BijbelArchief
Jacobus hoofdstuk 3
Jacobus hoofdstuk 3
 

Jacobus hoofdstuk 3
M. J. Arentsen

In hoofdstuk 3 begint een ander praktisch onderwerp: de tong.

Leraars willen zijn

”Laten niet velen leraars willen zijn, mijn broeders; daar gij weet dat wij er een des te strenger oordeel om zullen ontvangen” (3:1).

Ken ik mijzelf. Hoeveel gemakkelijker schijnt het anderen te onderwijzen dan mijzelf te oordelen in het licht van God. Maar wat heeft het voor zin anderen als onmondigen te behandelen en mijzelf als hun leermeester op te werpen, als ik mijzelf niet leer? Zo deden de schriftgeleerden die zich inbeeldden leidslieden te zijn van blinden en een licht voor hen die in duisternis zijn. Het is een natuurlijke neiging van ons menselijk hart, om zich in grotere of kleinere kring als leider op te werpen.

Jakobus vermaant de gelovigen onder het volk, om zich niet lichtvaardig als leraar en instrukteur op te werpen, want zij wisten dat ze er dan een strenger oordeel om zouden ontvangen. Uit de overvloed van het hart spreekt de mond, maar laten mijn woorden zien dat mijn wil gebreideld is en ik geen zelfvertrouwen heb, bijv. vanwege mijn goede geheugen, of tonen ze een lichtvaardig hart, vol eigenwil? Werkelijke nederigheid zal langzaam maken tot spreken, maar gesproken moet er soms worden. leder mens moet snel zijn om te horen en traag zijn tot spreken, maar leraars, leermeesters, moeten er zijn. Echter niet vele. Ook Jakobus rekent zich onder deze leermeesters, want hij zegt: Wij zullen er een des te strenger oordeel om ontvangen.

God rekent met ons naar wat wij van anderen verlangd hebben, al hebben we die verlangens ook uit het Woord van God. Gij die oordeelt, oordeelt gij uzelf niet? Leven we zelf naar de maatstaf die we anderen willen opleggen? Laten we toch voorzichtig zijn, want wij struikelen allen dikwijls. Dat hoeft een christen niet als hij in afhankelijkheid van zijn God leeft, maar helaas zijn de woorden van Jakobus in de dagelijkse praktijk vaak zo waar. Weten we het niet uit eigen ervaring, dat we dikwijls struikelen in allerlei dingen, vooral in woorden?

In Jakobus gaat het niet zozeer om de gave van leraar, zoals Paulus die beschrijft, want naar die gave mogen we streven. Liefde wil graag dienen en de gelovigen opbouwen. Bovendien wil de Geest leiden in de uitoefening van de gave, als we maar nederig blijven. Jakobus heeft meei het moraliserende karakter van leren op het oog, de leermeesters die zeggen: Zo en zo moet u dat doen. God verlangt in de praktijk dat en dat van u. Zie de leermeesters uit Mattheüs 23:2-12.

De broeders waren in die tijd vrij om te spreken in de dienst, want anders had deze vermaning van Jakobus geen zin. M.i. gaat het hier namelijk niet alleen om de gesprekken in het dagelijkse leven, maar ook om dingen die in de samenkomsten gezegd konden worden. Dan moest hij die leerde een ware, diepe afhankelijkheid van God bewaren, om niet zelf ten val te komen. Hoezeer moet er tegen de gedachte gewaakt worden dat er uiterlijke eer te behalen valt in de beschreven positie, want de val zal dan groot zijn, als de Heer het niet verhoedt. En weten zij die zo leren niet uit eigen ervaring hoe groot het gevaar van mensenverering is, maar ook het gevaar om in woorden verder te zijn dan in de eigen praktijk? Geve God dat we op de Heer zien, die Zijn mond niet open deed onder het kwaad Hem overkomen. Leraar zijn brengt moeiten met zich. Hoe volmaakt was de Heer hierin! Hij had Zijn vijanden kunnen leren, maar toen de tijd van lijden gekomen was en ze naar Hem toch niet zouden luisteren zweeg Hij. Hij zweeg als Zijn Vader het Hem zei. Zwijgen wij ook als God dat nodig vindt? En spreken we als het moet?

Wie in woorden niet struikelt

”Want wij struikelen allen dikwijls. Als iemand in woorden niet struikelt, is hij een volmaakt man, in staat om ook het hele lichaam in toom te houden” (3:2).

De reden waarom Jakobus er zo op aandringt dat niet allen zich op zullen werpen als leermeesters is, dat wij door God beoordeeld zullen worden naar dat wat we anderen hebben voorgehouden. En hij voegt er onmiddellijk aan toe: Want wij struikelen allen vaak en in veel dingen. Dat is helaas vaak onze levenspraktijk, hoewel een kind van God niet behoeft te struikelen, als hij de gemeenschap met zijn God voortdurend beleeft en bewaart.

