BijbelArchief
Jacobus hoofdstuk 1
Jacobus hoofdstuk 1
 

Jacobus hoofdstuk 1
M. J. Arentsen

”Jakobus, slaaf van God en van de Heer Jezus Christus, aan de twaalf stammen in de verstrooiing: gegroet” (Jak. 1:1).

Jakobus, de slaaf van God en van de Heer Jezus Christus, is niet Jakobus de broer van Johannes, want die is al vroeg in de christelijke geschiedenis met het zwaard gedood (Hand. 12:2). Waarschijnlijk is hij ook niet Jakobus de zoon van Alpheüs, een ander van de twaalf apostelen, maar Jakobus de broeder van de Heer (Mark. 6:3). We vinden hem bijvoorbeeld in Johannes 7:3 en 5, waaruit blijkt dat hij tijdens de rondwandeling van de Heer Jezus op aarde niet in Hem geloofde. Maar na Zijn opstanding is de Heer hem verschenen en was hij bekeerd (1 Kor. 15:7), terwijl hij na de hemelvaart van de Heer bij de discipelen in Jeruzalem was, volhardend in de gebeden. In de Handelingen zien we hoe hij een vooraanstaande plaats onder de Joodse gelovigen in Jeruzalem is gaan innemen, zodat Paulus hem in Galaten 2:9 zelfs als eerste noemt van de steunpilaren in Jeruzalem, terwijl het woord van Jakobus uiteindelijk beslissend is in Handelingen 15:13. Hij was de belangrijkste man in Jeruzalem, wat blijkt uit Handelingen 21:18 en Galaten 2:12. Daarom was hij ook degene die het beste aan de Joden buiten het land schrijven kon. De nieuw­tes­ta­men­ti­sche Jakob schreef aan Israël, alle twaalf stammen in de verstrooiing. Hoewel de tien stammen praktisch verdwenen waren in de tijd dat Jakobus deze Brief schreef en ook nu niemand weet waar ze zijn, schreef Jakobus aan alle twaalf stammen buiten het land, in plaatsen waar ze eigenlijk niet thuishoren. Hij erkent nog steeds de band van God met heel Israël, omdat dit volk, ten tijde van het schrijven van de Brief nog niet totaal door God verworpen was. Men neemt aan dat de Brief betrekkelijk vroeg geschreven is, in ieder geval ruim voor de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Christus. Omdat Jakobus schrijft aan Israël in de verstrooiing, zal deze Brief ook gelden voor de tijd van de grote verdrukking, als God Zich Zijnvolk weer heeft aangenomen. Dan zal men het waarderen dat iemand zich ziet als een slaaf van God. Welke Israëliet zou dat niet respecteren? Ik vind het erg mooi dat Jakobus zich hier de slaaf van God en van de Heer Jezus Christus noemt en niet de broeder van de Heer. Hij wist wie de Heer ook voor hem was. En hoewel de Joodse massa de Heer Jezus straks zal verwerpen, zullen er toch uit alle twaalf stammen zijn, die evenals Jakobus, Jezus Christus als hun Heer erkennen. De naam Heer Jezus Christus komt verder alleen nog voor in hoofdstuk 2:1, weer een bewijs dat de Brief speciaal voor de Israëlieten geschreven is en ook is gericht aan de ongelovigen onder hen.

De groet van Jakobus is kort: gegroet. Geheel anders dan in de Brieven van Paulus, die vaak beginnen met genade en vrede van God, maar in overeenstemming met de wijze van groeten in de brief die geschreven werd na de vergadering over de kwestie van de wet voor gelovigen uit de heidenen in Handelingen 15:23. Zie ook de brief van Claudius Lysias aan stadhouder Felix (Hand. 23:26). Kennelijk had men de gewoonte in Israël en de wereld om zo te groeten. Jakobus kon in zijn Brief ook moeilijk groeten met genade en vrede, omdat er onder de twaalf stammen die hij aanschreef ook ongelovigen en huichelaars waren. Hij spreekt namelijk niet uitsluitend tot het gelovige deel onder de twaalf stammen in het buitenland.

”Houdt het voor enkel vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt, want gij weet dat de beproeving van uw geloof volharding werkt” (Jak. 1:2,3).

De verzoekingen die van buitenaf tot ons komen zijn beproevingen van ons geloof, met het doel volharding te bewerken. Volharding om de strijd op aarde vol te houden en het oog meer en meer op God te richten. Is het voor ons een vreugde in vele soorten van verzoekingen te vallen? Ik meen van niet. Voor het vlees in ieder geval niet. Vandaar de aanwijzing die Jakobus ons geeft, om dat wat voor het vlees niet aangenaam is toch voor vreugde, voor enkel vreugde, te houden. Dat kan alleen als we Gods liefde en wijsheid achter de beproevingen weten. Voor Abraham was het een diepe geloofsbeproeving zijn eniggeboren zoon te moeten offeren, maar hij heeft volhard en geloofd dat God machtig was Izaäk uit de doden op te wekken. In zijn hart had hij Izaäk al geofferd en dat was voor God voldoende. Met de beproeving heeft God aan Abraham ook de uitkomst geschonken. Maar wat een les heeft Abraham geleerd! Nog nooit was er iemand uit de doden opgewekt, maar hij geloofde dat God het kon. Had God niet gezegd dat in de zoon die hij moest offeren al de zegen voor de gehele wereld verankerd lag? Dan, zo overwoog hij, moest God zijn zoon weer tot leven wekken om Zijn beloften na te komen. Wat een geloof bij Abraham! Bij hem had de volharding een volmaakt werk en het ontbrak hem aan niets, want zijn God was met hem, de God die doden opwekt. - Vertrouwen wij ook zo op die God bij wie geen verandering is of schaduw van omkering, ook als de verzoekingen komen? Hij geeft meerdere genade.

”En als aan iemand van u wijsheid ontbreekt, laat hij die vragen aan God, die aan allen geeft, mild en zonder verwijt, en zij zal hem gegeven worden. Maar laat hij vragen in geloof, zonder te twijfelen (Jak. 1:5).

