BijbelArchief
Hij geeft voedsel
Christus in het Evangelie naar Markus
 

Christus in het Evangelie naar Markus
A. Lievers

Hij geeft voedsel

”En toen het al laat was geworden, kwamen zijn discipelen tot Hem en zeiden: De plaats is woest en het is al laat; stuur hen weg opdat zij in de velden en dorpen in de omtrek gaan en voor zichzelf iets te eten kopen. Hij echter antwoordde en zei tot hen: Geeft u hun te eten” (Mark. 6:35-37).

Met ontferming bewogen
De Heer was werkelijk moe. Hij had al zo lang gewerkt, met bitter weinig resultaat, leek het wel. Wanneer Hij naar de gebeurtenissen rondom de dood van Johannes keek, dan leek het wel alsof alles Hem bij de handen afbrak. Zonder een vorm van proces was Johannes in de gevangenis opgesloten, en was hij vermoord, omdat de valse koning van Israël zijn gezicht niet wilde verliezen op zijn verjaardag!

De Heer stapt aan wal. Maar van rust komt niet veel. Want de mensen hebben gezien dat Hij wegging, en ze zijn Hem gevolgd. Ze wachten Hem op, op de plek waar Hij wat rust voor zijn discipelen en zichzelf had willen hebben. En wat is zijn reaktie? Op het moment dat Hij de menigte ziet, en dus zijn verlangen naar een beetje rust in rook is opgegaan, wordt Hij met ontferming bewogen. Want Hij ziet de mensen zoals ze werkelijk zijn: als schapen die geen herder hebben. Al het verlangen om alleen te zijn is verdwenen. Hij begint hen allerlei dingen te onderwijzen. Hier kan Hij dan eindelijk dat doen waarvoor Hij gekomen is: onderwijzen, praten over de dingen die met God te maken hebben. Hier kan zijn hart opengaan en kan Hij de mensen vertellen over God.

Maar op een gegeven moment menen de discipelen dat het nu wel genoeg is geweest. Het was al laat en de mensen moesten weer eens een keertje naar huis. Iedereen was moe, het was nu welletjes geweest. En voorzichtig snijden ze het onderwerp bij de Heer aan. ”Zou het niet verstandig zijn de mensen naar huis te sturen, ze moeten nog een heel eind lopen voordat ze ergens iets te eten kunnen kopen.” Maar de Heer lijkt andere bedoelingen te hebben. Hij kijkt hen aan en zegt: ”Waarom geven jullie ze geen eten, dan kunnen ze blijven.”

Ze proberen de Heer uit te leggen dat ze zoveel geld niet bezitten. De Heer is bepaald niet onder de indruk van hun opmerkingen. Hij zegt: ”Ga nu eerst maar eens kijken wat je hebt, voordat je zegt dat het niet genoeg is.” En ze gaan op weg. Vijf broden en twee vissen. Blijkbaar had niemand er aan gedacht iets voor de reis mee te nemen. Er is niets aan te doen, de mensen moeten maar ergens anders gaan eten. Morgen is er weer een dag. Maar de Heer denkt daar anders over. Hij zegt: ”Laten de mensen in groepjes bij elkaar gaan zitten.” En dat doen ze. Ze gaan zitten in groepjes van zo’n vijftig tot honderd man. Dan doet de Heer het enige wonder van die dag. Hij breekt de broden en geeft die aan zijn discipelen. Die geven het voedsel weer door aan al die mensen. Het merkwaardige is, dat iedereen genoeg krijgt. Niemand heeft na afloop nog te klagen. Integendeel. Er blijft zoveel over dat ze er twaalf korven mee kunnen vullen.

Schapen zonder herder
Dit verhaal over de Heer Jezus die voedsel geeft aan vijfduizend mensen die gekomen waren om Hem te horen spreken, is niet verteld opdat het aan zou tonen dat de Heer ons in alle omstandigheden te eten zal geven. Markus vertelt het verhaal om ons te confronteren met de moedeloosheid van de discipelen. Zij meenden dat het allemaal weinig zin meer had. Zij meenden dat er onmogelijk op de verlaten plek waar zij waren in de behoeften van al deze mensen kon worden voorzien. Zij kozen voor de meest logische oplossing: Stuur de mensen naar huis, en laat ze daar maar zelf voor hun eten zorgen.

En dat is ook nu nog steeds het grote gevaar voor alle volgelingen van de Heer Jezus. Wanneer wij de mensen zien die Hem nog niet kennen, dan weten we dat ze zijn als schapen die geen herder hebben. Ze zijn weerloos overgeleverd aan alle invloeden van het leven. Maar wat doen degenen die Hem, de herder, kennen? Zijn we echt begaan met het lot van al die mensen die verloren dreigen te gaan?

Voor de discipelen werd het wat teveel. Het was allemaal wel mooi dat de mensen in drommen kwamen om de Heer te horen spreken, maar je kon toch niet in ernst verwachten dat ze ook nog te eten kregen? En zo vinden wij ook vaak dat de mensen wel behouden moeten worden. Daar hebben we niets op tegen. Maar dat ook wij daar een bijdrage aan moeten leveren realiseren we ons vaak niet. En natuurlijk zijn we niet allemaal leraren, of evangelisten. Maar dat is ook helemaal niet de bedoeling. Waar het om gaat is of we ons willen inspannen voor de ander. Willen we werkelijk meehelpen de geestelijke honger in onze tijd te stillen?

Christen zijn is niet in
De discipelen moesten enkel de brokken die de Heer afbrak van die paar broden aan de mensen voorzetten. Dat was geen moeilijk werk. Daarvoor hoefde je niet eerst een paar jaar volgeling van de Heer te zijn. Dat kon je zonder enige training vooraf. Zo zijn er ook dingen die wij kunnen doen, zonder dat je daarvoor een opleiding hoeft te volgen.

We hebben de opdracht van de Heer te kijken wat we bezitten. De discipelen in het verhaal keken alleen maar naar wat ze niet hadden. Ze hadden niet genoeg voedsel voor al die mensen. Maar de Heer zegt tegen hen: ”Ga nu eens kijken naar de dingen die je wel hebt en staar je niet blind op de dingen die je niet hebt.” En bent u daartoe bereid? Zou u heel eerlijk in uw leven willen gaan kijken wat de Heer zou kunnen gebruiken, zonder al bij voorbaat te zeggen dat dat toch niets is? Zou u niet willen bekijken of u echt niet iets zou kunnen doen? Het is misschien wel heel weinig en het helpt voor al die mensen toch niets? Nu, dat meenden de discipelen ook. Wat begin je nu met vijf broden, voor vijfduizend man? Maar de Heer gebruikt het weinige dat ze hadden om iedereen te verzadigen.

Bent u bereid zo gebruikt te worden? Bent u bereid alleen maar de dingen te doen die de Heer van u vraagt, zonder er al te veel van uit te gaan dat het allemaal niets zal uithalen? Als u daartoe bereid bent, dan kan de Heer u gebruiken om voedsel te geven aan de mensen om u heen. Dan zal Hij u gebruiken. Ook al kunt u nog zo weinig, de Heer wil het gebruiken om mensen verder te brengen op de weg met Hem.

Uit Romeinen 12
”Ik vermaan u dan, broeders, door de ontfermingen van God, dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk, dat is uw redelijke dienst. En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw denken, opdat u beproeft wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.”

(c) copyright Uit het Woord der Waarheid, Winschoten, januari 1992
Met toestemming voor electronische verspreiding over genomen door BBS