BijbelArchief
Jacobus hoofdstuk 2
Jacobus hoofdstuk 2
 

Jacobus hoofdstuk 2
M. J. Arentsen


Praktisch geloof

”Mijn broeders, hebt het geloof van onze Heer Jezus Christus, (de Heer) der heerlijkheid, niet met aanzien des persoons” (Jak. 2:1).

Uit hoofdstuk 1 leerden we al dat Jakobus met de uitdrukking ”Mijn broeders” speciaal de gelovige Israëlieten bedoelt, zorgvuldig ondeischeiden van de gehele natie die hij voor de aandacht heeft. In 1:2 zegt hij dat hun geloof beproefd wordt. In 1:16-18 spreekt hij tot hen die zijn voortgebracht door God. In 1:19-21 gaat het om de broeders die het ingeplante Woord ontvangen. Hier hebben de broeders die hij aanspreekt het geloof van onze Heer Jezus Christus. Jakobus sluit zich bij zijn broeders aan en noemt de Heiland heel persoonlijk: onze Heer Jezus Christus. Deze namen vinden we samen genoemd alleen nog in hoofdstuk 1:1. Verderop in de Brief worden de namen Jezus Christus niet meer genoemd, maar lezen we over God en de Heer.

Er wordt hier nog iets heerlijks van de Heer bij vermeld. Hij is de Heer van de heerlijkheid. De woorden ”Heer van” ontbreken in het Grieks, wat de nadruk des te meer legt op de heerlijkheid, die bij Hem hoort. Al zijn heerlijkheid wordt hier m.i. bedoeld. We denken dan aan de heerlijkheid die Hij voor de grondlegging had, de heerlijkheid die Hij nu ook als Mens ontvangen heeft (Joh. 17:5). Het is de heerlijkheid van de opgestane en ten hemel gevaren Heer, die straks terug zal komen om de heerlijkheid van het vrederijk te bezitten. Hij is die Heer die van God, de Vader, eer en heerlijkheid ontving, toen van de luisterrijke heerlijkheid zulk een stem tot Hem gericht werd: ”Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb”, bovenop de heilige berg (2 Petr. 1:17). Zijn heerlijkheid is dus die heerlijkheid die Hij had, nu heeft, in het vrederijk bezitten zal en tot in alle eeuwigheid hebben zal.

Wat is het dan geweldig te bedenken dat Hij, die zo’n heerlijkheid deelachtig is, in alle nederigheid op aarde was. Hij verachtte de mensen niet, maar had ons lief, of we nu arm of rijk zijn. Hij keek niet naar een maatschappelijke positie, want Hij zag de persoon van de mens niet aan. Zijn vernedering zien we Zijn gehele leven door. Hij werd geboren uit de nederige maagd Maria en werd gelegd in een kribbe omdat voor Hem geen plaats was in de herberg! De Schrift gaat in stilzwijgen voorbij aan de eerste dertigjaren van Zijn leven, met één uitzondering, de geschiedenis van de twaalfjarige Jezus in de tempel, om ons te laten zien dat Zijn hart uitging naar de dingen van Zijn Vader. De Bijbel vermeldt ons alleen dat Hij in die periode Zijn ouders onderdanig was. Hij woonde in Nazareth, een verachte plaats en toen Hij in het openbaar optrad had Hij niets om Zijn hoofd op neer te leggen. Zelfs Zijn vijanden moesten van Hem getuigen dat Hij de persoon niet aanzag, hoewel met bijtende spot, want Hij handelde zo geheel anders dan zij (Matth. 22:16). Hij die zo’n heerlijkheid bezit schaamde Zich niet de gestalte van een slaaf aan te nemen. Hij is ons Voorbeeld, opdat wij Zijn voetstappen zouden navolgen, ook in dat wat Jakobus aan ons voorhoudt.

Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament verlangde God al van de mens dat zij de persoon niet zouden aanzien, vooral in de rechtspraak. Zie bijvoorbeeld Deutr. 1:17; Spr. 24:23 en 28:21; Rom. 2:11. God staat ver boven al wat de mens belangrijk vindt, zoals rijkdom, een goed verstand, een goede positie in de wereld, het zijn van Jood of heiden enz. Regelmatig zegt de Schrift dat Hij de persoon van de mens niet aanziet. God laat Zich niet door natuurlijke dingen misleiden. Zie Hand. 10:34; Ef. 6:9; Kol. 3:25. Daarom mogen ook wij ons niet door natuurlijke dingen laten leiden in ons gedrag ten opzichte van de broeders. En hoeveel vormen en graden van het aanzien van de persoon zijn er niet? Is er bijvoorbeeld nog steeds standsverschil onder ons? God veroordeelt het, ziet u maar naar het voorbeeld dat Jakobus vervolgens geeft.

Het niet aanzien van de persoon houdt natuurlijk niet in dat we vader en moeder niet moeten eren of eerbied moeten hebben voor de ouderen. En ook niet dat we iemand met een geestelijke gave gaan verachten. Dit is totaal iets anders dan het aanzien van de persoon, want dat is rekening houden, in het geestelijke vlak, met stand, rang en macht in de wereld. En dat is God een gruwel.

Gedrag tegenover arm en rijk

”Want als er in uw synagoge een man binnenkomt met een gouden ring, in prachtige kleding, en er komt ook een arme binnen in vuile kleding, en gij ziet op naar hem die de prachtige kleding draagt en zegt; Zit gij hier op een goede plaats, en tot de arme zegt gij: Sta gij daar, of: Zit hier onder bij mijn voetbank, hebt gij dan niet bij uzelf onderscheid gemaakt en zijt rechters geworden met boze overleggingen?” (Jak.2:2-4).