Vooral het struikelen in woorden is ons grootste falen. Als iemand in zijn woorden, waar en op welke tijd dan ook, niet struikelt is hij een volmaakt man. Onze Heer was ook in dit opzicht volmaakt. Hij struikelde nooit in Zijn woorden, omdat Hij sprak wat Hij bij Zijn Vader gehoord had. Altijd wist Hij het juiste woord op dejuiste tijd te spreken(Jes. 50:4) en zweeg Hij als dat nodig was. Hij had van Zijn God de tong der geleerden ontvangen.

Onze praktijk is helaas vaak zo anders. Petrus is daarvan een voorbeeld. Het ene moment spreekt hij de woorden die de Vader hem geopenbaard heeft, het volgende ogenblik is hij de spreekbuis van de duivel. Als de Heiland vraagt: ”Gij, wie zegt gij dat ik ben?”, antwoordt Petrus: ”Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”. Dat openbaarde God, de Vader, hem. Weinige ogen­blik­ken later zegt de Heer tot Zijn discipelen, dat Hij moet heengaan naar Jeruzalem om te lijden en gedood te worden en op de derde dag weer op te staan. Dan zegt Petrus: ”God zij u genadig, Heer, dit zal u geenszins geschieden”. Daar struikelde hij met mooie woorden en in zekere zin een liefdevol hart. Maar de Heer zegt tegen hem: ”Ga weg achter Mij, satan”. Vreselijk. Hij was de spreekbuis van de duivel. Hij was in de praktijk van het leven toen geen volmaakt man. Een volmaakt man is hij die zijn lippen in toom kan houden. Dan is hij ook in staat om het verdere van zijn lichaam in toom te houden. Als die zich zo makkelijk roerende tong bedwongen kan worden, kan ik door Gods kracht ook mijn hele verdere lichaam op de plaats van gehoorzaamheid aan God houden. Maar wie struikelt, ook als gelovige, niet in woorden?

Mijn tong openbaart wie ik ben. Mijn woorden tonen mijn karakter. Als ik anderen voortdurend verkeerde motieven in de schoenen schuif, laat ik daarmee eenvoudig mijn eigen toestand zien. Als ik met de Geest van God vervuld ben, zal dat in mijn spreken gemerkt worden.

Geliefde broeders en zusters, de zonde van kwaadsprekerij en roddel is één van de grootste verhinderingen voor geestelijke groei, zowel persoonlijk als gemeenschappelijk. Er zijn helaas vergaderin­gen waar de kletspraat het geheel belemmert in de geestelijke groei. Broeders, zusters, hebt u dat wel eens overwogen?

Ook het doorvertellen van kwaad dat we gehoord hebben is fout. Een broeder vertelde hoe hij door een vriend was vermaand toen hij deze een ernstige zaak, die hij gehoord had, doorvertelde. Zijn vriend opende zijn Bijbel bij Deuteronomium 13:12-14 en las:

”Wanneer gij zult horen zeggen...., zo zult gij onderzoeken en naspeuren en wel navragen. En ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in het midden van u gedaan .......”

Zijn vriend keerde zich rustig tot hem en vroeg:

”Geliefde broeder, heb je het onderzocht?”

”Heb je naspeuringen gedaan?”

”Heb je ernstig navraag gehouden?”

”Probeerde je uit te zoeken of de zaak waar is?”

”En is het zeker?”

”Is het zeker dat zulk een gruwel in het midden van u gedaan is?”

Onze broeder vertelde dat hij alleen maar verdrietig erkennen kon, aan geen van deze zes voorwaarden te hebben voldaan. Dus had hij kwaad gesproken, zonder ook maar de geringste poging te hebben ondernomen om naar de Schrift te handelen.

Een trouwe broeder werd door een medechristen benaderd over enkele kwade dingen van een ander. Hij vroeg hem:

”Weet nog iemand anders van dit kwaad?” ”Nee, broeder”.

”Hebt u het al aan een ander verteld?” ”Nee”.

”Gaat u dan”, zo zei hij, ”naar huis en verberg het aan de voeten van de Heer en spreek er nooit meer over, tenzij God u ertoe leidt het aan de persoon in kwestie zelf te zeggen. Als de Heer een schandaal over Zijn Gemeente wil brengen, laat het dan aan Hem over, maar wees zelf niet het instrument daartoe”.

Als Paulus van de huisgenoten van Chloë hoort hoe de toestand onder de Korinthiërs is, brengt hij het bij God en vermaant hij de Korinthiërs, maar hij spreekt er niet met anderen over.

O, laten we ons toch in de tegenwoordigheid van God ophouden, dan zullen we bewaard blijven voor onze tong. Ook wanneer wij menen volkomen in ons recht te staan kunnen we kwaadspreken. En waarom geloven we vaak zo grif de negatieve dingen van onze medepelgrims? Alleen omdat God en de Heer Jezus ons niet genoeg zijn.

