BijbelArchief
Hij is de Eenzame
Christus in het Evangelie naar Markus
 

Christus in het Evangelie naar Markus
A. Lievers

Hij is de Eenzame

”En Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, kwamen bij Hem en zeiden tot Hem: Meester, wij zouden willen dat U ons doet, wat wij ook van U vragen. Hij nu zei tot hen: Wat wilt u dat Ik u doe? Zij nu zeiden tot Hem: Geef ons dat wij mogen zitten, één aan uw rechter- en één aan uw linkerhand, in uw heerlijkheid. Jezus echter zei tot hen: U weet niet wat u vraagt” (Mark. 10:35-38).

Ingaan in het koninkrijk van God
Er komt een jongeman op de Heer Jezus af. Hij is rijk, maar daarom heeft hij nog niet afgedaan met de godsdienst. Hij is op zoek naar het eeuwige leven. En daarom gaat hij naar de Heer Jezus. Misschien zal Hij hem kunnen vertellen wat hij doen moet om het eeuwige leven te beërven. En de Heer vertelt het hem. Hij zal alles moeten verlaten, zijn hele hebben en houden aan de kant moeten doen, om enkel de Heer Jezus te volgen. Dat is veel te moeilijk voor hem. Alles opgeven, alleen maar om de zekerheid te hebben het eeuwige leven te beërven, dat is teveel gevraagd. In feite heeft hij meer vertrouwen in zijn rijkdom, waarmee hij een heleboel goede werken zal kunnen doen, dan in het simpele volgen van de Heer Jezus.

De Heer kijkt hem na, met pijn in het hart. En er klinkt ook iets van die pijn door in de woorden: ”Hoe moeilijk is het voor hen die op vermogen vertrouwen het koninkrijk van God binnen te gaan.”

Wij hebben alles verlaten
Het schijnt dat Petrus over deze woorden van de Heer heeft nagedacht. Misschien was hij niet zo heel erg rijk, maar hij had wel alles opgegeven voor de Heer. Wat zou er dan voor hem overschieten? En de Heer neemt het hem niet kwalijk. De Heer verzekert de discipelen ervan, dat er niemand zal zijn die ook maar iets heeft opgegeven voor God, die niet alles wat hij heeft opgegeven in een veelvoud zal terug ontvangen. Laat het duidelijk zijn dat God niemands schuldenaar blijft. Wat een mens aan Hem offert, dat zal Hij ook teruggeven, overvloedig, wanneer het offer gegeven wordt met eerlijke motieven. Want de Heer zegt: ”Wanneer je iets hebt gegeven, uit liefde tot Mij en uit liefde tot het evangelie, dan zul je die dingen honderdvoudig terugontvangen.” Niet zij die investeren in het koninkrijk van God krijgen hun kapitaal met onvoorstelbare rente terug, maar zij die uit liefde geven aan Hem die alles voor hen is, krijgen een grote beloning.

Wij gaan op naar Jeruzalem
Maar nu gaat Hij spreken over de dingen die Hem zullen overkomen. Hij gaat naar Jeruzalem, in het besef dat Hem de dood wacht. Hij kent de wil van God. Hij kent de harten van de mensen. Waarom heeft Hij zo standvastig de wil gedaan van Hem die Hem gezonden had? Waarom wil Hij zich niet onttrekken aan de dood? De grote drijfveer is zijn liefde tot zijn Vader, de diepe wens de plannen van God te laten slagen. En voor het welslagen van die plannen is het nodig dat er verzoening gedaan wordt over de zonden die door ons zijn begaan. Voor die verzoening was het nodig dat een onschuldige, een volmaakte, een zondeloze, stierf, in de plaats van zondaren, in de plaats van u en mij.

Ik zocht naar medelijden
Ziet u dat het liefde was die Hem dreef? Liefde vormde de drijfveer voor het vaste voornemen van de Heer om naar Jeruzalem te gaan, terwijl Hij wist wat de gevolgen daarvan zouden zijn. We kunnen ons maar een heel klein beetje inleven in de gemoedstoestand van Hem die wist te moeten sterven voor onze zonden. Maar we beseffen dat Hij verlangde naar iemand, die Hem zou bemoedigen. Die misschien wel zou zeggen: ”Wanneer God niemands schuldenaar blijft (en niemand weet dat beter dan U), dan zal Hij ook U belonen. Dan zal Hij ook maken dat U alles wat U uit liefde tot Hem hebt opgegeven, in overvloed zult terug ontvangen.” ”Ik heb gewacht naar medelijden, maar er is er geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden” (Ps. 69:21).

Doe ons wat wij ook van U vragen
Dan komen Jakobus en Johannes bij de Heer en ze spreken Hem aan: Geef ons, wat wij ook van U vragen. De Heer geeft hun de gelegenheid hun vraag te stellen. Zo wordt duidelijk wat er in hun hart is voor Hem en dat blijkt bedroevend weinig te zijn. We kunnen ons de teleurstelling van de Heer Jezus goed voorstellen. Hij heeft immers heel duidelijk gesproken over de dingen die er in Jeruzalem zullen gebeuren. Hij heeft hen duidelijk verteld dat er voorlopig geen oprichting van het koninkrijk zal komen, maar de verwerping van de Messias. Ze hebben er blijkbaar niets van begrepen. ”U weet niet wat u vraagt”, is dan ook zijn reaktie. Het is een onzinnige vraag. Er wordt geen koninkrijk opgericht waarin zij aan zijn rechter- en linkerhand zullen kunnen zitten. Er zal alleen maar verdrukking komen. Er zal een onvoorstelbare hoeveelheid leed op Hem afkomen. Ja, Hij zal de zondelast van allen dragen die in Hem hun vertrouwen zullen gaan stellen. Hij zal door iedereen worden afgewezen. Hij zal door zijn vrienden worden verlaten. Hoe kunnen zij nu spreken over de ereplaatsen in het op te richten koninkrijk?

Weten wij wat we vragen?
Zijn wij eigenlijk wel anders dan die twee discipelen? Het is zo gemakkelijk, wanneer je aan het bidden bent, te denken aan al die behoeften die er zijn in je eigen leven, in de wereld, in de gemeente en noem maar op. Maar vaak verliezen we de plannen van God helemaal uit het oog. We denken vaak niet na over de motieven van God en van de Heer Jezus.

Toen de Heer eens sprak over de behoeften die mensen hebben, en die ze natuurlijk is hun gebeden voor God noemen, zei Hij: ”Zoekt eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden.” En daarmee let Hij de vinger op de zere plek. Want wat is het doel van ons leven? Toen de Heer Jezus over zijn gevoelens begon te praten met zijn volgelingen was er niemand die daar belangstelling voor had. Ze waren veel te veel bezig met hun eigen belangen, met hun eigen toekomst. En soms moet je bang zijn dat die situatie nog steeds niet veranderd is. Nog steeds zijn we vaak meer bezig met onze eigen positie dan met de gevoelens van God en van de Heer Jezus. We hebben slechts zelden echte belangstelling voor de eenzaamheid die Hij heeft gekend. En dat, terwijl wij er veel meer van kunnen begrijpen dan de discipelen in die tijd. Wij weten zoveel meer van de dingen die er in het Oude Testament over Hem geschreven staan, zodat het voor ons veel gemakkelijker is om te weten hoe eenzaam Hij was, zelfs temidden van zijn vertrouwelingen. Zij hebben er niets van begrepen, maar wij, hoeveel hebben wij ervan begrepen?

(c) copyright Uit het Woord der Waarheid, Winschoten, januari 1992
Met toestemming voor electronische verspreiding over genomen door BBS