BijbelArchief
Jacobus hoofdstuk 4
Jacobus hoofdstuk 4
 

Jacobus hoofdstuk 4
M. J. Arentsen

Oorlog en twist

”Vanwaar oorlogen en vanwaar twisten onder u? Is het niet hiervan: van uw hartstochten, die in uw leden strijd voeren?” (4:1).

Inplaats van vrede was er oorlog onder de twaalf stammen aan wie Jakobus schreef. Onder hen waren niet alleen ware Christenvol­gers, maar ook vele naambelijders, die onmogelijk door de wijsheid van boven geleid konden worden. Maar laten we niet denken dat we ervan af zijn deze strijd in het verleden te plaatsen. In de christenheid van vandaag, waartoe wij behoren, is het niet anders. Ook daar is veel oorlog en twist. Ook daar zijn veel naambelijders.

Oorlog is bewuste, voortdurende, openlijke strijd, terwijl twisten meer voorbijgaande uitbarstingen zijn, maar beide worden in de christenheid gevonden. Onder ons. Jakobus wil ons geweten raken. Hij zegt niet dat er in de wereld oorlog is, want dat is zeker zo. Maar hij moet helaas signaleren dat er onder hen oorlogen en twisten waren (meervoud!). Dat waren helaas de feiten.

Hoe kwam dat toch? Wat was de oorzaak? Hij stelt het in vraagvorm, om het dieper tot ons geweten door te laten dringen: ”ls het niet hiervan: van uw hartstochten, die in uw leden strijd voeren?” Het is de oude gevallen natuur, die werkzaam was, een ongebreidel­de natuur die nooit tevreden is, maar altijd meer wil. De strijd in het klein zet zich voort in het groot. Als we niet het juk van de Heer op ons hebben genomen en van Hem leren, zullen we nooit rust vinden voor onze zielen, maar altijd weer de strijd in onze leden kennen, door onze hartstochten. Degenen die niet opnieuw geboren zijn kunnen niet anders, wat ze ook belijden, maar wij die tot God zijn gegaan, hoe staat het er met ons voor? De Bijbel zegt van ons dat wij vroeger ook onverstandig waren, ongehoorzaam, dwalend, aan velerlei begeerten en lusten verslaafd, in boosheid en afgunst levend, hatelijk en elkaar hatend (Tit. 3:3).

Maar hoe is onze praktijk? Laten we ons nog beheersen door onze hartstochten? Of stellen we onze leden nu in slavernij van de gerechtigheid, tot heiliging? Laten we de Geest van God werkzaam zijn?

Begeerten en jaloezie

”Gij begeert en hebt niet; gij moordt en gij benijdt, en kunt niet verkrijgen; gij vecht en strijdt. Gij hebt niet, omdat gij niet bidt. Gij bidt en ontvangt niet, omdat gij in verkeerde gezindheid bidt, om het in uw hartstochten door te brengen” (4:2,3).

Jakobus vervolgt zijn vermaningen met bittere feiten. Hij spreekt over voortdurende begeerte, moord en jaloezie, omdat ze niet hebben en niet kunnen verkrijgen. Is het bij ons ook zo, dat we willen hebben wat anderen bezitten? Geld, goed of misschien zelfs geestelijke gaven? Ook wij zijn in staat moord te plegen, indedaad, met ons hart of met onze mond, als wij ons niet stellen onder de kracht van de Geest van God.

Koning Achab behoorde tot het aardse volk van God, maar hij begeerde omdat hij de akker van Naboth niet had. En toen Naboth de gedachten van God met betrekking tot het land wilde handhaven, bracht de begeerte Achab de goddeloze, tot moord, door middel van Izebel, zijn vrouw. Ja, hij behoorde bij het volk van God op aarde, hoewel hij beslist niet opnieuw geboren was. Zo zijn er ook in de christenheid velen die wel tot het uiterlijke volk van God willen behoren, maar zonder dat ze zichzelf hebben gezien in Zijn licht. Zij kunnen zich niet stellen onder de kracht van Gods Geest en moeten daarom hun natuur wel laten werken. Maar wij die belijden opnieuw geboren te zijn? Ben ook ik jaloers, omdat ik niet verkrijgen kan? Jakobus noemt deze feiten.

Oorlogen en strijd horen bij elkaar, twisten en vechten eveneens. Waarom gebeurt dit alles? Waarom ontvangt iemand niet wat hij begeert? Omdat het niet in het gebed tot God gebracht wordt. Hoe belangrijk is bidden. Daarmee tonen we dat we diep afhankelijke schepselen zijn, die alles willen verwachten van onze God die vol genade geven wil, mild en zonder verwijt. Toch zegt het Schriftwoord hier: Gij bidt en ontvangt niet. Waarom? Omdat God de verkeerde gezindheid in het hart ziet. Dan kan Hij niet verhoren en schenken uit de onuitputtelijke bronnen van Zijn genade. Dar, kan Hij niet verhoren, omdat de begeerte in het hart is om het van God gevraagde in de eigen hartstochten door te brengen. En daarvoor is God te goed. Hij wil het kwade niet. Maar wat een ernstige woorden. Geve God dat we onszelf voortdurend onderzoe­ken in het licht van deze waargetekende situatie. Als er iets van deze dingen bij ons gevonden wordt, laten we tot God gaan, om het voor Zijn aangezicht te oordelen.