Eeen klein lid

”Zie, wij doen de paarden tomen in de monden, opdat zij ons gehoorzamen en wij besturen hun hele lichaam. Zie, ook de schepen, die zo groot zijn en door sterke winden voortgedreven worden, zij worden door een zeer klein roer gestuurd, waarheen de wil van de stuurman het wenst. Zo is ook de tong een klein lid en zij beroemt zich op grote dingen. Zie, een klein vuur, wat een groot bos steekt het in brand” (3:3-5).

Met enkele prachtige voorbeelden laat Jakobus ons zien dat het hem niet om theorie, maar om levende praktijk gaat. Hij wil illustreren dat een klein ding iets groots kan besturen en leiden.

Allereerst geeft hij een voorbeeld uit de dierenwereld. De paarden, met hun gehele lichaam, worden bestuurd door de mens en gehoorzamen vanwege de toom in hun bek. De mens heeft macht over de dierenwereld en controleert die. Zo wordt ons gehele lichaam in toom gehouden, als wij onze mond in toom houden.

Het tweede voorbeeld is er één uit de materiële wereld: Een groot schip, een zeilschip, voortbewogen, voortgedreven door sterke winden die de mens niet in zijn macht heeft, wordt toch bestuurd door een klein roer. De mens heeft dit grote schip onder controle en de stuurman laat het gaan waarheen hij wil. De menselijke wil heeft ook de materiële wereld onderworpen. Maar is dat ook van toepassing op onze tong? Zij is zo’n toom, zo’n roer. Een klein ding, maar wat een grote dingen kan het zeggen. Ongelukkig genoeg hebben we de tong vaak niet in de hand, zoals toom of roer.

Het derde voorbeeld laat zien dat Jakobus weet wat de tong kan. Hij schildert het voor onze aandacht: Een klein vuur steekt veel hout, ja, een groot bos, in brand. Dat is niet positief, zoals in de voorgaande twee voorbeelden, maar onherstelbaar negatief. Wat verbrand is kan niet meer hersteld worden. Onze tong is zo’n vuur. Als ze op hol slaat is ze onstuitbaar en onherroepelijk. Daarom moet dit vuur onder controle worden gehouden, om geen onheil te stichten. En hoeveel kwaad is er niet gesticht onder de gelovigen, door een simpel woord of een enkele verkeerde opmerking, misschien nog niet eens zo kwaad bedoeld.

Letten we toch eens op het enkele malen herhaalde woordje ”zie” en laten we toch de les van Jakobus ter harte nemen en bedenken dat woorden scherper kunnen zijn dan zwaarden en feller dan vuur. Met woorden kunnen meer mensen worden gedood dan met ander moordwerktuig. Daarom moeten we God vragen een wacht voor onze lippen te zetten. Zo, in de erkenning dat ik falen kan, mag ik in de tegenwoordigheid van God verkeren en de woorden leren die Hij mij onderwijzen wil. Dan kan ik ook tot zegen zijn.

Een wereld vna ongerechtigheid

”Ook de tong is een vuur, de wereld van ongerechtigheid. Onder onze leden is het de tong, die het hele lichaam bevlekt en de loop van de natuur in vlam zet en in vlam gezet wordt door de hel” (3:6).

Wat een verschrikkelijke dingen kunnen er via onze tong naar buiten komen. Jakobus gebruikt het woord tong natuurlijk niet om het orgaan zelf aan te duiden, maar om de bekwaamheid tot spreken aan te geven. De tong is een vuur dat om zich heengrijpt en alles verteert waarmee het in aanraking komt. Het is in het algemeen geen reinigend, louterend vuur, maar de wereld van ongerechtigheid. Het boze dat de mens bedenkt komt vooral via de tong naar buiten. Tegenwoordig wordt er ook veel vuils geschreven, waarvan we ver moeten blijven, maar ook daarover wordt dan vaak gesproken. Als de schrijver het niet doet, dan anderen.

Jakobus zegt dat de tong de wereld van ongerechtigheid is, niet maar een wereld. Het is het grote geheel van boosheid dat in het hart zijn oorsprong vindt, maar via de tong naar buiten komt. ”De dingen die de mond uitgaan komen voort uit het hart, en die verontreinigen de mens” (Matth. 15:18).

De tong is dat lid van ons lichaam, dat in staat is het gehele lichaam te bevlekken. Juist voor dit lichaamsdeel geldt, dat we het niet voor de zonde tot werktuig van de ongerechtigheid moeten stellen. Wij die in Christus Jezus geloven, zijn met Hem gestorven en moeten ons voor God stellen als levend geworden uit de doden, terwijl we onze leden, dus ook de tong, voor God hebben te stellen als werktuigen van de gerechtigheid. Mogen de redenen van onze mond en de overdenking van ons hart toch welbehagelijk zijn voor het aangezicht van onze Rotssteen en Verlosser! (Ps. 19:15).

