BijbelArchief
Hij is de Opgestane
Christus in het Evangelie naar Markus
 

Christus in het Evangelie naar Markus
A. Lievers

Hij is de Opgestane

”En toen de sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jakobus, en Salóme specerijen om Hem te komen zalven. En zeer vroeg op de eerste dag van de week kwamen zij bij het graf, toen de zon opging. En zij zeiden tot elkaar: Wie zal voor ons de steen van de ingang van het graf afwentelen? En toen zij opkeken, zagen zij dat de steen was afgewenteld, want hij was zeer groot. En toen zij in het graf waren gegaan, zagen zij een jongeman zitten aan de rechterkant, bekleed met een lang wit kleed, en zij ontstelden. Hij zei echter tot hen: Weest niet ontsteld. U zoekt Jezus de Nazaréner, de gekruisigde; Hij is opgewekt, Hij is hier niet; zie de plaats waar zij Hem hebben gelegd” (Mark. 16:1-6).

Christus is opgestaan
Veel mensen die zich tot de christenheid rekenen menen dat dit verhaal niet waar kan zijn. In hun wereldbeeld is het niet mogelijk een dode tot het leven te laten terugkeren. Voor hen is dit verhaal een door de apostelen bedachte, zinnebeeldige voorstelling van het voortleven van het gedachtengoed van de Heer Jezus in ons, die zijn volgelingen zijn. Nu kan niemand die de Bijbel leest en probeert te onderzoeken wat de schrijvers nu werkelijk meenden, ontkomen aan de indruk dat mannen als Paulus en Johannes het werkelijk meenden, toen ze schreven dat de Heer was opgestaan. Dat ze het meenden in de volle betekenis van het woord. Zij zeiden dat we te doen hebben met een Heer in de hemel die dood geweest is, maar uit de dood is opgestaan. Ook op dit moment is dat nog zo. Zij zeiden dat het graf leeg was, op die morgen van Pasen. Johannes was er zelf getuige van, Paulus had het verhaal gehoord van mensen aan wiens getuigenis hij niet kon twijfelen. En hij had de verheerlijkte Christus gezien.

Waarom belangrijk?
Waarom is het nu zo geweldig belangrijk dat de Heer Jezus werkelijk uit de dood is opgestaan? Wel, zegt Paulus, wanneer de Heer niet zou zijn opgestaan, wanneer Hij nog steeds in het rijk van de dood zou verkeren, dan zou zijn sterven tevergeefs zijn geweest. Want dan zou er geen werkelijke verzoening zijn. Wij zouden geen zekerheid hebben van de verlossing. In feite zouden we een heel andere zekerheid hebben: die van het oordeel, want het offer van de enig reine mens zou niet in staat zijn gebleken de vloek van de zonde weg te nemen.

Wie zal de steen wegrollen?
De drie vrouwen die in de vroege ochtend van de eerste dag van de week naar het graf kwamen kijken, verwachtten niet anders dan dat het graf gesloten zou zijn. Ze maakten zich daarover ook zorgen, want ze wilden de Heer Jezus balsemen, zoals dat gebruikelijk was bij iemand die in ere gehouden werd. Ze wilden Hem de best mogelijke begrafenis geven die er was, maar hoe zouden ze in staat zijn de steen die voor het graf lag, die het graf afsloot, aan de kant te rollen? Alles allemaal natuurlijk heel begrijpelijk. Wij zouden precies dezelfde zorgen hebben gehad. Maar dat is nu juist waar het om gaat. Wat uit dit verhaal heel duidelijk blijkt is, dat die vrouwen helemaal niet voorbereid waren op de mogelijkheid dat de Heer zou zijn opgestaan uit de dood. Voor hen was Hij gestorven en dat betekende het definitieve einde van een aantal verwachtingen die ze van Hem hadden gehad. Maar ze hoopten volstrekt niet op een wonder. Ze hielden er eenvoudigweg geen rekening mee. De verwarring van de vrouwen bij het graf en van de discipelen toen ze het ongelofelijke nieuws hoorden, vormen het beste bewijs voor de echtheid van het verhaal. Die zondagmorgen werd het onmogelijke realiteit: Een mens stond weer op uit de dood.

