallen.
En ik heb geweend in het vasten mijner ziel;

maar het is mij geworden tot allerlei smaad.
En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan;
maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.
Die in de poort zitten, praten van mij;
en ik ben een snarenspel van hen, die sterke drank drinken.”