Wat een machtig vers en wat een almachtig God! Hoe vaak ontbreekt het ons aan wijsheid in de dingen die ons overkomen, in de menselijke contacten die we hebben, in de verzoekingen waarin we vallen. Hoe vaak ontbreekt het ons aan wijsheid om de verzoe­kingen die over ons komen op de juiste wijze te zien. Misschien menen we wel inzicht en wijsheid te hebben, maar hoe vaak vergissen we ons daarin? Ware wijsheid geeft ware praktijk, waarachtige zachtmoedigheid en een goede wandel. Ik mag mij beroemen op eigen wijsheid, maar als er bittere naijver ten opzichte van medegelovigen of zelfs wereldlingen in mijn hart is, is dat dan een bewijs van wijsheid? Nee, de wijsheid die van God komt kent geen twistzucht, maar is inschikkelijk, vol barmhar­tigheid en ongeveinsd. Ach, als ik dat overdenk, hoe vaak ontbreekt mij dan deze wijsheid. Wat een genade dan, dat we vrij tot onze God mogen gaan en van Hem deze wijsheid mogen vragen in geloof, zonder te twijfelen. Hoe vaak vragen we Hem met een vraagteken in ons hart? Die en die gelovige is zo hardhorend, zou ik die beproeving nog langer kunnen doorstaan? En zou God in staat zijn mij de wijsheid te geven om toch geduldig en liefdevol te zijn? Kijk, zo’n twijfelend vragen is in feite ongeloof. (Zeggen we dan: Heere, kom ons ongeloof te hulp’?) Dan moeten we niet menen dat we de gevraagde wijsheid van de Heer ontvangen. O, het hangt niet van Hem af, want Hij geeft aan allen, mild en zonder verwijt dat we niet eerder gekomen zijn en het eerst met onze wijsheid geprobeerd hebben. Nee, het hangt af van ons vertrouwen in Hem. Zou Hij dat beschamen?

Arm, rijk, beproefd

(Jakobus 1:9-12)

Arm en rijk wordt in Jakobus op de juiste plaats gesteld. De nede­ ri­ge broeder mag roemen in zijn hoogheid, de rijke in zijn vernedering, want aardse rijkdom gaat voorbij. Jakobus richt zijn Brief aan alle twaalf stammen van Isräel in de verstrooiing, buiten het land, ook aan de ongelovigen onder hen. Verderop in de Brief worden zij ernstig gewaarschuwd. Maar wanneer Jakobus broeder zegt of over broeders spreekt, doelt hij waarschijnlijk altijd op de gelovigen in Christus onder de twaalf stammen. Ook hier. De geringe broeder is hij die maatschappelijk niet zo hoog staat als de rijke. Maar hij mag roemen in zijn hoogheid. Dat is de plaats die hij als gelovige (in onze tijd: als christen) ontvangen heeft. Hij mag genieten, bewust genieten, van zijn gemeenschap met God en Christus en mag weten dat hij de toekomstige heerlijkheid met zijn Heiland delen zal.

Aan de andere kant wordt de maatschappelijk rijke vermaand een nederige plaats in te nemen en zich niet te beroemen op geld of goed. Is dat in onze tijd ook geen groot gevaar? De rijke mag Christus navolgen, die Zich vernederde, terwijl Hij rijk was (Zie Hand. 8:33 en 2 Kor. 8:9). Is dat geen mooie en gelukkige, maar moeilijke, plaats? Wat heeft hij eraan zich te beroemen op zijn geld of goed, want als een bloem van het gras vergaat hij. Het eenvoudige gras (een beeld van het volk Israël, Jes. 40:7, en hoe prachtig juist in Jakobus en Petrus toegepast, Brieven die gericht zijn aan de Israëlieten) zal vergaan, maar ook de bloem, hier de rijke, zal vergaan. Zodra de zon van de gerechtigheid, onze Heer Jezus, opgaat, zullen Zijn heilige oordelen ongelovig Israël verteren en doen verdrogen, met allen onder hen die op hun rijkdom hebben vertrouwd. Vooral voor Israëlieten is dit beeld uit de natuur zo duidelijk, want in hun land staat een gehele vlakte kaal, totdat de regen komt en alles ogenblikkelijk uitspruit. Maar zodra de zon opkomt met zijn hitte, verdort het gras en ook de mooie bloem. Zo snel gaat uiterlijk schoon en materiële rijkdom voorbij.

Ja, rijkdom kan een verzoeking zijn, evenals grote armoede. Maar welgelukzalig is de man die verzoeking verdraagt; want beproefd bevonden, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben. Heb ik God lief.? Werkelijk, ook in mijn dagelijks leven? Dan heeft Hij mij een kroon beloofd. De kroon des levens die we ontvangen na de strijd en de over­winning. Als de verzoekingen werkelijk maken dat ik beproefd voor God ben en ik gelouterd uit de moeilijkheden tevoorschijn kom, dan beloont Hij mij straks met de kroon des levens, die ieder ontvangen zal die Hem liefheeft. Aan de ene kant wordt de kroon van het leven dus gezien als een beloning na beproeving (Zie ook Openb. 2: 10 en 3:11), aan de andere kant wordt ze gegeven aan allen die Hem liefhebben. Dat zijn toch alle gelovigen? Maar is het niet zo dat alle ware gelovigen beproevingen ondergaan? Dus dat allen die hier voor God wilden leven, ondanks alle moeilijkheden, deze kroon ontvangen zullen? Toch ligt de nadruk op de verantwoorde­lijkheid, om ons aan te sporen om in afhankelijkheid van God onze weg te gaan. Liefhebben van God blijkt uit praktische daden en gehoorzaamheid.

Verzoekingen door ons eigen boze  hart

”Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word door God verzocht. Want God kan niet verzocht worden door het kwade en Hijzelf verzoekt niemand. Maar een ieder wordt verzocht, als hij door zijn eigen begeerde meegesleept en verlokt wordt. Daarna, als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde voleindigt is, brengt zij de dood voort. Dwaalt niet mijn geliefde broeders” (Jak. 1:13-16).