Jakobus, de man van de praktijk, schildert zijn broeders een levendig voorbeeld voor ogen van het aanzien van de persoon. Twee mannen komen de synagoge (in het begin kwamen de gelovigen nog veel in de synagogen, zoals uit Hand. 22:19 en 26:11 blijkt) binnen, waar de joodse christenen voor geestelijke dingen vrij bijeen zijn. De één ziet er rijk uit, de ander arm. Wat zal men doen? Hoog opzien naar de rijke met zijn sjieke kleding en gouden ringen en hem een goede plaats aanwijzen, terwijl de arme achteloos een staanplaats of een nederige zitplaats toegemeten krijgt? Indien dat gedaan wordt hebben de broeders bij zichzelf een twijfelachtig onderscheid gemaakt naar dat wat voor ogen is en niet naar dat wat goddelijk is. Door zo’n handelwijze zijn ze rechters geworden met verkeerde overleggingen. De arme werd om zijn lage maatschappelijke plaats veroordeeld tot een lage plaats in de synagoge, terwijl de rijke om zijn geld, invloed of positie met eer omgeven werd, want wie weet wat voor voordeel daaruit te behalen zal zijn? Ja, Jakobus stoot door tot de bron, het hart. Door verkeerde overleggingen werd het gedrag tegenover de rijke en de arme bepaald (negotie, negotie) en niet door liefdevolle, goddelijke motieven.

Om zijn geliefde broeders goed te doordringen van de ernst van zulk verkeerd gedrag, houdt Jakobus hun twee grote waarheden voor:

1. God denkt met Zijn geestelijke zegeningen in het bijzonder aan de armen in de
    wereld.

2. De rijken zijn meestal de grootste vijanden van God, Zijn Christus en de gelovigen.

Dat zou de zaak toch moeten beslissen? Vooral als we ook nog bedenken dat de Heer der heerlijkheid om onzentwil arm is geworden. Laten we toch niet oordelen naar het uiterlijk en de persoon aanzien.

Twee klassen: armen en rijken

”Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet de armen naar de wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben? Maar gij hebt de arme oneer aangedaan. Zijn het niet de rijken, die u voor de rechtbanken slepen? Zijn zij het niet, die de uitnemende Naam die over u aangeroepen is, lasteren?” (vers 5-7).

Twee punten houdt Jakobus zijn geliefde broeders voor, om hen ervan te doordringen, dat ze rijke mensen niet moeten bevoordelen boven arme, met een betere plaats in hun synagoge. Kortom, om de persoon niet aan te zien. En beide waarheden behandelt hij in vraagvorm, om Gods gedachten en de menselijke boosheid scherp voor hun aandacht te brengen. De twee punten zijn:

1. God zegent juist de armen.

2. De rijken zijn vaak de grootste vijanden van de gelovigen.

Zij begonnen met de rijken, Jakobus begint met de armen. God heeft juist voor de maatschappelijk armen een blijde boodschap. Onze Heer las in de synagoge te Nazareth uit de Griekse vertaling van Jesaja 61:1 voor, dat Hij gezalfd was om aan armen het evangelie te verkondigen (Lukas 4:18). Aan Johannes de Doper laat Hij de boodschap doorgeven dat aan armen een blijde boodschap wordt gebracht (Mattheüs 11:5). Dat was naar Gods gedachten. God heeft in het bijzonder de groep van armen op het oog om hen geestelijk te zegenen. Vandaar dat er in de rijke landen zo weinig mensen tot geloof komen, omdat ze God niet nodig denken te hebben. Vandaar dat Paulus tegen de Korinthiërs zegt: ”Want ziet uw roeping, broeders, dat er niet vele wijzen zijn naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele aanzienlijken; maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen, en het onaanzienlijke van de wereld en het verachte heeft God uitverkoren: wat niets is, om wat iets is te niet te doen, opdat geen vlees zou roemen voor God” (1 Kor. 1:26-29). Paulus spreekt over uitverkiezing, Jakobus ook. Juist van de verachten. Hen die naar de maatstaven van de wereld arm zijn heeft God uitverkoren om rijk te zijn in geloof. Als armen geloven in de Heer Jezus en Zijn verlossingswerk, zijn zij rijk, geestelijk rijk. Bovendien heeft God hen uitgekozen om erfgenamen te zijn van het koninkrijk. Dit is het koninkrijk waarin de Heer Jezus zal regeren, in de Bijbel ook het duizendjarig rijk genoemd. Dat rijk is nog niet gekomen. De gelovigen hebben het nog niet ontvangen, maar zij zijn erfgenamen, want het rijk zal komen. Zij zullen leven als dat rijk op aarde zal zijn.

Deze woorden gelden ook voor hen die na de opname van de Gemeente vóór de komst van het vrederijk in God en Zijn Messias geloven. Ook hen heeft God het rijk beloofd, al in het Oude Testament. Zie bijvoorbeeld Jesaja 11 en 12, 51 en 52. Hij heeft het beloofd aan allen die Hem liefhebben, dus aan allen die in Hem geloven. Ongelovigen hebben Hem niet lief, maar wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Zou er één gelovige zijn die God niet liefhad? Onmogelijk. Maar blijkt deze liefde tot God ook uit onze praktijk? Jakobus noemt het hier niet voor niets.

Wat een zegeningen heeft God voor de armen die in Hem geloven, reeds nu. Door hun foutief gedrag hebben de broeders die de persoon aanzien de arme, voor wie God zulke zegeningen heeft weggelegd als hij gelooft, zelfs onteerd. Jakobus moet deze opmerking nog even maken voordat hij overgaat naar het tweede punt, het gedrag van de groep van rijke mensen. In het algemeen zijn het de rijken die de gelovigen geweld aandoen, door ze steeds weer opnieuw op de één of andere manier te onderdrukken en zelfs voor de rechtbanken te slepen. En met hun geld krijgen ze de rechter wel op hun hand. Dat op zichzelf laat al zien wat voor haat en kwaad er in hun hart huist, maar Jakobus stopt niet bij dat wat ze mensen aandoen. Hij spreekt ook over dat wat ze de Heer aandoen: door hen wordt de goede Naam die over de gelovige broeders is uitgesproken gelasterd. In Saulus zien we een voorbeeld van een onbekeerd vooraanstaand persoon die de heiligen verdrukte, strafte, in gevangenissen sloot en hen dwong te lasteren. Hij raasde in feite tegen Christus. Wat een genade dat God hem tegenkwam en hij zich met berouw van zonde en schuld tot God gekeerd heeft.