God heeft Hem uitermate verhoogd
Maar toch is dat niet alles wat er van de opstanding te zeggen valt. Wij zijn ook in staat te begrijpen waarom God de mens Jezus heeft opgewekt. In de Brief van Paulus aan de Filippiërs schrijft hij in het tweede hoofdstuk over het waarom van de heerlijkheid die de Heer Jezus nu heeft. In het negende vers schrijft Paulus: ”Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam geschonken die boven alle naam is.” En wanneer je dan gaat kijken wat de reden van zijn verhoging dan wel is, dan blijkt het de manier te zijn waarop de Heer Jezus de dood is ingegaan. Niet alleen dat Hij de dood heeft ondergaan, maar veel meer de manier waarop Hij dat heeft gedaan is voor God de aanleiding om Hem op de allerhoogste plek in de schepping te zetten. Want Paulus schrijft in de verzen die aan het negende vers voorafgaan over de manier waarop Christus, volkomen vrijwillig, afstand heeft gedaan van de hemelse heerlijkheid die Hij bezat en mens is geworden. Niet uit noodzaak, niet omdat Hij zo geschapen was, maar uit eigen vrije keuze. God werd mens. En daar is het niet bij gebleven. Toen Hij hier op aarde leefde, heeft Hij niet gezocht naar de gemakkelijkste weg. Hij heeft niet geprobeerd er zo gemakkelijk mogelijk van af te komen. Maar Hij heeft Zichzelf vernederd, door de schandelijkste dood te kiezen die er maar mogelijk was. Hij is niet door de mens vernederd, Hij heeft Zichzelf vernederd. Dat wil zeggen dat Hij de bewuste en zelfstandige keus heeft gemaakt dat leven te leiden dat zou eindigen in de kruisdood. En op die manier bezien is zijn persoonlijkheid uniek, is zijn leven niet te vergelijken met dat van welk ander mens dan ook. Hij is niet met iemand anders te vergelijken. Niemand is als Hij.

Wie is waard het boek te nemen?
Dat wordt nog eens extra duidelijk wanneer we naar het allerlaatste Boek van de Bijbel gaan. Johannes geeft daar een beschrijving van de regeringstroon van God. Het grote moment is aangebroken: God gaat zijn plannen ten uitvoer brengen. En dan komt het moment dat God het boek met al zijn plannen in de hand heeft en de roep door de hemel klinkt: ”Wie is waardig het boek te openen of het te bezien?” Het blijft volkomen stil in de hemel. Gods plannen dreigen onvervuld te blijven. Niet omdat ze niet juist en rechtvaardig zouden zijn, maar omdat er niemand schijnt te zijn die ze ten uitvoer kan brengen. Het is heel goed te begrijpen dat het Johannes bang te moede wordt. Maar wanneer Johannes in wanhoop is, komt er iemand op hem af en zegt tegen hem: ”Ween niet, zie, de leeuw uit de stam van Juda, de wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.” En vanzelfsprekend draait Johannes zich om, om degene te zien die blijkbaar machtiger en waardiger is dan alle anderen. Hij draait zich om en staat oog in oog met een Lam, blijkbaar geslacht, maar levend. Is dit nu de machtige, is dit nu de waardige? Zal dit Lam in staat zijn de macht van de boze te breken? Maar vooral: Is dit nu de machtige leeuw uit de stam van Juda? Het zullen wel zo ongeveer de eerste vragen zijn geweest die Johannes hebben bestormd, voordat hij degene herkende die hij voor zich had: de Heer Jezus Christus Zelf. Want degene die aan het kruis is gestorven, onschuldig als een offerlam, dezelfde die, naar het leek, niet in staat was zichzelf te redden, is degene die in staat is Gods plannen uit te voeren. Hij is de machtige, Hij is de waardige. Hij kon zeggen, nadat Hij uit de dood was opgestaan: ”Mij is gegeven alle macht in hemel en op de aarde.” Hij is de enige die naar voren kan komen als de oproep zal klinken: ”Wie is waardig het boek te openen of het te bezien?” Hij alleen en niemand anders.

1 Thessalonikers 4:13-18
”Maar wij willen niet dat u onwetend bent, broeders, wat betreft hen die ontslapen, opdat u niet bedroefd bent, zoals ook de overigen die geen hoop hebben. Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en opgestaan, evenzeer zal God ook de door Jezus ontslapenen met Hem brengen. Want dit zeggen wij u door het woord van de Heer, dat wij, de levenden die overblijven tot de komst van de Heer, de ontslapenen geenszins zullen vóórgaan. Want de Heer Zelf zal met een bevelend roepen, met de stem van een aartsengel en met de bazuin van God neerdalen van de hemel; en de doden in Christus zullen eerst opstaan; daarna zullen wij, de levenden die overblijven, samen met hen in wolken worden opgenomen de Heer tegemoet in de lucht; en zó zullen we altijd met de Heer zijn. Vertroost daarom elkaar met deze woorden.”

(c) copyright Uit het Woord der Waarheid, Winschoten, januari 1992
Met toestemming voor electronische verspreiding over genomen door BBS