Hoe gemakkelijk zijn wij ertoe geneigd, God aan te wijzen als de oorzaak van verzoekingen die uit ons eigen hart voortkomen. We moeten onszelf op dit punt niet misleiden. De verzoeking van binnenuit wordt niet door God bewerkt, maar komt uit onze eigen boze natuur. De verzoeking die hier bedoeld wordt is niet dezelfde als die in vers 2. Daar is de verzoeking er één die dient tot beproeving van ons geloof en kan ze door God gewild zijn, hier is de verzoeking een verlokking door de eigen begeerten. Zulke verzoekingen komen niet van God, want Hij kan niet verzocht worden door het kwade. Hij staat immers boven al het kwaad. Ook de mensgeworden Zoon van God, God geopenbaard in het vlees, kon niet verzocht worden door dit innerlijke kwaad. Bij de verzoeking in de woestijn kwam de satan tot de Heer met verzoekingen van buitenaf, maar hij kon geen verzoekingen van binnenuit bewerken, omdat de Heiland zonder zonde was en is. De Heer Jezus kende de zonde niet, zodat Satan met zijn uiterlijke verzoekingen geen aanknopingspunt kon vinden in het hart van de Heer. Onze Heiland bewees in alles rein te zijn, ook van innerlijk kwaad. Ja, Hij was de grote overwinnaar over de duivel. Hoe duidelijk bleek bij Hem dat God niet verzocht kan worden door het kwade. Gelukkig dat Hij zo heilig en gescheiden van alle kwaad is. God verzoekt daarom ook niemand. Ook deze uitspraak verdient een weinig aandacht, omdat men op plaatsen in het Oude Testament kan wijzen waaruit duidelijk blijkt dat God wel mensen in verzoeking brengt (Gen. 22:1) of verzoeking toestaat, zoals bij Job. Deze tekst in Jakobus moet daarom in zijn verband gelezen worden. Duidelijk blijkt dan dat met deze verzoeking gedoeld wordt op innerlijk kwaad, dat uit het hart van de mens voortkomt: boze overleggingen, overspel, hoererij, moord, diefstal, hebzucht, boosheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, lastering, hoogmoed, onverstand (Mark. 7:21-23) enz. Vandaar dat Jakobus ook verder gaat met vers 14: ”Maar een ieder wordt verzocht, als hij door zijn eigen begeerte meegesleept en verlokt wordt”. Hij schildert voor onze ogen hoe dat gaat, met al de gevolgen die aan de verzoeking verbonden zijn. Het gaat als met een door de natuurlijke zinnen bedorven vrouw. Eerst is er de begeerte, die meesleept en verlokt. Dan komt de bevruchting. Vervolgens wordt de vrucht van de verkeerde begeerten openbaar: de zonde (de verkeerde, wetteloze daad) wordt gebaard. Dit kind wordt groter en groter, tot het volwassen, voleindigd, is. En na de volwassenheid volgt de dood! Hoe ernstig moeten we daarom letten op de vermaning, speciaal tot de geliefde gelovigen gericht: ”Dwaalt niet, mijn geliefde broeders”. Schrijf God niets ongerijmds toe en bewaar uzelf voor deze verzoeking, door te zien op de gevende God en de verkeerde gedachten direkt te veroordelen.

De gevende God

”Elke goede gave en elk volmaakt geschenk daalt van boven neer, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of schaduw van omkering” (Jak. 1:17).

Onze God is een gevende God. Hij geeft geen verkeerde, maar goede gaven, ook al denken wij er misschien wel eens een beetje anders over. De verkeerde begeerten komen uit ons eigen hart voort, de goede gaven komen van boven neer, van onze God. Als we iets goeds ontvangen, komt dat van God, want elke goede gave komt van Hem. Als we een volmaakt geschenk krijgen komt dat van boven, want welk mens geeft volmaakte geschenken die het hart werkelijk kunnen bevredigen? Jakobus spreekt over gaven en geschenken. De gave duidt hier meer op het geven, het uitgeven, het geschenk meer op dat wat gegeven wordt. We mogen hierbij denken aan de gave van de Zoon van God en alles wat met Hem verbonden is, aan geestelijke dingen, maar ook aan stoffelijke (Zie 1 Tim.6:17). Eén van zulke goede gaven behandelt Jakobus in het volgende vers: de wedergeboorte.

Zien wij bij het ontvangen van goede dingen op naar boven, naar de Vader der lichten? Of schrijven we het aan onze eigen verdiensten toe? Veel mensen meenden vroeger dat hun zegeningen van de zon en van andere hemellichamen kwamen, omdat de wereld wordt geregeerd door deze lichten. Men ging daarom zelfs zo ver om zon, maan en sterren te aanbidden, terwijl de God die alles maakte vergeten werd, vaak ook door de Israëlieten. Wij mogen echter het goede ontvangen uit de hand van Hem die de hemellichten maakte. God wordt hier de Vader der lichten genoemd, d.w.z. de Bron en Oorsprong van alle lichten. Eenmaal zal alles wat door de zonde bedorven is weer in overeenstemming gebracht worden met Hem die licht is.

Het licht en de lichtdragers komen uit de hand van Hem die licht is, de duisternis hoort bij de vorst van de duisternis. Satan faalt en zal vallen. Van de Vader der lichten wordt hier getuigd dat er bij Hem geen verandering is of schaduw van omkering. Al in het Oude Testament heeft God zo van Zichzelf getuigd: ”Want Ik, de HEERE, word niet veranderd” (Mal. 3:6a). Bij God is geen verandering van plannen en wegen en nooit keert Hij op Zijn schreden terug. De wagen van Gods regering in verbinding met deze aarde, die zo aangrijpend geschilderd wordt in Ezechiël 1, gaat altijd voorwaarts, nooit keert zij om. Zo is God in Zijn plannen, gedachten en wegen. Niets aan Hem verandert. God is zo absoluut licht, dat er bij Hem zelfs geen schaduw van omkering is. Als wij iets in het licht plaatsen werpt zo’n voorwerp meestal een schaduw naar een bepaalde kant. Komt er dan van een andere kant een sterker licht, dan keert de schaduw om. Zelfs bij het heldere licht van de zon veranderen de schaduwen. Zo is het niet bij God, want Hij kentvan het begin het einde en weet van iedere zaak de afloop. Nooit wordt Hij veranderd en nooit zal Hij die licht is anders handelen. Zijn licht wordt niet overtroffen door een ander licht.

Eerstelingen van Gods schepselen

”Naar Zijn eigen wil heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid, opdat wij als eerstelingen van Zijn schepselen zouden zijn” (Jakobus 1:18).

In dit vers richt Jakobus zich weer duidelijk tot de wedergebore­ nen onder de twaalf stammen van Israël, toen, nu en straks, hoewel ook wij er weer onze lessen uit kunnen trekken. Allereerst begon het met de wil en de plannen van God. Hij heeft plannen gemaakt, opdat de mens niet voor eeuwig van Hem gescheiden zou zijn en laat hier zien welk middel Hij gebruikt om mensen het geestelijke leven te schenken: Zijn eigen Woord. God heeft ons voortgebracht door het Woord der waarheid. Dit voortgebracht zijn is een blijvende toestand van leven, in tegenstelling tot het voortbrengen van de dood in vers. 15. Het Woord van God is het Woord der Waarheid, het Woord dat de waarheid is, over de waarheid spreekt en het ware karakter van alle dingen aan het licht brengt. Zo heeft God het levende water van Zijn Woord gebruikt om harten van mensen in Zijn licht te brengen, van zonden te overtuigen en leven te geven. Petrus zegt het met iets andere woorden zo: ”Gij die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijkheid, maar uit onvergankelijk zaad, door het levend en blijvend Woord van God” (1 Petr. 1:23).