De tong bevlekt en verontreinigt niet alleen het gehele lichaam, maar ook het gehele menselijke bestaan van begin tot eind. En de gehele menselijke samenleving. Weten we het niet, dat de gehele wereld draait op de leugens die uit ’s mensen mond komen? De gehele loop van de natuur wordt in brand gezet door het kleine tongevuur, zoals een geheel bos door een klein vuur.

En hoe komt het dat de tong tot zulke grote, maar vreselijke, dingen in staat is? Omdat de hel er achter staat. De tong wordt in vlam gezet door de hel, de bron van het boze vuur. Niet de satan wordt hier genoemd, maar de hel, omdat hel en vuur bijeen horen. Natuurlijk heeft satan ook zijn hand in het kwaad dat de mensenwereld via de tong binnendringt. Denken we maar aan Petrus, of aan Eva, die misleid werd door de slang en fout begon te gaan door de tong. Ze sprak verkeerd van God en schoof later de schuld op de slang, net zoals Adam de schuld op Eva schoof.

Bedenken we dit wat Jakobus ons schrijft wel eens als we spreken en voordat we spreken? Dat de hel de tong in vlam zet? Als we het meer zouden bedenken, zou er dan nog zoveel geroddeld worden? Zouden we dan God niet meer aanlopen en Hem vragen of Hij juist in de menselijke praatjes een wacht voor onze mond wil zetten en de deur van onze lippen wil behoeden?

Een niet te bedwingen kwaad, vol dodelijk venijn

”Want de natuur van alle wilde dieren en vogels, van kruipende dieren en van zeedieren, wordt getemd en is getemd door de menselijke natuur, maar de tong kan geen mens temmen; zij is een niet te bedwingen kwaad, vol dodelijk venijn” (Jak. 3:7,8).

Waarom gebruikt Jakobus toch zoveel voorbeelden uit het dagelijkse leven? In vers 7 al weer zo’n voorbeeld. Alle wilde dieren, vogels, kruipende dieren (o.a. reptielen) en zeedieren kunnen niet tegen de mens op. Hun natuur wordt en is getemd door de natuur van de mens. Dit laat zien dat de mens ver boven hen staat, vanwege zijn verstandelijke vermogens, en hen in zijn macht kan krijgen. Zo gaf Adam in het verleden de dieren namen, ten teken dat hij ze doorhad. Zo worden heden ten dage zelfs de dieren met de grootste kracht door de mens aan zich onderworpen. De kracht van olifanten wordt door de mens gebruikt, walvissen worden gevangen, dolfijnen doen wat de mens wil, al het vee is aan hem onderworpen. Kortom, de mens staat boven het dier en heeft het in zijn macht.

Maar heeft de mens zijn tong ook in zijn macht? Dat helaas niet. De tong kan door geen mens getemd worden. Het is net een wild beest. Hoe absoluut spreekt Jakobus. Geen mens! Nu begrijpen we ook zijn praktischevoorbeeld. De mens staat boven dedieren, maar niet boven zijn eigen tong. Laten we er niet over filosoferen of theoretiseren, maar simpel aannemen wat God ons hier zegt. Dat is ook de bedoeling van de voorbeelden van Jakobus. Ook ik ben niet in staat mijn tong te temmen. En toch wil God dat wij, gelovigen, onze mond en tong in bedwang houden. Als wij dat niet kunnen, God kan het wel. Daarom is het nodig om voortdurend in afhankelijkheid van God te leven, zoals onze Heiland ons voorgeleefd heeft. Het is dus mogelijk om dit niet te bedwingen kwaad, vol dodelijk venijn, aan banden te leggen. De mens kan dit niet, maar God wel.

Ja, de tong is een niet te bedwingen kwaad. Weten we het niet uit eigen ervaring? Hoe we er iets uitflapten, terwijl we het eigenlijk niet wilden? Hoe we aandikten wat ons verteld werd? Hoe we meenden iets te moeten zeggen, maar achteraf tot onze beschaming moesten merken hoe dwaas het was? De tong is venijnig, navolger van de slang. Ze is een dodend gif, want hoeveel is er al niet kapot gemaakt door een scherpe of zelfs vriendelijke tong?

Zegen of vloek

Met haar loven wij de Heer en Vader en met haar vervloeken wij de mensen, die naar Gods gelijkenis gemaakt zijn. Uit dezelfde mond komt zegen en vloek voort. Dit moest niet zo zijn, mijn broeders. Laat ook de bron uit dezelfde ader het zoete en het bittere opwellen? Kan een vijgeboom olijven voortbrengen, mijn broeders, of een wijnstok vijgen? Evenmin kan een zoute bron zoet water geven (3:9-12).