Met de goede Naam die over de broeders was aangeroepen wordt vooral de Naam van de Heer Jezus bedoeld. Saulus meende dat hij veel vijandigs moest doen tegen de Naam van Jezus van Nazareth. Het is de Naam waarin de Joden zich na hun bekering lieten dopen tot vergeving van zonden. Een goede, heerlijke Naam voor ons die geloven, waard om ons leven voor over te geven (Hand. 15:26). Maar een Naam die door de rijken gelasterd wordt. Is er groter tegenstelling mogelijk? Zouden we dan mensen uit zo’n klasse in onze samenkomsten bewonderend bejegenen, ten koste van de armen, om er misschien voordeel van te hebben? Laten we arm en rijk toch dezelfde plaats gunnen en hen liefhebben als onszelf.

De koninklijke wet

”Als gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: ”Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf”, dan doet gij wél. Maar als gij de persoon aanziet, doet gij zonde en wordt door de wet overtuigd als overtreders” (Jak.2:8,9).

De koninklijke wet is niet de wet van de tien geboden, maar dat wat de grote komende Koning op aarde zo graag bij Zijn volgelingen ziet. De Heer Jezus, die Zich in Mattheüs aan Zijn volk als de Koning presenteert, gaf in de magistrale rede van hoofdstuk 5-7, de zogenaamde bergrede, aan Zijn discipelen Zijn gedachten over hun gedrag in het komende Koninkrijk. Daar vinden we de koninklijke wet, de woorden van de Koning, die Gods geboden uit het Oude Testament uitbreidt en uitdiept. De Joden hadden gehoord dat er gezegd was hun naaste lief te hebben en hun vijand te haten (dit laatste kwam niet van God, maarvan de schriftgeleerden), maar Hij zei hen hun vijanden lief te hebben en te bidden voor hun vervolgers. Deze koninklijke wet is dus volkomen in overeenstemming met Gods gedachten in het Oude Testament, ze gaat alleen nog dieper en is dus nog onmogelijker te volbrengen door de natuurlijke mens. Jakobus spreekt over deze wet, die in overeenstemming is met het Schriftwoord: ”Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf”. Het is een beginsel dat door ongelovigen onmogelijk volbracht kan worden. Het vlees onderwerpt zich aan de wet van God niet, en het kan dat ook niet. Alleen gelovigen kunnen hun naaste liefhebben als zichzelf, omdat ze een nieuwe natuur ontvangen hebben die zich verheugt in de wil van God. Gods gedachten onder de wet, tijdens de aanwezigheid van de Heer Jezus op aarde, in onze tijd, in de grote verdrukking en in het vrederijk zijn altijd dezelfde, namelijk Zijn goddelijke liefde tonen aan de mensen die ons omringen. En eraan vooraf gaat: God lief te hebben boven alles, waar Jakobus in vers 5 al over gesproken heeft.

Voor ons is dit liefhebben van de naaste niet de wet van de tien geboden, een wet die van buitenaf aan de natuurlijke mens is opgelegd, maar een levensbeginsel dat ook in het vrederijk geldig blijft. God zal dan Zijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven.

Ja, wij zijn in staat om de koninklijke wet, het levensbeginsel dat de Heer aan Zijn discipelen heeft voorgehouden, te volbrengen omdat het leven van God in ons is. Maar doen we het ook? Of zien we de persoon van de mens aan? Als we de koninklijke wet volbrengen doen we goed, zegt Jakobus ons. Als we de persoon aanzien doen we zonde. Dan volbrengen we niet het koninklijk levensbeginsel om de naaste lief te hebben als onszelf, maar laten we ons leiden door de gedachten van de oude natuur. Dan veroordeelt ook de wet ons, want de wet is juist bestemd om zonde als overtreding aan de kaak te stellen. Dan worden we door de wet overtuigd als overtreders. De wet is dus niet voor onze nieuwe natuur, maar om aan te tonen dat de oude natuur, die alleen maar boze werken kan voortbrengen, onder het oordeel ligt. Is de oude natuur op de plaats van de dood, dan heeft de wet bij ons niets te veroordelen. En volgens de gehele leer van het Nieuwe Testament hoort het vlees van de gelovige thuis op de plaats van de dood en zijn we niet onder de wet, maar onder de genade.

Het overtreden van de wet

”Want wie de hele wet houdt, maar op één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle. Want Hij die gezegd heeft: ”Gij zult geen overspel plegen”, heeft ook gezegd:” Gij zult niet doden”. Als gij nu geen overspel pleegt, maar wel doodt, dan zijt gij een overtreder van de wet geworden. Spreekt zó en doet zó als zij die door de wet van de vrijheid geoordeeld zullen worden” (Jak. 2:10­ -12).

Als ik de persoon aanzie, heb ik mijn naaste niet lief. En dat wordt door de wet van Mozes al veroordeeld, hoeveel te meer is het dus onwaardig en zondig voor de gelovige die door de wet aan de wet gestorven is om voor God te leven. Onder de wet was dat onmogelijk, nu is het mogelijk door het nieuwe leven in ons. Johannes geeft in zijn Brieven juist als kenmerk van iemand die leven uit God bezit, dat hij zijn broeder liefheeft (1 Joh. 2:9-11, 3:10). De boodschap die wij van het begin af gehoord hebben is dat we elkaar zouden liefhebben.

Waarom spreekt Jakobus dan over de wet die overtuigt van overtredingen? Hij gebruikt het als voorbeeld en niet om te zeggen dat de broeders onder de wet zijn: Wie de wet houdt, en niet: Broeders, als gij de wet houdt. De wet wordt hier algemeen toegepast op ieder die de wet houdt. Jakobus richt zich tot Israëlieten die welbekend zijn met het Oude Testament en daarom kunnen leren van dit duidelijke voorbeeld, zonder te zeggen dat de gelovigen die hij aanspreekt verplicht zijn de wet te houden. Integendeel. Zij die geloven richten zich niet naar de wet van de tien geboden, maar naar een hogere wet, die van de vrijheid. Ons leven wordt niet bepaald door: dit mag niet en dat moet, maar door vrijheid en afhankelijkheid van God. Zij die de gehele wet van de tien geboden houden op één na, liggen onder het oordeel van het overtreden van de wet. Wat maakt dan het houden van de negen andere geboden nog uit? En de wet heeft oordeelsgezag omdat God haar gaf. Hij die gezegd heeft dat men geen overspel zou plegen is Dezelfde die sprak dat men niet zou doden.