Vriendschap met de wereld is vijandschap tegen God

”Overspeligen, weet gij niet, dat vriendschap met de wereld vijandschap is tegen God? Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, betoont zich een vijand van God” (4:4).

De eerste verzen van dit hoofdstuk tonen ons het geweld van de verdorven, oude natuur, die altijd begeert en nooit te bevredigen is. We zien er de strijd en de ongepaste begeerten. En het gebed tot God om de hartstochten te bevredigen.

Na dit geweld moet God ons het verderf van de menselijke natuur tonen. Wat Jakobus nu gaat zeggen lijkt niet zo erg als het geweld uit de eerste verzen, maar in feite is het erger, zoals we zullen zien. Hij richt zich tot de overspeligen onder de twaalf stammen. O, zo voelden zij zich misschien zelf niet, maar het goddelijk licht ontdekt dit kwaad. Overspeligen zijn diegenen die ontrouw zijn geworden aan hun man. Het woord dat gebruikt wordt is vrouwelijk, maar Jakobus doelt ongetwijfeld op mannen en vrouwen. En natuurlijk bedoelt hij geen overspel in het menselijk verkeer, maar geestelijk overspel, ten opzichte van God. Dat blijkt uit het verloop van het vers. Uiterlijk wilde men tot het volk van God behoren, maar innerlijk niet. Men was ontrouw geworden aan de God die men beleed te kennen en het hart hunkerde naar de wereld. In het Oude Testament was Israël het volk van God. Hij had hen getrouwd. Maar toen ze van Hem afweken moest Hij hen oordelen om dit geestelijke overspel, het verlaten van hun Man, om gemeenschap te hebben met andere mannen, afgoden. In ons vers is die andere man de wereld.

Hetzelfde wat Jakobus aan velen van zijn volk voorhoudt, moet nu helaas van velen in de christenheid gezegd worden: Ze hebben de wereld lief in plaats van God, hoewel ze soms nog belijden God te kennen.

Allereerst stelt Jakobus het beginsel vast, dat vriendschap met de wereld vijandschap met God is. Vriendschap kan dus vijandschap inhouden! De wereld staat hier lijnrecht tegenover God. Wisten ze dat niet? De wereld die bij Kaïn duidelijk begon is het systeem dat God buitengesloten heeft en Hem vijandig gezind is. Na de broedermoord van Kaïn ging hij weg van God en bouwde de eerste stad. Hij wilde gezelschap om de lege plaats en zijn knagende geweten te vergeten. De vijfde vanaf Kaïn, Lamech toonde het beginsel wereld nog duidelijker. Als eigenzinnig man nam hij zich twee vrouwen, tegen Gods gedachte en kreeg vier kinderen, die in wat ze waren of deden de kenmerken van de wereld vertoonden. In Jabal, vader van de tentenbouwers, zien we het streven naar bezit, gemak en welvaart. In Jubal, vader van allen die harp en fluit hanteren, ontdekken we de wereld van de muziek en de kunst. Tubal­Kaïn is de leermeester geweest van allen die koper en ijzer bewerken. Dat toont ons de wereld van de wetenschap. Tenslotte zien we in zijn zuster Naëma (schoonheid) de schoonheid die de wereld zo begeert. Zo heeft de mens zonder God zich een systeem van economie, kunst en wetenschap opgebouwd, waardoor zijn hart en gedachten geregeerd worden, zodat er voor God geen plaats meer is, behalve in hun religie.

Het ware, godvijandige karakter van de wereld, ook van de godsdienstige Joodse wereld, was in het Oude Testament echter nog niet zo duidelijk bekend. Pas toen het godsdienstige Joodse systeem zijn eigen Messias, onze Heer Jezus Christus, verwierp. werd openbaar wat de wereld werkelijk is: Een systeem dat door satan is opgebouwd en God buitengeworpen heeft. Het is een systeem dat volkomen godvijandig is. Daarom is vriendschap met deze wereld vijandschap tegen God.

Na het beginsel te hebben vastgesteld, gaat Jakobus het praktisch toepassen op de situatie van de mensen aan wie hij schrijft: Wie dus besluit een vriend van de wereld te zijn, wordt daardoor vanzelf een vijand van God. Zonder uitzondering geldt deze regel, zelfs als iemand niet openlijk partij kiest voor de wereld, maar er alleen in zijn hart naar hunkert. Zo iemand manoeuvreert zichzelf in de positie van vijand van God. Dat is in feite terugvallen naar de oude, vleselijke toestand: ”Wat het vlees bedenkt is vijandschap tegen God” (Rom.8:7a). Ieder die de toevlucht niet tot de Heer Jezus heeft genomen, was vroeger een vijand van God, zoals allen die zich nog niet bekeerd hebben nog steeds zijn. Na een schone belijdenis met het hart terugverlangen naar de wereld is dus terugvallen in de oude toestand!