De tong is tweeslachtig. We kunnen er de Heer Jezus en God de Vader samen mee loven en er enkele ogenblikken later de mensen mee vervloeken. Maar door het vervloeken van de mens treffen we in feite God, want Hij is de Schepper. De mensen zijn naar Gods gelijkenis gemaakt. Bij deze woorden denken we terug aan de scheppingsdaad van God in Genesis 1:26: ”Laat ons mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis”. De mens was werkelijk op God gelijkend, toen Hij hem schiep. Vandaar ook het inzicht dat Adam had. Maar lijken de mensen na de zondeval nog op God? Ik geloof niet dat de Schrift dat rechtstreeks leert, ook niet hier in Jakobus. Als van Adam een geslachtslijst wordt gegeven die begint met Seth, wordt van de mens gezegd dat God hem schiep naar Zijn gelijkenis. Maar van Seth wordt gezegd dat hij een zoon is naar de gelijkenis van Adam, dus niet meer rechtstreeks van God (Gen. 5:1,3). Jakobus spreekt ook over de wording van de mensen, dus over de scheppingsdaad.

Kan nu uit dezelfde mond zegen ten opzichte van God uitgaan en vloek ten opzichte van de mens? Ja, het gebeurt in de praktijk van het leven. Maar het moest niet zo zijn. Dat houdt Jakobus zijn broeders voor en hij maakt het duidelijk met voorbeelden uit de natuur. Er is een bron met water die via een waterader het water laat opwellen. Uit dezelfde ader kunnen geen twee soorten water opborrelen, het zoete en het bittere. Er is een bron, een ader en water. De bron kunnen we vergenken met ons hart, van waaruit de uitgangen van het leven zijn. Daaruit komt het goede of het boze voort. De ader is te vergelijken met de tong en het water met de gesproken woorden. In de natuur is het onmogelijk dat zoet en bitter water via dezelfde ader komen. Zo zou het met onze mond ook moeten zijn. Wordt op onze lippen het zoete gevonden? En tegelijkertijd het boze? Dat moest niet zo zijn.

Vervolgens stelt Jakobus nog twee vragen aan zijn broeders, die ze gemakkelijk zelf kunnen beantwoorden. Een vijgeboom brengt geen olijven voort en een wijnstok geen vijgen. Zo kan een zoute bron geen zoet water geven, evenmin als een ongereinigd hart het goede kan voortbrengen. Is ons hart echter gereinigd, dan wenst God dat het zoete water van Zijn woord ook over onze lippenkomt en dat we ons hoeden voor het uitflappen van het verkeerde. Uit de overvloed van het hart spreekt de mond. Is mijn hart daarom bezig met de dingen van de Heer?

Een goede wandel in zachtmoedigheid van de wijsheid

”Wie is wijs en verstandig onder u? Laat hij zijn werken tonen uit een goede wandel in zachtmoedigheid van de wijsheid” (3:13).

Waarom toch in vraagvorm? Moesten ze zich zo niet in het bijzonder afvragen voor Gods aangezicht of ze wel werkelijk wijs en verstandig waren? Och, wat denken we vaak veel aan en van onszelf, maar wat zijn we in het licht van God? Zijn we overweldigd door zijn goedheid en luisteren we naar Zijn stem, of menen we van onszelf wijs te zijn? Ware wijsheid begint met het luisteren naar God, met ons hart. De vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid. leder zondaar is dwaas. Door de zonde zijn we allen onwijs geworden, maar worden we door de wedergeboorte plotseling allen wijs? O, nee. Alleen in de verborgen omgang met de Heer leren we wijs te handelen. Van Hem kunnen we leren hoe we onze kennis ook in de praktijk kunnen toepassen.

Als er onder de Joden mensen waren die zich lieten voorstaan op hun inzicht in de gedachten van God, moesten ze bij zichzelf maar eens nagaan of ze ook in staat waren hun tong in toom te houden. Broeders en zusters, weten we van onszelf niet hoe gemakkelijk het is te praten en te praten, en hoe moeilijk het is Gods wil te verwerkelijken en ernaar te leven? Ware wijsheid is met de mond niet verder dan met de praktijk. Werkelijk verstand weet wie God is en wie de mens is en handelt daarnaar.

De praktijk van de Israëlieten aan wie Jakobus schrijft, was zo heel erg triest. Zo geheel anders dan de theorie van de mond. Dat zien we in het volgende vers, vers 14. Juist daarom was het nodig om na te gaan of erjuist onder hen mensen leefden die wijs en verstandig waren.

Hoe blijkt dat in de praktijk? Ware wijsheid handelt. Uit het goede gedrag moeten de werken getoond worden. Scherpe woorden zijn vaak geen blijk van zachtmoedigheid, laat staan van wijze zachtmoedigheid. Dat leren we alleen van de Heer. Jakobus zegt ons nu, dat ware wijsheid begint met een goed gedrag, naar buiten toe zichtbaar, waaruit dan vanzelf de werken voortvloeien, gekenmerkt door wijze zachtmoedigheid, geleerd van de Heer. Dat is heel wat anders dan lippentaal. Is mijn eigen praktijk ook op de hoogte van dit geschrevene? Ach, God wil bij gebrek aan wijsheid ons dat geven, als we oprecht tot Hem gaan in het besef, dat onsdie wijsheid ontbreekt. Dan geeft Hij mild en zonder verwijt. Dan kunnen ook de daden volgen.