Jakobus geeft dan het volgende praktische voorbeeld: Als iemand het gebod om geen overspel te plegen wel opvolgt, maar het gebod om niet te doden niet, dan is hij een overtreder van Gods heilige eisen geworden en daarmee een overtreder van de wet. De twee aangehaalde voorbeelden uit de wet, niet echtbreken en niet doden, hebben zeker te maken met ons onderwerp, de naaste lief te hebben. De Heer noemt ze tegenover de rijke jongeling in Lukas 18:20 in deze volgorde. Het zijn de eerste twee belangrijke geboden van de tweede stenen tafel, die het gedrag van mens tegenover mens regelt. De eerste tafel regelt het gedrag van de mens tegenover God. Maar Jakobus haalt de genoemde twee geboden toch meer aan als voorbeelden, dan om ons te vertellen dat de broeders die hij aanspreekt beslist deze geboden niet mogen overtreden. Dat weten we ook best. Natuurlijk zondigt een gelovige als hij echtbreekt, steelt of doodslaat, maar zijn negatieve geboden onze maatstaf? We hebben toch een leven ontvangen dat door hogere beginselen wordt beheerst? Wij worden niet beoordeeld naar de wet van de tien geboden, maar naar de hogere wet van de vrijheid. Leven we volgens de beginselen van het nieuwe leven en de daarmee verbonden vrijheid? Laten we ons bij alles wat naar buiten toe zichtbaar is, ons spreken en onze daden, leiden door het nieuwe levensbeginsel dat God wil dienen, de wet van de vrijheid? En wat in ons hart verborgen is komt op een gegeven ogenblik als woord of daad naar buiten. God wil ons hier de verantwoordelijkheid voorhouden om te leven volgens de wet van de vrijheid. We zijn vrij om als slaven God te dienen. We zijn vrij, maar niet om de vrijheid te hebben tot een dekmantel voor boosheid. Als ik blijf bij het volmaakte levensbeginsel van de vrijheid en me door de nieuwe natuur laat leiden, gaat het goed, altijd goed. Maar laat ik de oude natuur werkzaam zijn tegenover mijn naaste, dan moet in de regering van God het oordeel daarover komen. De zonde van David met Bathseba werd vergeven, maar de moord op Uria moest hij viervoudig aan den lijve ondervinden, doordat God hem vier kinderen door de dood ontnam.

Ja, wij worden door de wet van de vrijheid geoordeeld. God legt bij ons hogere maatstaven aan dan bij diegenen die de vrijheid niet hebben gekend. Doe ik iets in gehoorzaamheid en liefde tot God, dan is er loon, maar is mijn vlees werkzaam geweest tegenover de naaste, dan moet God dat oordelen. Voor gelovigen gebeurt dat op aarde, opdat wij niet met de wereld veroordeeld zouden worden in het eindoordeel. Ongelovigen kunnen op aarde voorspoed hebben, ook als ze onbarmhartig zijn, omdat God soms pas met hen afrekent in het eindoordeel.

Laten we toch dicht bij God blijven, ook in ons praktische leven, en in zelfoordeel onze weg gaan, opdat Hij ons niet hoeft tegen te komen.

Barmhartigheid en oordeel

”Want zonder barmhartigheid zal het oordeel zijn over hem die geen barmhartigheid betoond heeft. De barmhartigheid roemt tegen het oordeel” (Jak. 2:13)!

Dit vers is door het woordje want direkt met de vorige verzen verbonden, waarin Jakobus over drie wetten heeft gesproken: de koninkijke wet, de wet van de tien geboden en de wet van de vrijheid. Alle drie zijn verschillend van eikaar. De koninklijke wet vinden we vooral in de bergrede. De Heer diept daar de wet van Mozes uit met goddelijke gedachten over ons gedrag die zo hoog zijn dat een natuurijk mens ze niet kan volbrengen. De wet van de tien geboden is de wet die aan het volk Israël gegeven werd, een wet voor de natuurlijke mens, om aan te tonen dat hij onder het oordeel ligt en Gods eisen niet kan volbrengen. De wet van de vrijheid is het beginsel van het nieuwe leven dat geleid wordt door de kracht van de Heilige Geest en vrij God kan dienen.

Met de wet van de tien geboden is oordeel verbonden. Als een Jood overtreedt, moet het oordeel van God volgen. Maar ook de wet van de vrijheid kent oordeel. Als ik niet leef naar het koninklijk levensbeginsel van de naaste lief te hebben als mijzelf, dan toon ik geen barmhartigheid en zal het oordeel van God over mij komen. God geeft ons, om het zo uit te drukken, op ons brood terug wat wij anderen hebben aangedaan. Een klein voorbeeldje: Ik heb iemand wel eens verweten (is dat barmhar­tig­heid?) in brieven teveel uitroeptekens te gebruiken. Later deed ik het zelf. Wat een goddelijke ironie!

Het oordeel van God moet ons aansporen om dicht bij Hem te leven en ons niet te laten leiden door onze onbarmhartige oude natuur. In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan heeft de Heer ons Zijn voorbeeld nagelaten. Geve God dat we anderen niet scherp oordelen, maar barmhartigheid betonen, want we ontvan­gen terug wat we gegeven hebben. Als we aan onze naaste geen barmhartigheid hebben bewezen, kunnen we dan van God ontferming verwachten? Heel illustratief in dit verband is de geschiedenis van Mattheüs 18:21-35. Een slaaf die tienduizend talenten aan zijn Koning schuldig was werd gedagvaard om te betalen, maar hij had niets. Als hij zijn Heer smeekt om geduld te hebben laat deze hem vrij en scheldt hem de schuld kwijt. Zo heeft God ons vergeven. De slaaf heeft van zijn Heer barmhartigheid ondervon­den. Maar hoe handelt hij tegenover een medebroeder? Als hij zijn medeslaaf tegenkomt die hem iets schuldig is ontfermt hij zich niet, maar laat hem in de gevangenis werpen in plaats van de schuld kwijt te schelden. Dan komt zonder barmhartigheid het oordeel op zijn eigen hoofd terug. Zijn Heer noemt hem een boze slaaf, wordt toornig en levert hem over aan de folteraars. Hij liet in de gevangenis werpen en wordt nu zelf in de gevangenis geworpen. En nooit zal hij in staat zijn zijn grote schuld te betalen. De Heer Jezus voegt aan de gelijkenis toe: ”Zo zal ook mijn hemelse Vader u doen, als gij niet, een ieder zijn broeder, van harte vergeeft”.