Grotere genade

”Of meent gij dat de Schrift tevergeefs spreekt? Begeert de Geest
die in ons woont met naijver? Maar hij geeft grotere genade. Daarom zegt hij: ”God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade” (Jak. 4:5,6)

Is het echt waar dat vriendschap met de wereld vijandschap met God is? Zo zou iemand kunnen reageren. Daarom zegt Jakobus: Denkt u dat de Schrift tevergeefs spreekt?

Hier wordt het geschreven Woord gesteld tegenover de onheilige handel met de wereld. Met de Schrift bedoelt Jakobus vooral het Oude Testament, bij de Joden bekend. Het is heel waarschijnlijk dat deze Brief één van de eerste Geschriften van het Nieuwe Testament is, zelfs nog eerder geschreven dan enkele Evangeliën. Vandaar dat Jakobus vooral zal doelen op het Oude Testament. En dat maakt ons ook heel duidelijk dat God Zich niet verbinden kan met hendie de vriendschap van de wereld zoeken. Denken we maar aan Lot of Ezau. Wereldsgezindheid kan niet samengaan met ware vroomheid. De waarschuwingen tegen wereldsge­ zindheid door de hele Schrift heen spreken niet tevergeefs! Als we er echt naar luisteren, blijft het Woord niet zonder gevolg. Gods woorden zijn geen zinloze woorden.

Bovendien hebben zij die werkelijk in de Heer Jezus geloven, de Heilige Geest ontvangen, de Geest die vanaf de pinksterdag blijvend in de ware gelovigen woont. Die Geest begeert niet met nijd. Hij is niet de bron van de naijver die iemand ertoe brengt om te hunkeren naar de wereld en met afgunst in het hart naar diegenen te kijkendie het op aarde goedgaat. De Heilige Geest staat tegenover de geest van de wereld en wil ons in de goede richting voeren, want nijd komt uit ons natuurlijk hart voort. Nooit uit de Geest van God.

Met ”de Geest die in ons woont”, wordt, zoals boven aangegeven, de Heilige Geest bedoeld en niet onze menselijke geest. Ik kan tenminste in de Schrift geen aanwijzing vinden, dat van onze geest gezegd wordt, dat hij in ons woont.

De uitleg dat de Heilige Geest met heilige jaloersheid over ons waakt, lijkt mij hier ook niet geheel juist, omdat het woord dat met naijver vertaald is in de Schrift altijd een negatieve betekenis heeft. Zie bijv. Matth. 27:18, Rom. 1:29, Fil. 1:15, 1 Tim. 6:4, alle vertaald met afgunst.

Jakobus geeft ons dit vers in vraagvorm, om ons duidelijk op het hart te binden, dat de Geest van God andere begeerten heeft dan ons vlees. Hij voert ons tot heilige afzondering tot God. We kunnenzelf het antwoord wel geven op de vraag van Jakobus en zullen dan erkennen, dat nijd niet van God is.

Waarom begeren we met nijd? Om iets aards te bezitten? Is het geestelijk goed en het koninkrijk van God niet belangrijker? De Geest van God geeft grotere genade, vooral in geestelijk opzicht. Geen aardse begeerten, maar genade om de dingen van God te zoeken. En Zijn genade is groter. Ze bevredigt met wat ze geeft het hart meer dan de dingen van de aarde. Maar er is genade van God voor nodig, om af te zien van de dingen die ons zo eigen zijn en eerst het koninkrijk van God te zoeken. Doen we dat echter, dan zal God vol genade ons hart vullen met Zijn Zoon en alles wat met onze Heiland verbonden is. Uit onverdiende gunst.

Maar ons hart moet wel in de juiste gezindheid ten opzichte van God zijn. Als er hoogmoed in ons hart is, moet Hij ons weerstaan. Dezelfde Geest die grotere genade geeft, heeft in het Oude Testament Salomo geïnspireerd om dat beginsel vast te leggen: ”Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar de zachtmoedigen zal Hij genade geven” (Spr. 3:34). Deze aanhaling vinden we ook in 1 Petr. 5:5 en wordt daar gebruikt om ons aan te sporen ten opzichte van elkaar met ootmoed bekleed te zijn. Dat zijn we van nature niet, vandaar dat Petrus en Jakobus erover spreken. Petrus om de nadruk te leggen op ootmoed, Jakobus om de nadruk te leggen op de meerdere genade van God de Heilige Geest. God kan hoogmoed niet zegenen, en wat zijn we er snel toe geneigd, tenminste ik wel. Maarjuist de nederigen geeft God genade. En genade is het middel om de wereld te overwinnen. O, mocht ik toch in Gods licht verkeren, met een nederig hart. Ware nederigheid kunnen we leren van de Heer Jezus, die zachtmoedig en nederig van hart was. Hij is altijd ons grote Voorbeeld en Hij wenst dat wij Zijn voetstappen zullen navolgen. Leer ik van Hem?