Liegen tegen de waarheid

”Maar als gij bittere naijver en twistzucht in uw hart hebt, beroemt u dan niet en liegt niet tegen de waarheid” (3:14).

Wat een daden, wat een praktijk. Bittere jalouzie en twistzucht of partijzucht in het hart. Ja, uit het hart komen de verkeerde gedachten en daden voort. God ziet dieper dan wij. Is dit in de verborgen schuilhoeken van ons hart, of komt het al naar buiten? Als wejaloers zijn of altijd gelijk willen hebben zal dat eenmaal naar buiten komen. Dan beroemen we ons al snel op eigen gedachten. Dan is al snel het Woord van God niet meer genoeg. Onze uitleg, onze wetten en regels zijn belangrijker. Wat wij ervan denken is maatgevend. Maar waar blijft Gods waarheid dan?

Twist in het hart maakt, dat we ons gaan beroemen en gaan liegen tegen de waarheid. Wij beoordelen dan hoe God het bedoeld zal hebben en wij ontkrachten dan Zijn gedachten. Nietige schepselen! Liegen tegen de waarheid! Is het dan zo erg? Ja, zo erg. Dat moet God ons hier voorhouden. De waarheid, het Woord van God dat alle dingen in het juiste licht plaatst, wordt door mijn praktijk geweld aangedaan.

De woorden van Jakobus doen vermoeden dat de strijd ging om het gelijk willen hebben in bepaalde leerstellige dingen. Echter niet om Gods eer te verdedigen (O, ja, dat wordt wel beweerd!) maar zichzelf te zoeken. Laten we bij een verkeerde hartetoestand toch oppassen voor leerstellig twisten over waarheden. Dat is altijd fout, maar het wordt gevaarlijk bij twistzucht in het hart. Op die manier trachten we misschien onze ware gezindheid te verbergen, maar niet voor God. Geve Hij ons genade om ver te blijven van bittere jalouzie, opdat we niet vallen in het gevaar van liegen tegen de waarheid van Zijn gedachten en Woord. En zijn we toch jaloers en betweterig, laten we het oordelen, door onszelf in Zijn allesdoor­dringende licht te plaatsen. Hoe nodig is het onszelf eens te onderzoeken, persoonlijk en gemeenschappelijk. Twist is geen bewijs van wijsheid, al denken we nog zo vaak en veel van wel. Dat is niet de wijsheid die van bovenkomt, maar van de satan. Ze is aards, zinnelijk, duivels.

Aardse wijsheid

”Dat is niet de wijsheid die van boven komt, maar zij is aards, zinnelijk, duivels. Want waar naijver en twistzucht is, daar is verwarring en allerlei kwaad” (3:15,16).

O, wat een scherpgetekende woorden. Men kan wel zeggen de wijsheid in pacht te hebben en de zuiverste waarheid te bezitten, maar als het hart jaloers is, bewijst dat alleen een aardse wijsheid, gekenmerkt door menselijke, natuurlijke gevoelens en een duivelse achtergrond. Een voorbeeld van aards, natuurlijk denken vinden we in Petrus, nadat hij kort tevoren Gods woorden had gesproken (Matth. 16). Wij verwachtten, misschien niet van Petrus dat hij spreekbuis kon zijn van satan, maar de Heer moet tegen hem zeggen: ”Ga weg, achter Mij, satan”. Hij bedacht de dingenvan de mensen en liet zich leiden door menselijke gevoelens. Wij zouden misschien geoordeeld hebben, dat hij uit liefde tot zijn Heer trachtte Hem het lijden te besparen, maar de Heer Zelf ziet dieper. Hij zag dat satan probeerde door middel van de menselijke gevoelens van Petrus Hem van het lijden te weerhouden, dat God voor Hem had geplaatst. Daarom Zijn scherpe oordeel.

Ook wij kunnen ons laten leiden door aardse dingen en natuurlijke gevoelens, maar hoe gevaarlijk is dat, vooral in de dingen van God. Satan tracht daardoor de waarheid van God te verzwakken.

Hoe blijkt nu of menselijke, aardse wijsheid in het spel is? Uit ons gedrag en de resultaten. Waar de beschreven jaloersheid (dat is helaas, helaas, vaak in geestelijke dingen mogelijk) en rivaliteit zijn of aan de oppervlakte liggen, daar is geen christelijke eenheid, maar lawaai en geschreeuw en tenslotte allerlei verkeerde praktij­ken. Zo was het in het midden van de twaalf stammen, waar geloot en ongeloof met eikaar samenkwamen. Zo is het ook in de christenheid, waar geloof en naamchristendom hand in hand gaan.

In Korinthe werden soortgelijke dingen gevonden, zelfs na al de vermaningen in de twee Brieven die Paulus hen schreef. Hij zegt: ”Ik vrees, dat als ik kom, ik u niet zó vind als ik wens en ik door u zó gevonden word als gij niet wenst; dat er misschien twist, naijver, toorn, partijzucht, laster, kwaadsprekerij, verwaandheid, verwar­ring is” (2 Kor. 12:20). Alleen berouw en terugkeer tot God kan dit kwaad genezen.