We moeten een heilige vrees voor God en Zijn regeringsoordelen hebben, maar we zouden zo bang voor God kunnen worden dat we krampachtig gaan leven. En dat is nooit Gods bedoeling. Vandaar de heerlijke woorden: de barmhartigheid triomfeert over het oordeel. Een heilige, rechtvaardige God moet oordelen, maar Zijn wezen is liefde. God schept meer behagen in het betonen van genade dan in het uitoefenen van oordeel. Als we met een oprecht hart tot Hem gaan wil Hij barmhartigheid bewijzen die ver uitgaat boven Zijn oordelen. Hebben we dat bij onze bekering al niet ervaren? Hebben wij de genade die Hij ons bewezen heeft verdiend? Neen. neen, duizendmaal neen. Het is Zijn opzoekende innerlijke ontferming geweest die ons tegemoet kwam in onze ellende. Hij moest oordelen, maar toen we onze toevlucht tot de Heer Jezus namen kon hij triomferende barmhartigheid betonen. Zou Hij na onze bekering niet meer Dezelfde zijn? Als wil medemensen geen genade hebben bewezen moet Hij ons met Zijn oordelen tegemoet treden, maar zou Hij bij oprecht berouw geen barmhartigheid bewijzen, die ver uitgaat boven dat wat Hij bij ons veroordelen moest? Het kan zijn dat we de gevolgen van verkeerde daden moeten dragen, maar Hij wil juist dan tonen dat Hij vol van barmhartigheid en medegevoel is. Hij wil ons dan helpen om de last te dragen. Ja, we mogen op Zijn genade en ontferming rekenen, mits we oprecht zijn. In ons vers spreekt Jakobus niet over willekeurige zonden die we op ons brood terug krijgen, maar over de zonde van geen barmhartig­heid bewijzen.

Jakobus stelt de zaken hier heel algemeen, zodat het niet alleen kan worden toegepast op dat wat God ten opzichte van ons doet, maar ook op dat wat wij tegenover medemensen tonen. Soms moeten we een oordeel uitspreken, maar bij berouw mogen we grotere barmhartigheid bewijzen. En zou ons hart zich niet verheugen in het betonen van genade? Het is bij ons toch niet zo dat we meer behagen scheppen in oordeel dan in genade en ontferming? Als dat zo is hebben we nog niet veel van God geleerd en moeten we deze uitwassen oordelen. Onze oude natuur is onbarmhartig. Hebben wij harten vol liefde of vol kritiek? God wil zo graag dat we Hem gelijken, ook in het bewijzen van barmhartigheid.

Alleen maar zeggen

Wat baat het, mijn broeders, als iemand zegt dat hij geloof heeft en hij heeft geen werken? Kan het geloof hem redden?” (Jak. 2:14).

Tot gelovigen, de broeders die Jakobus aanspreekt, komt de vraag welk nut het heeft dat iemand met de mond zegt geloof te bezitten, zonder de werken te vertonen die uit het geloof geboren worden. Kan het geloof hem redden? Om deze laatste vraag van Jakobus goed te begrijpen moeten we dit in het verband laten staan, omdat er anders een tegenspraak schijnt te ontstaan met dat wat de geliefde broeder Paulus ons leert. Maar Jakobus en Paulus spreken elkaar niet tegen. Paulus beziet de zaak vanuit de verhouding tot God, terwijl Jakobus spreekt over de voor de mens zichtbare kant in de intermenselijke verhoudingen.

Gods kant van de zaak zien we ook in de redevoeringen van Petrus in Handelingen 2:21: ”En het zal gebeuren dat een ieder die de Naam van de Heer zal aanroepen, behouden zal worden” en Handelingen 15:11: ”Maar wij geloven door de genade van de Heer Jezus behouden te worden op dezelfde wijze als ook zij (gelovigen uit de heidenen)”. Hieraan vooraf ging het woord dat niemand het juk van de wet kan dragen. Paulus haalt in Rom. 10:13 dezelfde tekst aan als Petrus op de pinksterdag. En zo zouden we bewijs op bewijs kunnen stapelen dat de mens alleen behouden wordt op grond van geloof. Zie bijv. 1 Kor. 1:21, 15:2, Ef. 2:5,8, 1 Tim. 2:4-6, 2 Tim. 1:9, Jak. 1:21!!

Maar dit is niet in tegenspraak met de vraag van Jakobus: ”Kan het geloof hem redden, behouden?” Jakobus laat zien dat het hem te doen is om een levend geloof en niet om een orthodoxe belijdenis zonder leven. Daartegen waarschuwt hij. Men kan tot anderen wel zeggen te geloven, maar als dit nooit door een geloofsdaad blijkt, wat koop je er dan voor? Geloof zonder daden is een dood geloof, een uiterlijke zaak. En dat stelt Jakobus aan de kaak. Zo’n geloof dat alleen in het hoofd zit, maar niet in het hart, kan onmogelijk iemand behouden. En juist tot Israëlieten moest dit woord komen, omdat ze van vroeger gewend waren aan een uiterlijke vormendienst zonder dat er gevraagd werd naar de innerlijke toestand. Als een Jood zijn wetjes (Gods geboden en farizeeïstische mensengeboden) maar hield zou niemand iets van hem te zeggen hebben, maar of er ook leven uit God aanwezig was? Dat was nog de vraag. Daarom legt de Jakob van het Nieuwe Testament zo’n nadruk op geloof dat uit werken, geloofsdaden, blijkt.