Waarom werkt God zo? Omdat Hij een plan met deze wereld en Zijn schepselen heeft. Alles zal eenmaal met Hem verzoend zijn, terwijl het kwaad dan zal zijn opgesloten in de poel van vuur. Het duizendjarige rijk zal een voorproef zijn van de eeuwige toestand. Nu zucht de gehele schepping nog, vanwege de zonde van Adam en allen die gezondigd hebben, straks wordt de gehele schepping bevrijd. Maar wij die in de Heiland en Zijn verzoeningswerk geloven, behoeven niet te wachten op het vrederijk wat onze verzoening betreft, want wij zijn nu al verzoend. Wij zijn als eerstelingen van Gods schepselen. Alle schepselen zijn uit Gods hand voortgekomen, maar alles ligt nu onder de zonde. Straks zal de gehele schepping vrijgemaakt zijn, nu zijn wij al een eerstelings­vrucht van wat nog gaat gebeuren. Als de kinderen van Israël in het Oude Testament hun land gingen maaien was het gemaaide voor hen, maar de eerste vruchten waren voor God, als een aanduiding dat eigenlijk alles van Hem was. Zo zijn de gelovigen in de tijd dat alles nog tegen God is de eerste vruchten voor Hem, terwijl de grote oogst, waarin alles aan Hem onderworpen zal zijn, nog komt. Adam was in zekere zin de eersteling van een gevallen schepping, wij zijn als eerstelingen van een schepping die weer met God in het reine gebracht zal worden. De kracht van het goede zal straks, in de nieuwe schepping, volkomen blijken, maar wij zijn nu al de bewijzen van de goede gaven en de volmaakte geschenken van God.

Toch moeten we goed letten op het woordje als: als eerstelingen. Want dit heeft grote betekenis. Letterlijk staat er eigenlijk: een zekere eerstelingsvrucht. Hoewel we nu al geeste­lijk leven ontvangen hebben en voortgebracht zijn door het Woord der waarheid, heeft ons lichaam nog geen volkomen deel aan Gods verlossing. Dat komt pas als we naar geest, ziel en lichaam bij de Heer zullen zijn en ons sterfelijk lichaam onvergankelijkheid zal hebben aangedaan. Bovendien dragen we nog steeds onze boze, oude natuur met ons mee, zodat we in dit leven nog geen volledige eerstelingsvrucht voor God kunnen zijn, maar slechts een zekere eerstelingsvrucht. Dit geldt ook voor de gelovige Joden die er na de opname van de Gemeente in de tijd van de grote verdrukking zullen zijn. Ook zij zullen zijn voortgebracht door het Woord der Waarheid en een zekere eerstelingsvrucht voor God zijn, want de volle oogst is er ook dan nog niet. Die oogst komt pas als het vrederijk aanbreekt. Ook zij hebben nog een oude natuur met zich om te dragen in die vreselijke tijd.

Ja, opnieuw geboren zijn is een gave van God. En Jakobus vestigt onze aandacht nog eens extra op deze goede gave van God, met de eerste woorden van vers 19: Weet dit, mijn geliefde broeders! Weet ik in de praktijk van mijn leven, dat God recht heeft op mijn gehele leven? Opdat ik als een eerstelingsvrucht voor Hem zou zijn, in de tijd dat nog niet alles aan de Heer Jezus en aan God onderworpen is?

”Weet dit, mijn geliefde broeders, ieder mens moet snel zijn om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn. Want de toorn van een man volbrengt Gods gerechtigheid niet (Jakobus 1:19,20).

Jakobus spreekt hier over ieder mens, dus ook over de eerstelingen van Gods schepselen, zijn geliefde broeders. Drie dingen houdt God ons hier voor: 1. Snel om te horen. 2. Traag om te spreken. 3. Traag tot toorn.

Van nature zijn we niet geneigd om te luisteren. Onze oude natuur is vol zelfvertrouwen en impulsief. Vandaar dat we geduld moeten leren, in gehoorzaamheid aan God. De vermaning begint met snel zijn om te horen, niet met spreken. Natuurlijk wordt hier niet bedoeld dat we snel moeten zijn in het luisteren naar klets­ praatjes, roddel en andere verkeerde dingen. Het Woord van God spreekt tot ons en dat wil ons bezighouden met goede dingen. We moeten dus snel zijn om te horen naar het Woord van God en naar goede dingen. Hierin kunnen we veel leren van Maria, die het goede deel had gekozen dat van haar niet zou worden weggenomen. Ze luisterde naar het Woord van de Heer aan de voeten van de Heer. Maar het grootste voorbeeld is wel onze Heiland Zelf. Hij getuigt profetisch van Zichzelf: ”De Heere HEERE heeft Mij een tong der geleerden gegeven, opdat Ik wete met de moede een woord ter rechter tijd te spreken; Hij wekt alle morgen, Hij wekt Mij het oor, dat Ik hore, gelijk die geleerd worden. De Heere HEERE heeft Mij het oor geopend, en Ik ben niet wederspannig, Ik wijk niet achterwaarts” (Jesaja 50:4,5).

De Heer is hier gelijk ook ons grote voorbeeld in het spreken. Luisteren en spreken horen bij elkaar. Omdat Hij wist wat Zijn Vader wilde, door het geopende oor dat Hij had (terwijl Hij toch terzelfder tijd de eeuwige God was!), kon Hij ook op de juiste tijd een woord spreken tot hen die vermoeid en belast waren. Wij moeten leren om niet te snel te zijn met onze mond, maar na te denken over dat wat we willen gaan zeggen. We zijn soms geneigd om maar half te luisteren naar wat er tot ons gezegd wordt. Dan denken we het wel te weten, onderbreken de ander (misschien zelfs God?) en brengen onze eigen gedachten naar voren, zonder de ander te laten uitspreken. Dat is vooral een kenmerk van onze jachtige tijd. Komt dat omdat er al teveel gepraat wordt? Er staat hier in Jakobus niet dat onze woorden weinige moeten zijn. Het kan soms nodig zijn veel woorden te gebruiken, maar dan goed overwogen woorden. Op een andere plaats wordt ons wel gezegd niet teveel woorden te gebruiken: ”Wees niet te snel met uw mond en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in de hemel en gij zijt op aarde. Daarom laat uw woorden weinig zijn” (Pred. 5: 1). Dat komt overeen met Spreuken 10:19: ”In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar wie zijn lippen weerhoudt is kloek verstandig” (Zie ook vers 11 en 21). Jakobus legt meer de nadruk op het overwegen van onze woorden voordat we ondernemen iets te zeggen.