De wijsheid van boven

”Maar de wijsheid die van boven is, is in de eerste plaats rein, vervolgens vreedzaam, inschikkelijk, gezeggelijk, vol barmhartig­ heid en goede vruchten, onpartijdig, ongeveinsd” (3:17).

De wijsheid van boven is goddelijk, en zo geheel anders dan de wijsheid van de menselijke natuur, die gepaard gaat met twist en naijver. Zijn die dingen niet op de bodem van ieders hart?

O, hoe nodig is het toch bij God te zijn en van Hem wijsheid te ontvangen. En hoe vaak ontbreekt het ons niet daaraan? Jakobus spreekt niet voor niets.

De wijsheid van boven is in de eerste plaats rein. Dit woord rein komt hier wel heel sterk op de voorgrond, want het wordt op de eerste plaats gesteld, terwijl alle andere genoemde eigenschappen op de tweede plaats komen. Het is alsof God eerst het innerlijke karakter van de wijsheid wil beschrijven en daarna pas de vruchten en de naar buiten tredende kenmerken. De wijsheid is rein in zichzelf. Niet gereinigd, want dat is niet nodig bij wat het kenmerk van boven draagt. Denk maar aan Spreuken 8. Maar ze moet bij ons gevonden worden, wat betekent dat ons hart in Gods nabijheid moet zijn en we Zijn gemeenschap moeten genieten. Zijn er verhinderingen? Laten we ons dan reinigen, zoals de Heer Jezus rein is.

Eerst is het nodig het karakter en de heerlijkheid van God te zoeken, pas daarna lezen we over de uiterlijke zichtbare uitingen van de wijsheid. Ze is vreedzaam, wat zeggen wil, dat mijn eigenwil gebroken moet zijn (Heer, is dat zo?) en ik geneigd ben om te zwichten voor de ander, omdat ik een afkeer van onenigheid heb. De waarheid handhaven kan ook vreedzaam gebeuren. Wat zijn we soms scherp in onze woorden, waar het helemaal niet nodig is. Dat komt vaak omdat onze verdraagzaamheid zo gering is en we niet onder het beslag zijn gekomen van de wijsheid van boven. Die is verdraagzaam. In Filippi 4:5 wordt hetzelfde woord ook door inschikkelijkheid vertaald. Het betekent: Het redelijke, het billijke. Als dat bij mij gevonden wordt, zal ik niet op mijn rechten staan. O, wie is in dit opzicht wijs en verstandig onder ons? Onze Heer Jezus was dit op aarde. Paulus leerde het van Hem (2 Kor. 10:1, daar vertaald door goedertierenheid of welwillend­ heid).

Het volgende kenmerk is ook veelzeggend: Gezeggelijk. Laat ik mij wat zeggen, vooral als men persoonlijk wordt? Of ben ik direkt opvliegend, als men mij iets vertelt over mijn gedrag of wat dan ook? Ach Heer, mijn God, praten over uw gedachten is zo gemakkelijk, maar hoe gering is mijn verwerkelijking van uw wijsheid. Hoeveel schiet ik hierin tekort?

De wijsheid van boven is ook vol barmhartigheid en goede vruchten. Ze is aktief in het goede. Met deze wijsheid in het hart lijken we iets op God, Die rijk is aan barmhartigheid. Barmhartigheid wordt bewezen tegenover hem of haar die in ellende verkeert. Vol goede vruchten. Goede vruchten zijn er alleen als we God de leiding in ons leven geven. Vullen we zelf maar in wat onder goede vruchten verstaan wordt.

De laatste twee eigenschappen kunnen alleen maar vanuit het negatieve benaderd worden. De wijsheid van boven is onpartijdig, of zonder onzekerheid ten opzichte van onze medemens, en ongeveinsd. Hoeveel wordt er geveinsd in deze wereld, in de christenheid en zelfs onder de ware gelovigen? Liefde wordt soms geveinsd en geloof kan geveinsd zijn. Ware wijsheid, uit goddelijke bron, is ongeveinsd.

Aan al deze genoemde vruchten kent men de boom. Welkeboom wordt bij ons gevonden? Die van aardse, natuurlijke, duivelse wijsheid (en hoe gemakkelijk voor ons, van nature) of de boom van de goddelijke wijsheid. Opnieuw: Als ons wijsheid tekort schiet, God wil geven. Mild en zonder verwijt. Als we vragen in geloof.

Vrucht zaaien

”Maar de vrucht van de gerechtigheid wordt in vrede gezaaid
voor hen die vrede maken” (Jak.3:18).