Een voorbeeld

”Als nu een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel, en iemand van u zegt tot hen: Gaat heen in vrede, warmt u en verzadigt u, maar gij geeft hun niet, wat zij voor het lichaam nodig hebben, wat baat het? Zo is ook het geloof, als het geen werken heeft, op zichzelf genomen dood” (Jak. 2: 15-17).

Machtig voorbeeld, machtige conclusie. Er zijn ook in onze tijd broeders en zusters die gebrek hebben aan het nodige. Misschien niet meer zo vlakbij dat we mondeling met hen kunnen praten, maar als we aan Rusland, China, Zuid-Amerika, Afrika e.d. denken, zijn er velen. Er wordt hier natuurlijk niet gedoeld op die gelovigen die geen kleding of voedsel hebben omdat ze te lui zijn om te werken. Voor hen geldt het Schriftwoord: Wie niet werkt zal ook niet eten. Het gaat om diegenen die door omstandigheden die ze zelf niet in de hand hebben al langere tijd gebrek hebben aan de dagelijkse dingen. Kom ik nu hun omstandigheden te weten, hoe reageer ik dan? Zoeken we naar wegen om onze medegelovigen in Siberië te voeden en te kleden tegen de kou? Of zeggen we, met de armen over elkaar: Het zal wel goed komen. Bidden we voor hen of de machtige arm van God tussenbeide zal komen om hen te helpen en trachten we er ook in de praktijk iets aan te doen? En hoe staat het met hun geestelijke nood?

Door berichten uit Colombia weten we dat de broeders daar proberen de gelovigen die in de allerdiepte nood zitten te helpen, maar in dit soort landen is goddelijke wijsheid nodig opdat er geen misbruik wordt gemaakt van de christelijke naastenliefde. Als mensen tot ”bekering” komen omdat ze dan voedsel krigen moeten we hier en daar vraagtekens zetten. We mogen God ejchter smeken de broeders daar met wijsheid te begiftigen in verband met dit geefprobleem. Goddelijke liefde wil geven: ”Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet. En wij zijn schuldig het leven voor de broeders in te zetten. Wie nu aardse goederen heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden en zijn hart voor hem sluit, hoe blijft de liefde van God in hem? Kinderen, laten wij niet liefhebben met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid” (1 Joh. 3:16-18).

Maar ook in ons land zijn wel mogelijkheden om dit te verwerkelijken. Jakobus moet daartoe aansporen, omdat geloof zonder werken geen waarde heeft. Onze verzen tonen een egoïstische gezindheid en gebrek aan goddelijke liefde. Wat koopt een arme broeder of zuster ervoor als ik alleen woorden tot hem richt? Als er een arme gelovige tot mij komt met zijn dagelijkse nood, wat doe ik dan? Zeg ik alleen maar wat? Of wordt mijn hart ook bewogen? Blijkt mijn geloof uit praktische daden? Persoonlijk moet ik mij wel in Gods licht plaatsen om al de keren te veroordelen dat ik niet heb gehandeld naar Zijn wil. Bij mij is er vaak onwil en gemopper. O,ja, ik kan misschien heel vroom ptaten: Ga maar heen in vrede, God zal u wel kleding en eten geven”, maar als ik dan niet geef wat zij voor het lichaam nodig hebben, wat helpt praten dan? Misschien kan ik zelfs heel schriftgetrouw de woorden van de Heer Jezus in herinnering roepen: ”Weest niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten of wat gij drinken zult, ook niet voor uw lichaam, waarmee gij u kleden zult” (Matth. 6:25). Maar als ik hen niets geef is dit geloof in werkelijkheid zo dood als een pier.

O, mochten we toch veel bij God gevonden worden en de les dagelijks ter harte nemen. Misschien kunnen we niet precies zo doen als in het voorbeeld van Jakobus, maar er zijn toch omstandigheden genoeg waaruit mijn geloof in God ook tegenover de medegelovigen blijken kan. Als er geen werken zijn, is dat het bewijs dat er bij mij geen goddelijk leven, geen goddelijk geloof, is. Dan kan ik belijden wat ik wil en zo bijbelvast zijn als maar kan, maar mijn geloof is dan op zichzelf genomen dood. Het is voor God en mensen niets waard, want het heeft geen werken, terwijl goddelijk gegeven geloof wel werken heeft: ”Uit genade zijt gij behouden, door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet op grond van werken, opdat niemand roeme. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen” (Ef. 2:8-10).

Geloof uit werken tonen

”Maar iemand zal zeggen: Gij hebt geloof en ik heb werken. Toon mij uw geloof zonder werken en ik zal u mijn geloof tonen uit mijn werken”, (Jak. 2:18)

Voorwaar een moeilijk vers. De vraag kan namelijk rijzen of er hier twee personen aan het woord zijn of één. Wordt de eerste zin door iemand uitgesproken die Gods gedachten niet kent en meent werken en geloof te kunnen scheiden, en vinden we een antwoord hierop in het tweede deel van het vers? Of spreekt één persoon dit oprecht uit en verklaart het tweede stuk wat met het eerste wordt bedoeld? Wil een broeder hierop eens reageren? Persoonlijk heb ik het volgende overdacht:

Jakobus neemt een welbekend probleem bij de kop, waarover al veel strijd geleverd is. De woorden ”maar iemand zal zeggen” vormen een tegenwerping of antwoord op wat hij tevoren heeft gezegd. Voor de gedachte dat hier twee personen aan het woord zijn pleit o.a. het volgende: Jakobus spreekt in dit gedeelte van zijn Brief driemaal over Iemand”. In vers 14 is het negatief; ”iemand zegt wel, maar doet niet...”. Zo ook in vers 16: ”Iemand van u zegt ..., maar....” Beide keren zijn negatief. Waarom dan niet in vers 18? Dan is de betekenis: iemand die Gods gedachten niet kent meent geloof en werken te moeten scheiden. Hij meent dat sommigen veel praten over geloof zonder werken. Nu wil hij praten over zijn werken. Een tweede persoon zou dan antwoorden dat geloof en werken samen behoren te gaan. Het geloof tonen zonder werken is onmogelijk. En werken alleen deugen ook niet. Nee, het geloof moet getoond worden door de werken. Men mag geloof en werken niet loskoppelen.