De derde vermaning spreekt over toorn. Toorn is vaak een uitdrukking van eigen onmacht en eigenwil. In Galaten 5:20 is het één van de werken van de dingen die we moeten afleggen. In Prediker 7:9 wordt geschreven: ”Zijt niet haastig in uw geest om te toornen, want de toorn rust in de boezem van de dwazen”. Ja, toorn komt meestal voort uit de oude natuur. Echter niet altijd, want van de Heer lezen we ook eenmaal dat Hij de mensen rondom Hem met toorn aanzag (Mark. 3:5), vanwege de verharding van hun hart. En van God wordt getuigd, dat Zijn toorn blijft op ieder die de Zoon ongehoorzaam is (Joh. 3:36). Toornen hoeft dus niet altijd fout te zijn, ook bij mensen niet. Vandaar dat we in Efeze 4:26 lezen: ”Wordt toornig, maar zondigt niet”. Maar in hetzelfde vers wordt er onmiddellijk bijgevoegd: ”De zon ga over uw toorn niet onder en geef de duivel geen voet.” Dit omdat onze heilige toorn zo gemakkelijk kan overgaan in onheilige toorn, waardoor we de duivel plaats geven. Die verkeerde vorm van toorn vinden we dan ook enkele verzen verderop in Efeze: ”Alle toorn worde uit uw midden weggedaan” (4:31). Ook Jakobus laat het gevaar zien dat toornig worden met zich meebrengen kan en zegt daarom: Weest traag tot toorn. Waarom? Omdat de toorn van een man Gods gerechtigheid niet volbrengt. Dwz. mijn toorn brengt geen dingen voort die in overeenstemming met Gods rechtvaardige verlangens en wensen zijn. De gerechtigheid van God moeten we hier praktisch zien en niet zoals Paulus zo vaak daarover spreekt. Paulus spreekt over de gerechtigheid van God die wij ontvangen als we in de Heer geloven. Jakobus spreekt over de praktische kant en zegt dat God rechtvaardige verlangens heeft, waarmee onze daden in overeen­ stemming moeten zijn, om deze verlangens van God te kunnen bevredigen. Zie ook Spreuken 14:17 en 29:22.

Het ingeplante woord

”Daarom, legt af alle onreinheid en overmaat van boosheid en ontvangt met zachtmoedigheid het ingeplante woord, dat uw zielen behouden kan” (Jak. 1:21).

”Daarom” slaat m.i. terug op het vorige vers, waarin gesproken wordt over het praktisch uitwerken van Gods gerechtigheid. Daartoe is het nodig het Woord te ontvangen en erdoor gekenmerkt te worden. Ongelovigen kunnen nooit volbrengen wat God van hen verlangt. Alleen diegenen die een nieuwe natuur ontvangen hebben kunnen dat. En die nieuwe natuur is bewerkt door het Woord van God en in ons geplant. De oude boom moest van al zijn uitwassen, takken en verkeerde vruchten ontdaan worden, opdat in de stam ervan een nieuwe twijg kon worden ingeplant, die in staat is om de gewenste vruchten voort te brengen. Dat twijgje is het Woord, dat in ons is ingeplant op het moment dat we opnieuw geboren werden, of, om met Jakobus te spreken op het moment dat we voortgebracht werden door het Woord der waarheid. De oude takken waren het die alle onreinheid en overmaat van boosheid produceerden, het ingeplante Woord stelt ons in staat om in zachtmoedigheid dat Woord verder te laten groeien, zodat ons leven door het Woord gekenmerkt wordt. Voorwaarde voor geestelijke groei in de praktijk van ons leven is dus dat we voor onszelf blijvend alle onreinheid moeten hebben afgelegd. Ons leven moet een leven zijn waarin we gekenmerkt worden door het afgelegd hebben van de onreinheid. Zodra er na onze wedergeboorte weer een onreine gedachte bij ons opkomt moeten we die veroordelen in het licht van God en het bij Hem brengen, opdat we op deze gedachte nietverderdoorborduren en het koesteren, zodat het een begeerte wordt, waardoor we worden meegesleept en verlokt, zodat er tenslotte de verkeerde daad uit voortkomt. Jakobus heeft het hier vooral over het naar buiten komen van de onreinheid, want hij heeft in zijn Brief altijd de praktische kant van de zaak voor ogen. Door Gods kracht en de nieuwe natuur in ons, zijn we in staat elke verkeerde gedachte te zien en te veroordelen voor God, zodat de uiteindelijk zichtbare onreinheden niet optreden, maar we rein voor God kunnen staan. Deze vermaning voor het afleggen van alle onreinheid moet gelovige Joden des te meer aanspreken, omdat zij het volk waren met de vele goede wetten die hun aandacht vestigden op een uiterlijke reinheid voor God. Maar onder de wet faalden ze, omdat de wet van buitenaf opgelegd werd aan een zondige natuur, die daardoor in opstand kwam. Nu ze tot geloof gekomen zijn, is er geen uiterlijke wet meer voor het zondige vlees, maar het innerlijk Woord dat een afschuw heeft van het kwaad. Als we nu verkeerde dingen moeten afleggen, is deze nieuwe natuur het daar volkomen mee eens en zijn we in staat om in zelfoordeel voor God te komen, omdat het nieuwe leven in ons dat graag wil. Vandaar dat Jakobus spreekt over het ingeplante Woord en niet over een wet van buitenaf. Ons leven wordt, als alles goed is, gekenmerkt door dit Woord dat we ontvangen, niet in hoogmoedige kennis van het verstand, maar in zachtmoedigheid die we van Christus mogen leren.

Het tweede dat we als een blijvende toestand afgelegd moeten hebben is alle overmaat van boosheid. Weer beziet Jakobus dit van de praktische kant. Het gaat hier om de boosheid die naar buiten kan komen, een overmaat. We kunnen er soms niets aan doen dat een boze gedachte bij ons opkomt, maar wel kunnen we zo’n gedachte voor God veroordelen, zodat het niet als boosheid naar buiten komt. Dat we in een toestand van het afgelegd hebben van deze overmaat van boosheid kunnen leven, komt doordat we het ingeplante Woord eens voor altijd en volledig ontvangen hebben en voortdurend ontvangen moeten, om staande te blijven tegenover alle machten en boosheden die er zijn. We begrijpen natuurlijk wel dat de Schrift met deze uitdrukking ”overmaat van boosheid” ons geen vrijbrief geeft om een beetje boosheid in ons hart te koesteren en in ons leven naar buiten te laten komen. Zolang wij nog denken dat het toegestaan is boosheid te hebben, als het maar geen overmaat is, staan we niet recht tegenover God en is het de vraag of we het ingeplante Woord wel ontvangen hebben.

Dit ontvangen Woord heeft de kracht in zich om onze zielen te behouden. Petrus spreekt over de behoudenis van de ziel die we nu al ontvangen hebben als het einde van ons geloof. We geloven in de Persoon en het werk van de Heer Jezus en ontvangen als het einde van dit geloof de behoudenis van de ziel (1 Petr. 1:9). Jakobus gaat niet zover en is praktischer. Hij ziet het Woord in ons als de krachtbron om ook in de praktijk van het leven onze zielen te bewaren in Gods nabijheid, totdat we de volkomen behoudenis naar geest, ziel en lichaam bij de Heer ontvangen hebben.