Vers 13 is positief. Vers 14 begint met ”maar” en is negatief. Dat gaat zo door tot vers 16. Vers 17 begint weer met ”maar” en stelt ons opnieuw het positieve voor. Tenslotte begint ons vers weer met ”maar”. Nu weer negatief? Nee. Het is een uitbreiding van het vorige vers. God wijst ons met dit vers niet alleen op dat wat we geleid door de wijsheid mogen doen, maar ook op de zekere gevolgen van het nastreven van vrede met de onzen en met allen.

In een wereld van onvrede mogen zij die God echt kennen vredestichters zijn. Juist onder Israël, aan wie Jakobus schrijft. Hoe vaak was er onder hen geen nijd en strijd. De ware vrede onderling heeft vaak en veel ontbroken. Vanaf de scheuring van het rijk onder Rehabeam (een zaak die van de Heere geschied was, om hen te beproeven) was er oorlog tussen Juda en Israël. Totdat God de tien stammen wegvoerde. Daarna was de verscheurdheid in Juda niet afgelopen. Altijd was er verdeeldheid, zelfs toen God hen na jaren van ballingschap weer naar hun land terugbracht. Hoe groot was de onvrede in de tijd van de rondwandeling van onze Heer, in het grote en het kleine. En daarna. Dat blijkt wel uit wat Jakobus ons tot nu toe gezegd heeft. Vaak is er geen vrede onderling, maar ze kan gemaakt worden. Met vrede wordt hier gedoeld op dat wat tussen mensen onderling gevonden wordt en naar buiten toe zichtbaar is. Het is hier niet de vrede voor het hart die God schenkt. Dat moet wel vooraf gaan, want alleen zij die nieuw leven uit God bezitten en vrede in het hart hebben kunnen vrede maken. Dat kunnen ongelovigen niet werkelijk. Voor zulke kinderen van God die vrede maken zijn wondere beloften weggelegd, waarvan dit vers er één is. Vrede en gerechtigheid horen samen te gaan. In Jakobus is gerechtigheid steeds praktisch en de betekenis is: handelen naar dat wat recht is in Gods ogen. Handelen we zo, in vrede, dan maakt God dat er vrucht voortvloeit of zal vloeien. Die vrucht van gerechtig­heid wordt gezaaid (dit is nog geen oogst!) voor hen die vrede maken en die niet alleen maar nastreven. Het is God aangenaam dat ik vrede najaag, maar nooit ten koste van Zijn rechten. Wat een zegen dat we zonen van de vrede mogen zijn in een wereld vol oorlog. Maar het zal niet erg gewaardeerd worden, want de wereld van nu drijft op de leugen van gisteren. Ook de christenheid is verscheurd, maar gerechtigheid en goddelijke vrede worden niet aanvaard. Men wil liever eigen gedachten volgen dan gehoorzaam zijn aan Gods Woord. Zo blijft ook de praktische vrede uit, in het grote en in het kleine.

Handel ik naar Gods rechten, maar met onvrede in het hart en tegenover mijn medepelgrims? Dan kan God niet zegenen, hoe ik de waarheid ook vasthoud. Hij kan alleen zegen geven als ik door het nieuwe leven ook in de praktijk de vrede zoek en rechtvaardig, in vrede, handel. Dan wordt hier op aarde al vrucht gezaaid, iedere keer weer opnieuw, die straks nog veel meer vrucht zal voortbren­ gen. leder die in vrede gerechtigheid najaagt zal in zijn leven vrede en gerechtigheid ervaren. Zo is er rust in het hart en geen innerlijke strijd. Als mijn hart het verlangen heeft met de broeders en zusters en ook met de mensen om mij heen in vrede te leven, zal ook mijn innerlijke vrede blijven. Dat is een heerlijke vrucht, maar het volle loon, de werkelijke oogst, ligt in de toekomst, hoewel Jakobus over deze oogst niet spreekt. Zo zal het ook voor Israël zijn. In de grote verdrukking zijn er vredestichters die naar Gods gedachten willen leven. In het vrederijk volgt de volle beloning. Dan zal het werk van de gerechtigheid vrede zijn en de werking van de gerechtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid (Jes.32:17).

In zekere zin kunnen we dit vers beschouwen als de tegenhanger van hfdst. 2:13. Daar zal onherroepelijk en met ijzeren wetmatig­heid het oordeel zijn over hem die geen barmhartigheid bewezen heeft. Hier is het onherroepelijk waar dat de vrucht van de gerechtigheid gezaaid wordt, zodat er zeker vrucht uit voortvloeien zal.

Ik vond dit vers moeilijk te begrijpen, om nog maar te zwijgen van mijn verwerkelijking ervan. Zou een broeder die juist door Gods oefening dit vers begrepen heeft, hoe zwak we alles ook verwerkelijken, mij eens willen schrijven of er in dit vers nog meer ligt besloten dan ik heb getracht weer te geven? De Heer heeft ons aan elkaar gegeven om samen Zijn gedachten te vinden.

(c) copyright Uit het Woord der Waarheid, Winschoten, april ’76
Met toestemming overgenomen voor electronische distributie door Bijbelstudie-BBS