Maar deze verklaring wringt hier en daar. De tweede persoon die antwoord geeft op de eerste met zijn: ”Gij hebt geloof, ik heb werken”, antwoordt namelijk niet rechtstreeks op het gestelde probleem. Dan zou hij hebben moeten antwoorden: ”U praat wel over werken, maar waar komen ze uit voort?” En dat staat er niet. Daarom blijft m.i. alleen de gedachte over dat één persoon dit gehele vers uitspreekt als verdediging tegenover het gestelde in vers 14, waar iemand zegt geloof te hebben, maar geenwerkenlaatzien. Het antwoord is: ”U zegt nu wel dat u geloof hebt, maar waaruit blijkt dat? Ik heb werken, met geloof verbonden”.

Dat hij zegt: ”Ik heb werken”, is hier geen eigendunk, maar waarheid. Dat blijkt uit het verdere. Toch zullen we zoiets niet snel tegenover anderen uitspreken. Laat een ander ons roemen en niet onze eigen mond.

Jakobus is, denk ik, expres wat vaag omdat hij wel weet hoe onze praktijk vaak is. Hij geeft een voorbeeld hoe er gesproken kan worden om de waarheid van God voor te stellen. Op de uitspraak ”Ik heb geloof’, antwoordt hij: ”Toon mij uw geloof dan maar eens zonder werken.” Dat kunt u onmogelijk. Ik kan wel het omgekeerde. Ik kan u mijn geloof wel tonen, namelijk uit mijn werken”. Werken en geloof horen bij elkaar. Goddelijk geloof geeft goddelijke werken.

God kent het hart. Hij weet of er waarachtig geloof aanwezig is zonder dat Hij daarvoor daden nodig heeft om het Hem te bewijzen. Maar tegenover mensen is zichtbaar bewijs nodig. Als ik voor mensen belijd geloof te hebben, moet ik dit ook in de praktijk tonen uit de geloofswerken. Zo alleen kunnen mensen zien of mijn geloof echt is of alleen hoofdwerk en lippentaal. Maar wie is tot deze dingen bekwaam?

Geloven dat God één is

”Gij gelooft dat God één is; gij doet wel; dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen” (2:19).

Uit het Oude Testament was de duidelijke waarheid bekend dat de Heere onze God een enig Heere is (Deutr. 6:4). De Heer Jezus bevestigt dit heel duidelijk in Markus: ”Hoor, Israël, de Heer, onze God, is een enig Heer” (12:29).

Ook de broeders aan wie Jakobus schreef geloofden dat God één is en dat was goed, ze deden wel. Maar wat helpt zo’n orthodoxe belijdenis van een grote waarheid, als het hart er niet bij betrokken is en de praktijk van het leven? Er kan een goede kennis van het Woord van God bij velen zijn en een verstandelijke overtuiging dat de christelijke waarheid van een enig God de juiste religie is, maar als er geen leven uit God zichtbaar wordt, is men er ellendig aantoe. Ook de boze geesten geloven de waarheid dat God één is (ze zien Hem dus ook niet, net zo min als wij), maar stuk voor stuk sidderen ze nu en worden ze straks in de poel van vuur geworpen die voor hen bereid is.

Is er misschien onder ons iemand met een volmaakte belijdenis, maar met een koud hart? Zonder leven? Dan wacht ook hem, ondanks zijn orthodoxie, de hel.

Jakobus wenst dat het geloof gezien wordt. Paulus stelt geloof tegenover ongeloof, maar Jakobus waar geloof tegenover vals geloof, zonder werken. Geve God dat er bij ons waar geloof aanwezig is, met de werken waaruit het geloof volmaakt wordt. Mogen we door daden bewijzen gerechtvaardigd te zijn door het geloof.

Misschien is er onder de lezers iemand die moet erkennen dat zijn geloof niet echt levend is? Onderzoek dan uzelf eens grondig en stel uzelf toch voor God met erkenning van de dode toestand waarin u leeft. Kom tot Hem en belijdt Hem uw schuld, ook de schuld dat u christelijk geleefd hebt zonder werkelijke vrede in het hart. Hij wil u vergeven als u oprecht tot Hem gaat zonder iets voor Hem te verbergen.

Abraham als voorbeeld

”Maar wilt gij weten, nietig mens, dat het geloof zonder de werken dood is? Is Abraham, onze vader, niet op grond van werken gerechtvaardigd, toen hij Izak, zijn zoon, op het altaar geofferd had? Gij ziet dat het geloof samenwerkte met zijn werken en dat het geloof uit de werken volmaakt werd. En de Schrift werd vervuld, die zegt:, En Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend en hij werd een vriend van God genoemd” (2:20-23.)

Iemand die meent geloof te kunnen bezitten zonder werken, wordt in het licht van Gods Woord geplaatst en een nietig mens genoemd, want wat is stof dat zich beroemt in vergelijking met Gods eeuwige gedachten? Jakobus vraagt zo iemand of hij voortaan bewust weten wil dat het geloof zonder de werken leeg en ijdel is? Dan voert hij hem of haar naar de gedachten van God die Hij in Zijn Woord heeft neergelegd. Om het onderwerp ”geloof zonder werken is dood” scherp af te ronden noemt hij twee sprekende voorbeelden uit het Oude Testament: allereerst Abraham, daarna Rachab.

Voor Abraham had de Israëliet grote eerbied, want hij was immers hun voorvader! Maar hij bewees op grond van werken rechtvaardig te zijn, terwijl vele Israëlieten juist het tegendeel bewezen door hun daden. Abraham bewees door daden zijn geloof in de God die doden opwekt, want hij offerde Izaäk, zijn eigen zoon, op het altaar, terwijl God toch gezegd had dat in en door Izaäk de zegen en een talrijk nageslacht zou komen. Zij die de geschiedenis kennen weten dat God op het laatste moment ingegrepen heeft en niet heeft toegelaten dat Abraham zijn zoon offerde, maar hier in Jakobus staat datAbraham Izaäk geofferd heeft, werkelijk geofferd heeft. En de Brief aan de Hebreeën zegt precies hetzelfde. Spreekt de Bijbel zichzelf dan tegen? Neen. God zag namelijk het hart van Abraham aan en Hij speurde daarin naar de bereidheid om te doen wat God hem vroeg: ”Nu weet ik dat gij Godvrezende zijt en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden”. Izaäk was de enige zoon door wie God Zijn beloften zou gaan vervullen en Abraham heeft hem geofferd.