Onderwerping aan God

”Onderwerpt u dan aan God. Weerstaat de duivelen hij zal van u
vluchten. Nadert tot God en Hij zal tot u naderen” (4:7,8a).

Om gespaard te blijven voor vriendschap met de wereld en nederig voor Gods aangezicht te zijn, is het nodig om aan God onderworpen te zijn. Hij is God, wij zijn schepselen. Inplaats van Hem en Zijn gedachten te beoordelen, moeten we ons eens en voor altijd aan Hem onderwerpen, want wat Hij wil en doet is goed.

Maar er is een machtige tegenstander, die ons uit deze onderwerping en gehoorzame nederigheid halen wil, om hoogmoe­dig tegen God op te staan. Dat is de duivel. Hem moeten we volkomen weerstaan. Zondige dingen als hoererij en afgodendienst moeten we ontvluchten, maar de duivel moeten we weerstaan, standvastig in het geloof. Stap voor stap wil hij ons trekken uit de goede houding tegenover God en mensen. Hij wil onsverlokken tot hoogmoed, maar we kunnen hem weerstaan. O, laten we daartoe toch zien op onze Heer Jezus Christus, die als Mens onderworpen was aan God en veertig dagen door de duivel verzocht werd in de woestijn. Hij hield stand en handhaafde het volle Woord van God. Als satan komt met halve leugens en halve Bijbelteksten, weerstaat de Heer hem met Gods ware gedachten. De duivel is zo listig. Hij wil ons hart aftrekken van God en ons vlees bevredigen met dingen van de wereld, ook godsdienstige. Hij zal ons vaak trachten te misleiden in de dagelijkse dingen. Daarom moeten we de wapenrusting aanhebben voordat hij komt. Of, zoals Jakobus zegt, ons onderwerpen aan God. Dan zal de duivel geen stand kunnen houden, maar zal hij zeker vluchten. Dat zien we ook bij de Heer Jezus, na de verzoekingen.

Het is voor ons werkelijk nodig om afhankelijk te zijn van God Om de duivel te weerstaan is het ook nodig om tot God te naderen. Ben ik voortdurend in Gods tegenwoordigheid? Ben ik eens voor altijd tot Hem genaderd en blijf ik bij Hem? Dan zal Hij tot ons naderen. Ja, God wil ons tegemoet gaan. Toen de verloren zoon naar zijn vader terugkeerde, bleef deze niet op hem wachten, maar liep hem tegemoet. Gods hart wordt bewogen, als we tot Hem gaan. en Hij komt ons in Zijn genade dan tegemoet, zodat we niet de gehele weg tot Hem behoeven te gaan. Onze verantwoordelijkheid is om tot Hem te naderen, Hem te zoeken in alle dingen van het leven. Gods kant van de zaak is dat Hij ons dan te hulp komt. omdat Hij ons liefheeft. Toen de Heer satan had weerstaan in de hof van Gethsémané en de beker uit de hand van Zijn Vader aannam, was Hij tot Zijn Vader genaderd. Maar God liet Hem niet alleen. Er kwam een engel uit de hemel die Hem in het zwaarst van de strijd sterkte. God naderde tot Hem, ook heel persoonlijk.

De duivel zal vluchten als we hem weerstaan, God zal naderen als we Hem naderen. Wat een genadige liefde!

Vernedert u voor de Heer

”Reinigt de handen, zondaars, en zuivert de harten, gij die wankelmoedig zijt. Beseft uw ellende, treurt en weent; uw, lachen worde veranderd in treuren en uw blijdschap in verslagenheid. Vernedert u voor de Heer en Hij zal u verhogen” (4:8b-10).

Het is goed om op te merken dat Jakobus vooral de verantwoor­ delijkheid van zijn volksgenoten in de vreemde benadrukt. Dat maakt het wat moeilijker om altijd precies aan te geven tot wie hij zich in het bijzonder richt. Zo spreekt hij in het begin van hoofdstuk vier over oorlogen en twisten onder hen. Uit het verband maken we dan op dat hij belijders op het oog heeft. In vers vier richt hij zich tot de overspeligen, diegenen dus die belijden dat ze een band met God hebben, maar wier hart toch uitgaat naar de wereld. Het is een vermaning die we allen op onszelf kunnen toepassen, ieder op zijn gebied. Maar in vers vijf spreekt hij over de Geest die in ons woont en kan hij alleen de ware gelovigen op het oog hebben. Alleen zij zijn in staat in nederige onderwerping aan God te leven en de duivel te weerstaan.