De Brief en ons vers zullen ook gelezen worden door de gelovige Joden na het tijdperk van de Gemeente op aarde. En ook op hen zijn deze woorden van toepassing. Door hun wedergeboorte hebben ze het Woord in zich ontvangen en dat Woord is in staat hun zielen bij God te bewaren, zelfs in de tijd van de grootste beproevingen en moeiten. Het kan zijn dat hun lichamen nog gedood zullen worden in de grote verdrukking, maar het ingeplante Woord kan hun zielen zelfs in het stervensuur bewaren. Door de nieuwe natuur kunnen ze in hun leven op aarde de gerechtigheid van God volbrengen. Jakobus heeft bij deze uitdrukking waarschijnlijk wel gedacht aan een uitspraak van de Heer Jezus in Mattheüs 6:33: ”Zoekt eerst het koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid”. Is in mijn hart de wens om de dingen van God te zoeken?

Doen wat het woord zegt

”En weest daders van het Woord en niet alleen hoorders, anders misleidt gij uzelf” (Jakobus 1:22).

God heeft ons voortgebracht door het Woord der waarheid en het Woord in ons geplant. Nu moet ons leven gekenmerkt zijn door het luisteren naar en het in ons opnemen van het Woord. Maar we zouden zo geabsorbeerd kunnen worden door het luisteren naar vertalingen, verklaringen, uitleggingen, interessante illustra­ties en theorie, dat we vergeten dat het Woord ook zijn praktische uitwerking moet hebben in ons dagelijks leven. Als we alleen maar horen naar het Woord en er niet naar handelen, misleiden we onszelf. De oproep van Jakobus aan zijn geliefde broeders is dan ook om voortdurend daders te zijn van het Woord, niet alleen hoorders. Hoeveel mensen zijn er niet die zichzelf wijsmaken dat God het wel voldoende zal vinden als ze één of tweemaal per week, liefst op zondag, naar het Woord luisteren. Ze hebben het idee zo God wel tevreden te hebben gesteld. In de week kunnen ze dan hun eigen gang gaan. Ze toonden toch belangstelling? Maar wat een zelfmisleiding. Ja, zo’n man was koning Herodes ook. Hij hoorde Johannes de doper graag, maar waar bleef de praktische uitwerking van dit woord? Waar waren de daden? Hij deed vele dingen, maar God eerde hij niet. Inte­gendeel. De daden die hij deed waren veeleer om zijn eigen geweten te sussen, dat door het woord van God geraakt was. Op een geschikte dag hield hij zijn tong niet in toom en Johannes werd vermoord. Was dat de daad op het woord? Ach, een geweten kan door het Woord getroffen zijn, maar als dit Woord niet door God in ons geplant is blijven we natuurlijke mensen die net als Herodes zichzelf misleiden. We kunnen dan geen daders van het Woord zijn. Er blijven alleen boze daden over en eventueel moord. Jakobus spreekt echter niet alleen tot ongelovigen, die geen daders van het Woord kunnen zijn, maar ook tot zijn geliefde broeders die het wel kunnen, maar zo snel vergeten. De nog aanwezige boze oude natuur wil ons daarin wel een handje helpen. Hoe ernstig klinkt dit woord daarom ook heden tot mij en u. Geve God dat wij onszelf in dit opzicht niet misleiden, maar doen wat Hem behaagt. ”Als gij deze dingen weet, welgelukzalig zijt gij als gij ze doet” (Joh. 13:17).

Een spiegel

”Want als iemand een hoorder van het Woord is en niet een dader, dan is hij gelijk aan een man die zijn natuurlijk gezicht in een spiegel beschouwt; want hij heeft zich beschouwd, is weggegaan en is onmiddellijk vergeten, hoe hij er uitzag (Jakobus 1:23,24).

Waarom kijkt iemand in de spiegel? Uit ijdelheid, omdat men zo tevreden is met zichzelf? Of om aan het uiterlijk iets te verbeteren, de haren te kammen, de kleren te schikken enz.? Jakobus gebruikt het beeld van een in de spiegel kijkende man en past dit geestelijk toe. Dat kan met veel dingen uit het dagelijks leven, maar hier is het wel heel toepasselijk. We zien een man die in een spiegel zorgvuldig naar het uiterlijk kijkt dat hij bij de geboorte heeft meegekregen, onze natuur, zoals we zijn. Maar als er tijdens en na dit kijken niets daadwerkelijks gebeurt, wat had het kijken dan voor nut? Dan is men als de Farizeeën. Tevreden met zichzelf. Tevreden met de godsdienst die men heeft. De man gaat weg en is direkt vergeten wat voor soort mens hij was. Zo is het bij ieder die luistert naar Gods Woord, zichzelf ziet zoals hij van nature is, maar er onverschillig aan voorbi gaat of denkt dat het zo slecht nog niet is. Hij heeft toch naar het Woord geluisterd? Is dat niet voldoende? Hij toonde toch belangstelling? Zo heeft hij God toch tevreden gesteld? Moet hij nu ook nog wat voor God gaan doen en zichzelf onderhanden nemen?

Hoe treffend is het beeld dat Jakobus verder van zo iemand geeft. Zodra hij in de spiegel heeft gezien, dwz. het Woord heeftgehoord, keert hij zich af en vergeet wat God hem wilde zeggen. Welnu, zegt Jakobus, dat is nu een man die wel een hoorder is van het Woord, maar geen dader. Dat is een man die zichzelf misleidt en op het glibberige pad steeds verder afglijdt.

Zijn wij hoorders van het Woord? Maar geen daders? De woorden uit Jakobus spreken toch ook tot ons hart en geweten?

De volmaakte wet, die van de vrijheid

”Maar wie inziet in de volmaakte wet, die van de vrijheid, en daarbij blijft, niet als een vergeetachtig hoorder, maar als een dader van het werk, zal welgelukzalig zijn in zijn doen” (Jakobus 1:25).

Er zijn geweldig grote tegenstellingen in de Jakobusbrief te vinden. Vergelijken we ons vers met de vorige twee, dan zien we daar iets van. In vers 23 en 24 beschouwt iemand zorgvuldig zijn natuurlijk gezicht in een spiegel (Het woord beschouwen betekent zorgvuldig en aandachtig bezien). Hier buigt iemand zich neer en strekt zijn hals uit om te staren op de volmaakte wet, die van de vrijheid (Het woord inzien betekent: neerbuigen en de hals uitstrekken om te staren op iets wonderbaars).

