BijbelArchief
Hij is de Zoon van God
Christus in het Evangelie naar Markus
 

Christus in het Evangelie naar Markus
A. Lievers

Hij is de Zoon van God

”En er kwam een wolk die hen overschaduwde, en er kwam een stem uit de wolk: Deze is mijn geliefde Zoon, hoort Hem. En toen zij rondkeken, zagen zij plotseling niemand meer bij zich dan Jezus alleen” (Mark. 9;7-8).

Zes dagen voor deze geschiedenis was er een gesprek van de Heer Jezus met de discipelen. De Heer vroeg toen aan zijn volgelingen Wie zij dachten dat Hij was. Voor Petrus was dat niet moeilijk. Hij hoefde geen moment na te denken. Voor hem stond het als een paal boven water: ”U bent de Christus, de Messias!” De Heer zei toen tegen zijn discipelen: Als iemand mij wil navolgen, laat hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en mij volgen. Christen zijn betekent dat je jezelf opgeeft, met al je ambities, met al je verlangens om in de maatschappij erkend te worden, om mee te tellen.

Mozes en Elia
Wanneer je er even over nadenkt, dan wordt het steeds moeilijker te geloven dat er mensen zijn die er voor kiezen als christen door het leven te gaan. Maar een week na dit gesprek liet de Heer aan een aantal discipelen ook een andere kant van zijn persoon zien. De Heer nam een aantal van zijn volgelingen met Zich mee en ging met hen een hoge eenzame berg op. Daar kregen ze ineens een indruk van een wereld die gewoonlijk voor ons verborgen is. Maar zelfs dat was nog niet alles. Ze zagen ook Mozes en Elia. Mozes, de man die van God de wet ontving en aan het volk doorgaf; Elia, de enige mens uit Israël die levend naar de hemel is gegaan. Mozes, de man die profeteerde dat God een man zou verwekken die het volk in gerechtigheid zou leiden; Elia, de wegbereider van die door Mozes voorzegde Profeet. Allebei kwamen ze en ze spraken met de Heer Jezus. Petrus, Johannes en Jakobus hebben het gezien en gehoord. Ze hebben toegekeken bij dat ongelooflijke dat zich voor hun ogen voltrok.

Deze is mijn geliefde Zoon
Op het moment dat Petrus Mozes en Elia bijna met de Heer gelijk stelde, kwam er een wolk opzetten. En dat was niet zomaar een wolk. Het was een wolk die licht gaf, een lichtende, lichtgevende, wolk. Het was de wolk van God bij de tabernakel. Het was dezelfde wolk die het volk door de woestijn had geleid, tijdens de reis naar Kanaän. En vanuit die wolk sprak een stem, en wie anders dan God Zelf kon daar spreken, die zei: ”Deze is mijn geliefde Zoon, hoort Hem.” Vervolgens, als het ware om elk misverstand uit te sluiten, zagen de discipelen helemaal niemand meer dan Jezus alleen. En ze zagen Hem niet meer in de heerlijkheid, zoals toen Hij met Mozes en Elia sprak; ze zagen Hem zoals ze Hem altijd al gezien hadden. Maar het lijdt geen twijfel voor hen, Hij is de Zoon van God. Hoewel er niets meer over is van de uiterlijke heerlijkheid van de Heer Jezus, zoals ze die hadden kunnen waarnemen tijdens dat gesprek met Mozes en Elia, het stond voor hen als een paal boven water: Deze man is de Zoon van God, deze man is God Zelf.

Verlossing
Deze unieke mens, deze man die iedereen dwong tot een keuze, deze man is God en Hij is op aarde gekomen om Gods plannen in vervulling te doen gaan. Daarvoor heeft Hij zijn hele leven gegeven. Want juist in zijn dood, in die roemloze dood aan het kruis, heeft Christus een volkomen verlossing tot stand gebracht. Een verlossing waarin wij mogen delen, wanneer we komen in het besef dat dat voor ons nodig was. Wanneer we beseffen dat het voor ons noodzakelijk was dat een rechtvaardige voor ons, onrechtvaardigen, stierf, dan is er de verzekering van Godswege dat onze zonden weg gewassen zijn door het bloed van die onschuldige man, die Zichzelf in onze plaats wilde geven.

Niemand dan Jezus alleen
Wanneer je er op deze manier over nadenkt, krijgen de woorden tegen het einde van het verhaal een bijzondere betekenis. Want toen de wolk van de heerlijkheid van God weer was weggegaan, keken de discipelen op en zij zagen ”niemand meer bij zich dan Jezus alleen.” Dat is dan geen wonder. Deze Jezus die zo was aangewezen als de Zoon van God, maar die Zich in niets leek te onderscheiden van de mensen om Hem heen, deze Jezus is de enige die nog aandacht mag hebben.

God met ons
Zo zijn we dan uitgekomen bij een immens vergezicht. Wij zijn met recht op een hoge eenzame berg geweest. Wij hebben ver in het verleden gekeken en ver in de toekomst. Wij hebben de Heer Jezus gezien in al zijn heerlijkheid. Wij hebben het als het ware God Zelf horen zeggen: ”Deze is mijn geliefde Zoon, hoort Hem.” Maar ook wij zullen, net als de discipelen, weer van de berg af moeten. We zullen het gewone dagelijkse leven weer in moeten. Samen met de Heer mogen we verder. Hij gaat met ons mee de berg af, het dal in. Hij vergezelt ons in de moeilijkste omstandigheden. Hij zorgt ervoor dat we zullen aankomen in het Vaderhuis, waar Hij ons is voorgegaan om ons een plaats te bereiden. Voor iedereen die Hem kent is het in de meest letterlijke zin van het woord waar dat God met hem meegaat, want Hij die met ons is, Hij die ons vergezelt, is God. Zijn naam is: ”God met ons.”

Hebreeën 1:1.4
Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in het laatst van deze dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft. Deze, die de uitstraling is van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen en die alle dingen draagt door het woord van zijn kracht, is, nadat hij door Zichzelf de reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge, zoveel meer geworden dan de engelen als Hij uitnemender naam geërfd heeft dan zij.

(c) copyright Uit het Woord der Waarheid, Winschoten, januari 1992
Met toestemming voor electronische verspreiding over genomen door BBS