In de verzen die we nu hopen te overdenken, zien we dat bij zich richt tot zondaars en dubbelhartigen. Dat kunnen m.i. geen gelovigen zijn, maar wel belijders, zoals veel Joden waren. Nergens elders in de Schrift worden gelovigen nog zondaars genoemd. dus waarom zouden in Jakobus onder zondaars ware gelovige belijders verstaan moeten worden. Toch kunnen ook ware gelovigen zich niet onttrekken aan de verantwoordelijke boodschap die Jakobus hier doorgeeft. Wie de schoen past trekke hem aan.

Wil een zondaar tot God naderen, dan moet hij zijn handel en hart voor God geoordeeld hebben. Uit eigen kracht kan een zondaar zichzelf niet verbeteren en de handen reinigen, maar in Gods licht gekomen kan hij of zij zijn handelingen veroordelen, om daarna reine handen te hebben, die opgeheven kunnen worden tot God (1 Tim. 2:8). Zodra iemand tot de Heer Jezus gekomen is, zijn zijn zonden vergeven. Alleen voetwassing is dan nog nodig om gemeenschap te kunnen hebben met de Heer Jezus en God, als we door onze wandel in de wereld verontreinigd werden. In het Nieuwe Testament lezen we van gelovigen niet over het wassen van de handen.

Het veroordelen van verkeerde handelingen moet ook gepaard gaan met het zuiveren van de harten. Uiterlijk en innerlijk moeten samengaan, samenwerken. Vandaar dat Jakobus dubbelhartige belijders die op de tweesprong staan en denken God en wereld te kunnen dienen, aanspoort om hun harten te zuiveren van wereldse neigingen en zonden. Gelovigen hebben hun zielen gereinigd door gehoorzaamheid aan de waarheid (1 Petr. 1:22).

Het woord dubbelhartigen komt in het NT alleen nog voor in Jak. 1:8, de man die wel bidt, maar twijfelt als de golf van de zee, een man die onbestendig is in al zijn wegen. Dus een belijder die niet werkelijk zijn vertrouwen op God stelt, maar van twee walletjes wenst te eten: hij bidt tot God, maar vertrouwt niet op Hem. Hij hunkert naar de wereld en faalt in zijn wegen. Daarom moeten dezulken beginnen bij de reiniging van hun hart.

Ze moeten komen tot het volkomen besef van de eigen ellendige toestand en treuren en wenen over eigen falen. Dan zal het ijdele lachen dat de wereld opwekt veranderd worden in een treuren over eigen ellende en dan zal de lege vreugde van het natuurlijke hart volkomen omslaan naar verslagenheid. De ogen worden neergesla­gen als men in het licht van God eigen falen en zonde ziet. Dan wordt men ruw gewekt uit de zoete slaap die satan doet slapen en de hoogmoed die in het eigen hart leefde, zodat men volkomen vernederd is voor de Heer. God wil dat deze zaken in onze zielen eens voor altijd komen vast te liggen. Het gaat hier om een innerlijke vernedering voor de Heer die Meester over alle dingen is en niet om uiterlijke nederigheid tegenover mensen. Zelfvernedering voor God is nodig in tegenstelling tot de hoogmoedige geest van de wereld. Dan en dan alleen kan God geestelijke verhoging geven. I eder die zichzelf vernedert zal verhoogd worden (Luk. 18:14).

Kwaadspreken van elkaar

”Spreekt geen kwaad van elkaar, broeders. Wie van zijn broeder kwaadspreekt of zijn broeder oordeelt, spreekt kwaad van de wet en oordeelt de wet. En als gij de wet oordeelt, zijt gij geen dader van de wet, maar een rechter. Eén is de Wetgever en Rechter. Hij die behouden en verderven kan. Maar wie zijt gij, dat gij de naaste oordeelt?” (4:11,12).

Jakobus is zo eenvoudig en duidelijk. Wij vaak zo hardleers. Hij is een wijs bestraffer, maar hebben wij een horend oor? Het woord dat God hier liet neerschrijven is speciaal tot de gelovigen gericht. want Jakobus richt zich tot de broeders en bedoelt daarmee het gelovig deel van de stammen aan wie hij schrijft. Vanzelfsprekend hebben ook zusters de vermaning nodig geen kwaad van elkaar te spreken. Ook zij zijn vaak geneigd om vooral naar het kwade te luisteren dat over een medegelovige verteld wordt en het kwade door te vertellen. O, dat vreselijke hart van ons, ook als we geloven in God. Van nature zijn we steeds geneigd tot alle kwaad. Is het niet merkwaardig dat we zo graag het verkeerde van onze medegelovige vertellen en het goede dat hij of zij in de Heer doet vergeten of verdoezelen? Wat een ellende is er in het midden van de gelovigen al gekomen door kwaadsprekerij. Zien we het niet links en rechts om ons heen? Zegt u nu niet: Daar blijf ik verschoond van. Kent u uzelf dan niet? O, hoe moeten we deze boze neiging veroordelen. Veroordelen voor God. De vermaning komt niet voor niets tot ons. Tot gelovigen! Waarom zijn we toch zo gemakkelijk geneigd om zonder eerlijk onderzoek te accepteren wat er aan kwaad over een ander verteld wordt? Bij het goede dat we horen kunnen we verheugd zijn en toch nog enige reserve aan de dag leggen, maar zijn we over het kwade van een ander vaak ook niet verheugd of schijnbedroefd? Zijn we soms niet verheugder over het kwaad van een gelovige dan over het goede? Omdat ons hart dezelfde dingen koestert? En we het daarom bij een ander zo scherp veroordelen? O, wat een hart, wat een boosheid. Is er soms geen huichelachtige vriendelijkheid tegenover de broeder of zuster van wie we kwade dingen gehoord hebben, terwijl we tegenover anderen het kwaad oprakelen of aandikken? God zal dit moeten oordelen.