De conclusie die Jakobus uit deze geloofsdaad van Abraham trekt is de doodslag voor het systeem van goede werken om de hemel te verdienen: ”Gij ziet dat het geloof samenwerkte met zijn werken”. Ook Jakobus zet het geloof voorop, maar de werken horen erbij: het geloof werd uit de werken volmaakt. En wat voor werken! De daad van Abraham zou zonder geloof geen goed werk zijn, maar moord op zijn eigen kind. Dit werk zou zonder geloof werkelijk kwaad zijn geweest en opstand tegen de God die het leven geeft. Nu God het vroeg bleek het geloof van Abraham uit zijngehoorzamedaad. Dat is iets geheel anders dan God een handje meehelpen en zo de hemel te verdienen.

De Schrift had over het geloof van Abraham al gesproken in Genesis 15:6 ”En hij geloofde in de Heere; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid”. Daarna kwam de geloofsbeproeving die hierboven genoemd is, beschreven in Genesis 22. Jakobus zegt nu dat door de gehoorzame daad van Abraham, lang na Genesis 15, de Schrift werd vervuld. Genesis 15 werd door Abraham ook in de praktijk bewezen. Hij bewees zijn geloof uit zijn werken en daarom kon God hem dit geloof tot gerechtigheid blijven rekenen. En later getuigt het Woord van God dat Abraham een vriend van God was, iets wat van geen ander in Gods Woord vermeld staat. Zie Jesaja 41:8 en 2 Kron. 20:7.

De werken van Rachab

”Gij ziet dat een mens op grond van werken gerechtvaardigd wordt en niet op grond van geloof alleen. En is niet evenzo Rachab, de hoer, op grond van werken gerechtvaardigd, toen zij de boden opgenomen en langs een andere weg uitgelaten had? Want zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder de werken dood. (Jak. 2:24-26).

Abraham was het eerste voorbeeld, Rachab het tweede. De les van het voorbeeld van Abraham was dat een mens uit werken die gepaard gaan met geloof, gerechtvaardigd wordt en niet op grond van belijdend geloof alleen. De werken horen erbij. Geloof staat voorop, maar de werken moeten volgen. Volgen de werken niet, dan is het geloof ijdel (vers 20). Het woord ijdel dat Jakobus hier bezigt, wordt in het Grieks gebruikt voor geld dat geen rente opbrengt, een akker die geen vrucht opbrengt, enz.

Het voorbeeld van Rachab is echter niet minder sprekend dan dat van Abraham. Rachab wordt hier de hoer genoemd, voorwaar geen vleiende benaming. Abraham was de voorvader van de Israëlieten, een geëerd man, maar Rachab een vrouw uit de vervloekte stad Jericho, met een lelijke achtergrond. Maar bij beiden werkte hetzelfde geloof in dezelfde God. Beiden bewezen uit hun werken dat ze God geloofden.

Ook Rachab is op grond van werken gerechtvaardigd. Ze had gehoord van de God van Israël, die begonnen was de schrik voor Israël te leggen op al de volken onder de ganse hemel (Deutr. 2:25). Ook Jericho sidderde en men was bang voor Israël. Maar de mensen van Jericho vertrouwden op hun muren en soldaten. Allen wisten, maar slechts één vrouw, Rachab, geloofde, dat de Heere het land aan Zijn volk gegeven had. Ze had gehoord dat de Heere de Schelfzee had laten verdrogen en dat het volk Sihon en Og, sterke Amorietische koningen, verslagen had. Ze erkende God als de God boven in de hemel en beneden op de aarde. Daarom nam ze de boden op. In Hebr. 11:31 worden ze de verspieders genoemd, hier de boden. Niet van Jozua, maar van God. Haar geloof in God bleek in de praktijk van haar leven door haar daden: ze nam de boden op en liet ze langs een andere weg weer uit. Menselijk gesproken was het landverraad, maar ze rekende met God en God rekende het haar als een geloofsdaad toe. Daarom kwam ze niet om met de ongelovigen en daarom staat ze zelfs, als één van de weinige vrouwen, in het geslachtsregister van onze Heer Jezus in Mattheüs 1.

Geloof is de enige deur om aan het oordeel te ontsnappen, zoals Hebr. 11 ons laat zien bij Rachab. En reddend geloof is nooit ijdel, zonder werken, volgens Jak. 2. Hebreëen 11 is geschreven om gelovigen te bemoedigen en een hart onder de riem te steken, terwijl Jakobus 2 geschreven werd om een leeg geloof aan het licht te brengen en naambelijders te veroordelen.

Jakobus sluit zijn onderwerp vervolgens af met de woorden: ”Want zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder de werken dood”. Let u eens op de drievoudige herhaling in de verzen 17, 20 en 26: zonder de werken dood. Een lichaam zonder geest is dood en hoort niet meer boven de aarde. De geest is de drijfkracht die zich uit door middel van het lichaam. Evenzo is het geloof zonder werken dood. Wij zouden zeggen, het geloof is de drijfkracht die zich uit door middel van de werken, maar Jakobus is de man van de praktijk die de zaak omdraait en zegt: vergelijk het lichaam met het geloof en de werken met de geest. Zonder de allesbepalende geest is het lichaam dood, zonder de allesbepalende werken is het geloof dood. Het lichaam is nodig, anders kan de geest zich niet uiten en het geloof is nodig, anders kunnen de werken er niet zijn. Maar de nadruk ligt op de geest en de nadruk valt dan vanzelf ook op de werken. Dat is namelijk het onderwerp dat Jakobus behandelt. De werken bewijzen of het geloof echt is.

(c) copyright Uit het Woord der Waarheid, Winschoten, april ’76
Met toestemming overgenomen voor electronische distributie door Bijbelstudie-BBS