In de vorige verzen was de man weggegaan en onmiddellijk vergeten hoe hij er uitzag. Hier blijft hij bij het Woord en is geen vergeetachtig hoorder. Daar lezen we niet van daden. Hier is hij een dader van het werk. Daar lezen we niet van zegen, hier is de dader welgelukzalig in zijn doen.

De spiegel is het Woord van God, de volmaakte wet ook. De volmaakte wet is de wet van de vrijheid en niet de wet van Sinaï. De wet op Sinaï gegeven brengt niet tot vrijheid, maar tot slavernij. Deze wet is niet bestemd voor rechtvaardigen, maar voor wettelozen enz. (1 Tim. 1:9). De wet van Sinaï is van buitenaf door God opgelegd, aan een volk in het vlees, dat de wet niet kan en wil volbrengen. Gods regels brengen het vlees juist in opstand. In de toekomst zal het anders zijn, want dan geeft God Zijn wetten in de harten, zodat Zijn gedachten volbracht kunnen worden. Maar nu is de wet van de geboden alleen bestemd om boze mensen hun boze daden voor ogen te houden en te veroordelen.

De volmaakte wet is het Woord van God, wat blijkt uit het verband met vers 23, waar het Woord horen vergeleken wordt met kijken in een spiegel, terwijl in ons vers ook gekeken wordt, nu niet in een spiegel, maar in de volmaakte wet. En dat is de wet van de vrijheid! Het Woord dat wij mogen beluisteren is hetzelfde Woord dat in ons is ingeplant. Dus de woorden die God tot ons spreekt zijn in overeenstemming met de nieuwe natuur die we ontvangen hebben. Dan is dit Woord geen uiterlijk gebod, waartegen we in opstand komen, maar is het de volmaakte wet die past bij onze nieuwe natuur, een wet die we graag willen volbrengen. Als een vader zijn kind zegt om dat te doen wat het graag wil, is dit een gebod van de vader. Het is een wet voor het kind, maar een wet waaraan het graag wil gehoorzamen, omdat het overeenkomt met de eigen wensen en verlangens. Zo wil onze nieuwe natuur graag volkomen gehoorzaam zijn aan de woorden van onze Vader. Dan is Zijn gebod geen slavernij, maar vrijheid. Is Zijn Woord geen volmaakt richtsnoer voor ons? We willen toch in gehoorzaamheid aan onze God leven en van Hem afhankelijk zijn? Dat is toch niet moeilijk voor het nieuwe leven?

Maar Jakobus zegt ook dat we bij het Woord zullen blijven, dat we ons eraan zullen vastklemmen, niet als hoogmoedige mensen, maar als degenen die zich neerbuigen naar Gods wonderheerlijke gedachten. Denken we voortdurend na over het Woord van God? Zijn we ermee bezig? Blijven we erbij? Dan zullen er daden volgen. Als Gods Woord werkelijk ons richtsnoer is zullen we geen vergeetachtige hoorders zijn, maar daders van het werk dat God ons opdraagt. Dan zullen we in dat wat we doen gezegend zijn. Let wel, er staat hier niet dat we welgelukzalig zijn voor dat wat we doen, maar in ons doen. De zaligheid is niet iets dat we kunnen verdienen en aan het einde van onze reis als loon zullen ontvangen. Nee, we worden door God tijdens ons doen gezegend. Als we tenminste afhankelijke harten hebben. Onze geliefde Heer ging ons voor en toonde ons hoe Hij leefde: Het was Zijn spijze de wil te doen van God die Hem gezonden had.

Godsdienstig?

”Als iemand meent godsdienstig te zijn en zijn tong niet in toom
houdt, maar zijn hart misleidt, diens godsdienst is waardeloos” (vers 26).

Tong en hart spelen een grote rol in het leven van de mens, ook van de religieuze mens. Ik kan mijn tong gebruiken voor het spreken van goede dingen en mijn hart kan kloppen voor God. Maar het kan ook omgekeerd. Mijn tong kan dingen zeggen waar het hart niet achterstaat en ik kan mijn hart misleiden. Daarover gaat het hier. Ik kan met volle overtuiging menen dat ik godsdienstig ben maar ik kan mezelf daarin ook iets wijsmaken.

De Farizeeën zijn duidelijke voorbeelden van godsdienstige mensen met uitgesproken meningen en vaak koude lege harten. Zorgvuldig volgden ze de inzettingen van hun geloof en al de wetten die ze er in hun godsdienstijver zelf bij hadden gemaakt, maar hielden ze hun tong in toom? En deden ze wat ze anderen oplegden?

Laten we even stilstaan bij de geschiedenis van de Farizeeër en de tollenaar in de tempel. Wat een hoogmoedig spreken beluisteren we bij de Farizeeër. O, hij zal niet gelogen hebben toen hij sprak over het geven van tienden en alles wat hij verder deed, maar het waren onbezonnen woorden. Ogenschijnlijk waren het geen zondige woorden, maar ze openbaarden wat er in zijn hart gevonden werd en hoe hij zichzelf misleidde. Laten we de les toch ter harte nemen en niet hoger van ons denken en spreken dan we in Gods ogen zijn. De Prediker zegt ons dat we ons niet moeten haasten een woord voor God voort te brengen, want Hij is in de hemel en wij zijn op aarde. De Farizeeër hield zijn tong niet in toom, hoewel hij dacht godsdienstig te zijn. Hij misleidde zijn eigen hart met drogredenen.

De tong niet in toom houden en je eigen hart misleiden, terwijl je meent vroom te zijn, het zijn de bewijzen van een doelloze godsdienstige praktijk, waar niets nuttigs voor God uit voortkomt. Je kunt veel spreken over God en het dienen van God zonder dat je hart voor Hem klopt. Je kunt menen erg godsdienstig te zijn (en vele mensen op aarde zijn godsdienstig, want het vlees wil dat wel), terwijl je godsdienst waardeloos is. Dat zal blijken uit de onbezonnen woorden die worden gesproken en de zelfmisleiding van het hart. Anderen merken dat heel snel. Laten we toch onze lering trekken uit dat wat Jakobus ons hier voorschildert en doen als David in Psalm 39:2: ”Ik zei: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondig met mijn tong. Ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is”. En hoeveel kunnen we in dit opzicht niet leren van onze Heer. Hij sprak als degene die geleerd werd en genade was uitgestort op Zijn lippen (Ps. 45:3). Zijn mond openbaarde geheel wie Hij was (Joh. 8:25). Hij deed Zich niet anders voor dan Hij was en sprak. Ik ook?