Kwaadspreken van elkaar doen we nooit als de betreffende persoon er zelf bij is. We doen het altijd achter de rug om. Waarom gaan we niet meer bij de persoon in kwestie vragen of het boze gerucht ook echt waar is? Als we iets tegen een broeder of zuster hebben moeten we er heen gaan en het uitpraten, maar niet achter de rug om kwaadspreken zonder ooit met de betreffende erover te praten. En waarom zeggen we een kwaadspreker niet om het te vertellen aan de gelovige over wie hij of zij het kwade gerucht vertelt? Laten we een horend oor hebben en de vermaning ter harte nemen, omdat dit kwaad ook in de christenheid en in ons midden gevonden wordt.

Jakobus laat doorschemeren dat kwaadsprekerij op één lijn staat met het oordelen van zijn medebroeder. Omdat ik beter ben wordt hij door mij geoordeeld. Hij staat fout en anderen moeten dat weten. Daarom spreek ik kwaad.

Maar wie kwaadspreekt van zijn broeder of zijn broeder oordeelt, spreekt kwaad van de wet en oordeelt de wet. De wet laat ons namelijk zien hoe God denkt over onze houding tegenover onze vijand, laat staan tegenover onze broeder. De Spreuken zeggen ons: ”Indien degene die u haat hongert, geef hem brood te eten. En zo hij dorstig is, geef hem water te drinken. Want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hopen en de Heere zal het u vergelden” (Spr. 25:21,22).

Hoe moeten we dan zijn tegenover onze broeder? De wet, het Woord van God, toont ons wat Gods gedachten zijn over ons gedrag tegenover onze broeder. Hij wordt aan ons voorgesteld als een voorwerp van liefde en toegenegenheid. Nooit gebiedt God ons om onze broeder te haten en daarmee kwaad van hem te spreken. Als we toch oordelen of kwaadspreken van onze medegelovigen. vergeten we de plaats die de wet aan hen geeft. In vers 11 staat voor het woord ”wet” geen lidwoord, zodat niet alleen de wet van de tien geboden bedoeld wordt, maar in het algemeen de regels en de gedachten van God, die Hij heeft neergelegd in Zijn Woord. Kwaadspreken past niet bij de positie onder de wet, maar nog minder bij de christelijke positie. Is de christelijke positie niet een nog veel hogere dan de positie onder de wet? Wij moeten onze broeders liefhebben, zegt God. Let wel: het gaat hier niet om werkelijk kwaad in een broeder dat geoordeeld moet worden, maar om kwaadsprekerij. Als ik kwaadspreek handel ik niet naar Gods gedachten, maar spreek ik er kwaad van. Dan stel ik mij boven Gods Woord en oordeel ik Zijn Woord. Dan ben ik geen dader van de wet, maar een rechter. Mijn plaats is: Luisteren naar de wet. En niet: Ik bepaal zelf wat Gods gedachten zijn. De broeder hoef ik niet lief te hebben. Zo ben ik een rechter van de wet, terwijl er maar één Wetgever en Rechter is: God. Ja, Hij gaf Zijn gedachten in duidelijke bewoordingen. En Hij zal als Rechter optreden als we Zijn gedachten met voeten treden. Hij kan behouden en laten vergaan. Hij heeft de macht voor belde. Als wij barmhartigheid bewijzen aan medegelovigen zal Hij ons barmhartigheid bewijzen. Hij kan ons redden uit de kwade strikken die voor onze voet gespannen worden, maar Hij kan ook verderven en alles vernietigen wat wij opgebouwd hebben. Hij handelt altijd naar recht en zal nooit onrechtvaardig straffen, maar we moeten Hem vrezen als we kwaadspreken van gelovigen.

Er is genade en zelfoordeel nodig om bewaard te blijven voor kwaadsprekerij. ”Die een kuil graaft zal er in vallen en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeren” (Spr. 26:27). Laten we toch opzien tot Hem die zowel behouden als vernietigen kan. Hij is geweldig van majesteit en kracht, maar wie zijn wij? En wie zijn zij die zo kortzichtig zijn om de naaste te oordelen en kwaad van hem of haar te spreken? Die zich laten leiden door de oude natuur?

Als de Heer het wil en wij leven!

”Welaan dan, gij, die zegt: Vandaag of morgen zullen wij naar die
en die stad gaan en daar een jaar doorbrengen en handel drijven en winst maken; gij, die niet weet wat de dag van morgen brengen zal. Want wat is uw leven? Het is maar een damp, die een korte tijd gezien wordt en daarna verdwijnt. In plaats van te zeggen: Als de Heer het wil en wij leven, zullen we dit of dat doen. Maar nu roemt gij in uw hoogmoed; al zulk roemen is boos. Wie dan weet goed te doen en het niet doet, voor die is het zonde” (Jak. 4:13-17).

In de tijd dat deze Brief geschreven werd, reisde men vaak en veel. Daarom kon in die tijd, menselijk gesproken, het evangelie zich zo snel verbreiden. In Paulus en zijn reisgenoten zien we een voorbeeld van veel reizen en prediken. Men vertelt zelfs dat er in de eerste eeuw vrijwel net zoveel gereisd werd als ongeveer dertig à veertig jaar geleden in West-Europa.

Tegen deze achtergrond kunnen we ook beter het voorbeeld begrijpen dat Jakobus vermeldt. Veel Joden die niet in Israël woonden, maar verstrooid waren, reisden de wereld door als handelsmensen of hadden een ander vrij beroep. Paulus was bijvoorbeeld tentenmaker van beroep en hij kon dit beroep overal waar hij wilde uitoefenen. Zulke mensen zochten veel de steden op. om daar handel te drijven. Vooral Egypte was een erg gewild land. zodat er bijvoorbeeld veel rijke Joden geteld werden onder de grote Joodse gemeenschap van Alexandrië. In deze stad werden veel Joodse kooplieden en eigenaars van schepen gevonden. Als zulke Joden het christendom omhelsden, was er geen reden om hun beroep op te geven, maar wel was het nodig om het werk in afhankelijkheid van God en van de Heer te verrichten. En dat gebeurde soms niet. Vandaar dat Jakobus begint met enkele woorden van afkeuring: ”Welaan dan”. Deze uitdrukking komt in het Nieuwe Testament alleen nog voor in hfst. 5:1. Er werd door sommigen gepraat over de plannen die ze hadden, want waar het hart vol van is loopt de mond van over. Niet alleen in hun gedachten hadden ze handelsplannen gemaakt, maar ze verkondigden die ook. De plannen strekten zich soms uit overvele maanden, terwijl ze niet wisten wat de dag van morgen brengen zou. Er werd in deze aardse plannen geen rekening gehouden met de wil van God. Het ging over vandaag of morgen vertrekken, gaan naar steden met al hun gevaren en ijdele dingen en over kopen, verkopen en winst maken. Alles aardse zaken, maar ook daarin hebben we te rekenen met God die alle dingen bestuurt. Ach, wat een geest van zelfvertrouwen in deze aardse dingen die we zelf wel kunnen. Waarom niet bedacht dat we er morgen wel eens niet meer zouden kunnen zijn? Hoe scherp en duidelijk tekent Jakobus de nietigheid van ons aardse bestaan. Wat is mijn leven? Is het geen damp die korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt? Zelfs al worden we honderd jaar? Een damp zijn we, we brengen onze jaren door als een gedachte. Het leven wordt snel afgesneden en wij vliegen daarheen. Om met Job te spreken: ”Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting. Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien. Het oog desgenen die mij nu ziet, zal mij niet zien; Uw ogen zullen op mij zijn, maar ik zal niet meerzijn. Een wolk vergaat envaart heen. alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen” (Job 7:6-9). De mens. van een vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust. Hij komt voort als een bloem en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw en bestaat niet.

O, laten we Gods woorden toch indrinken en beseffen hoe nietig wij zijn. Een damp hangt van niets aan elkaar, een schaduw is niets. Wat een kortstondig bestaan en toch zat van onrust. Natuurlijk bedoelen al deze woorden niet dat we na de dood niet zullen voortbestaan. Ook Job had weet van leven na de dood: ”Want ik weet: mijn Verlosser leeft en Hij zal de laatste over het stof opstaan. En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen, die ik voor mij aanschouwen zal en mijn ogen zullen zien en niet een vreemde. Mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot” (Job 19:26,27).

Jakobus doelt op het nietige aardse bestaan en niet op de geest die tot God terugkeert die hem gegeven heeft. Wat is het goed te leven in het besef van eigen zwakheid en nietigheid. Als we zo leven zullen we zeggen: ”Als de Heer het wil zullen we leven en dit of dat doen”. Dit laat zien dat er wel plannen gemaakt mogen worden, maar met overleg. Plannen falen waar geen overleg is. En echt overleg is overleg met God. Hij is de Heer die uiteindelijk alles te zeggen en te regelen heeft. Hij moet het gezag over mijn leven hebben omdat Hij mijn Heiland is, maar ook omdat Hij mijn Schepper is. Alles ligt in Zijn hand. Laten we daarom geen plannen voorjaren maken zoals de rijke dwaas. Hij had goederen opgespaard voor vele jaren en meende nu te kunnen eten en drinken en vrolijk te zijn zonder God. Toen eiste God zijn ziel in diezelfde nacht van ijdel overleg. Geve God dat we geen plannen maken zonder Hem en dat we dag na dag met Hem rekenen. Wat heeft het voor nut bezorgd te zijn en dingen te regelen met betrekking tot dat wat over een jaar misschien helemaal niet komt.

Een voorbeeld van iemand die plannen maakte met God zien we in de apostel Paulus. Al jarenlang had hij de wens om de gelovigen in Rome op te zoeken en hen te dienen, maar hij hield rekening met de wil van God (Rom. 1:10) en was daarom nog steeds niet bij hen geweest. Nu schreef hij hun een Brief, waarin hij enkele plannen bekendmaakte. Hij had groot verlangen tot hen te komen als hij naar Spanje zou reizen. Op doorreis daarheen hoopte hij de broeders te zien. Maar eerst moest hij nog naar Jeruzalem, met geld dat hij voor de armen ontvangen had. Hij vroeg om het gebed van de broeders en zusters in Rome, omdat hij wist dat er in Judea ongehoorzame, ongelovige mensen waren die zijn wensen zouden kunnen verhinderen. Hun gebed was nodig opdat hij door de wil van God met blijdschap tot hen zou mogen komen. Na het schrijven van de Brief ging hij op reis naar Jeruzalem, maar steeds meer waarschuwde God hem dat hij gevangen genomen zou worden. Dus Gods plannen waren anders dan Paulus had gedacht. In Jeruzalem is hij gevangen genomen en twee jaar lang zat hij in de gevangenis in Cesarea. Toch heeft God zijn hartewens in vervulling laten gaan, zij het anders dan Paulus had gedacht. Hij meende als vrij man via Rome naar Spanje te mogen gaan, maar hij kwam als gevangene in Rome aan. De Bijbel zegt ons niet dat hij nog in Spanje geweest is.

We zien hier bij Paulus dat we plannen kunnen maken, maar dat we de uitvoering ervan altijd aan God kunnen overlaten. God doet wat goed is. Hij kan het wel eens anders laten verlopen en dan is het ongetwijfeld beter dan wij dachten. Laten we daarom met God rekenen en zeggen: Als de Heer het wil en wij leven zullen wij met Hem dit of dat doen.

Jakobus heeft door de Geest van God goed gezien waaruit zulk onafhankelijk aards handelen voortkomt. Hij schrijft het toe aan roemen in eigen hoogmoed. Want is het geen hoogmoed als ik meen alles wel te kunnen regelen zonder God? Dan neem ik een plaats in die mij als schepsel niet past en een plaats die zeker een verloste niet past. En als ik dan praat over wat ik allemaal van plan ben, is dat roemen in eigen hoogmoed. Zulk roemen is verkeerd. Roemen in God, in verdrukkingen, in de hoop op de heerlijkheid van God, is goed. Roemen in eigen denken, beslissingen en kunnen is fout.

De eindconclusie van geheel hoofdstuk 3 en 4, maar vooral van de nu behandelde verzen vinden we in de woorden: ”Wie dan weet goed te doen en het niet doet, voor die is het zonde” (vs. 17). Een gewaarschuwd man geldt voor twee, maar zijn verantwoordelijk­heid is ook dubbel zo groot. In Rom. 14:23 wordt gezegd: ”Alles wat niet op grond van geloof is, is zonde”. Paulus stoot daar door tot de kern van de zaak, omdat hij het innerlijk leven behandelt. Jakobus, de man van de praktijk, spreekt over daden of geen daden. Wie bewuste kennis heeft van dat wat eerbaar en juist is, heeft ook de verantwoordelijkheid om die kennis in de praktijk te tonen. Als hij dit niet doet is het voor hem zonde. Voor een ander die deze kennis niet heeft en dan niet doet, hoeft dat geen zonde te zijn. We zien hier dus dat ook iets niet doen zonde kan zijn. Want waarom doet iemand iets niet, waarvan hij toch weet dat het goed is? Dat kan alleen door de oude natuur, het vlees met zijn eigenwil, zijn. Die verhindert bewust het goede. Ja, zo zijn wij. Onze eigen wil verhindert ons soms (vaak?) om dat te doen wat naar het hart van God is. Dan betekent ”niet doen” dat ik ”de zonde doe”. ”Die slaaf die de wil van zijn heer gekend heeft, en zich niet bereid, en niet naar zijn wil gedaan heeft, zal met vele slagen geslagen worden” (Luk. 12:47).

O laten we toch op onze hoede zijn voor dit kwaad en voortdurend met de Heer onze weg gaan.

(c) copyright Uit het Woord der Waarheid, Winschoten, april ’76
Met toestemming overgenomen voor electronische distributie door Bijbelstudie-BBS