Ware godsdienst

”Reine en onbesmette godsdienst voor God en de Vader is: wezen
en weduwen te bezoeken in hun verdrukking en zichzelf onbevlekt van de wereld te bewaren” (vers 27).

Jakobus spreekt over reine en onbesmette godsdienst in tegenstel­ ling tot de waardeloze godsdienst van iemand die er wel veel over praat, maar er niet naar doet, zodat hij of zij zichzelf misleidt. De Joden hadden een praktische godsdienst, maar één die vaak alleen maar uiterlijk was. Zo aten de Farizeeën de huizen van de weduwen op met hun vrome praat, inplaats van hen te bezoeken in hun verdrukking. Nee, wil er een waarachtig dienen van God zijn, ook in de praktijk van het leven, dan moet het zorgvuldig navolgen van de inzettingen van mijn geloof rein en onbesmet zijn. Mijn godsdienst kan alleen dan rein zijn als ik zelf gereinigd ben van alle vlekken, door het bloed van het Lam. De godsdienst van ongelovigen is nooit rein. Maar bij de gelovigen moet het ook zo zijn dat de geloofsdaden niet bezoedeld zijn door de valse motieven die de mensen van de wereld vaak kenmerken.

Blijven in de tegenwoordigheid van God is de garantie voor geloofsdaden die met Zijn gedachten overeenstemmen. Dan openbaart het geestelijk leven zich, terwijl egoïsme en zelfmisleiding zullen verdwijnen. Maar hoe vaak vergeten we Zijn tegenwoordig­heid?

God wordt hier de God en Vader genoemd. Het is voor het eerst en het laatst dat Jakobus deze uitdrukking ”de God en Vader” gebruikt. Hij was ongetwijfeld bekend met de woorden van de Heer uit Johannes 20:17: ”Ik vaar op tot mijn Vader en uw Vader, naar Mijn God en uw God”. Deze woorden sprak de Heer na Zijn sterven. Dus Jakobus plaatst zich met deze woorden duidelijk achter het volbrachte werk van onze Heer Jezus Christus. Toch is hij minder persoonlijk dan de Heer, want de woorden ”mijn” en ”uw” noemt hij niet, zodat de Brief ook van toepassing is op de twaalf stammen die leven in de tijd na de opname van de Gemeente, waarin God niet meer zo persoonlijk als Vader gekend wordt, Nu is de Heilige Geest op aarde die in ons Abba Vader roept, dan woont Hij niet meer op aarde en verbindt Hij de gelovigen niet meer zo nauw met de Vader. Wel zullen de gelovigen uit die tijd God kennen als de Oorsprong van alle leven en zegen en Hem aanroepen als hun Vader die in de hemelen is.

Jakobus noemt twee kenmerken van reine en onbesmette gods­dienst:

1.Wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking

2.Zichzelf onbevlekt van de wereld bewaren.

Het eerste toont de liefde van een vernieuwd gemoed ten opzichte van onze naaste, het tweede is de persoonlijke houding die we in de wereld aannemen, uit liefde tot God en de Heer Jezus Christus. We begrijpen natuurlijk wel dat onze godsdienst meer inhoudt dan alleen het plichtmatig navolgen van deze twee opdrachten. Het karakter van ware godsdienst wordt aangegeven, de reden waarom in dit vers het lidwoord voor godsdienst ontbreekt. Jakobus wil ons helpen om in de praktijk de meelijdende liefde van God te vertonen. De lijst die hij geeft zou ook best kunnen worden uitgebreid, ware het niet dat onze wettisch gezinde oude natuur dan nog meer aanleiding zou hebben om trots te zijn en zich te verheffen of neergeslagen te zijn. God wil ons geen wetten opleggen, maar aanwijzingen geven, hoe we goddelijke liefde kunnen tonen. En voor wie doen we deze dingen? Voor onszelf, of voor God? Als we een weduwe bezoeken, zoeken we daarin dan onszelf (Zo, ik heb alweer iemand bezocht, een stukje Jakobus gehoorzaamd en een eervoller plaatsje verdiend!?) of is het reine en onbesmette godsdienst voor God? De God die harten en nieren proeft.

Ook in onze tijd zijn er wezen en weduwen die in verdrukking zijn, en dat echt niet alleen in Rusland, China of Zuid-Amerika. Wezen zijn zij die beroofd zijn van de ouders of van de vader. Soms wordt dit woord ook gebruikt voor hen die zonder vrienden zijn, alleen en verlaten. Is dat geen verdrukking? De weduwen staan ook alleen. En al zijn de sociale voorzieningen in deze tijd veel beter dan vroeger, zodat zij in de westelijke landen wel rond kunnen komen, kennen ze geen eenzaamheid? Is dat niet hun verdrukking? En wat doen we als we denken aan de weduwen in de arme landen? Ja, wezen en weduwen kennen verdrukking. Is er liefde in ons hart ten opzichte van hen? Laten we toch niet doen zoals de Farizeeën, die wel giften gaven, maar met verkeerde motieven, om het voor zich uit te laten bazuinen. Degenen die geld nodig hadden konden naar de synagoge komen, om daar uit de eerbiedwaardige handen van een Farizeeër levensonderhoud te ontvangen. Deze huichelaars (zo noemt de Heer hen) gaven alleen om door de mensen geëerd te worden. Was dat liefde tot God en de naaste? Wanneer wij onze aalmoezen geven, laten we het niet voor ons uitbazuinen. Vandaar dat Jakobus spreekt over wezen en weduwen opzoeken. En in onze tijd mogen we hen opzoeken omdat ze zo eenzaam en verlaten kunnen zijn. Maar wat brengen wij van deze praktische vermaningen terecht?

Men kon ook met verkeerde of zelfs onreine motieven bij wezen en weduwen komen, daarom de volgende opmerking van Jakobus, dat het ook nodig is om onszelf onbevlekt van de wereld te bewaren. Wij die in de Heer Jezus en Zijn verlossingswerk geloven, zijn niet meer van de wereld. We horen er niet meer thuis. De wereld is het systeem waarvan satan overste en vorst is, een systeem dat tracht ons te bevlekken en van God af te trekken. Laten we toch met hart en leven ver van de wereld met al zijn verlokkingen vandaan blijven.

In het Oude Testament was het ware karakter van de wereld nog niet geopenbaard. Ja, zelfs Israël had een wereldlijke godsdienst en een wereldlijk heiligdom, waar God werd gediend. Pas in de tijd van de Heer Jezus, en vooral bij het kruis, is het werkelijke karakter van de wereld openbaar geworden. Toen Hij naar deze aarde kwam kon God de wereld Zijn reddende handen nog toesteken: ”Zo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft” (Joh. 3:16). Toen de Heer Jezus op aarde was, was God in Christus de wereld met Zich verzoenende, iets wat nu niet meer gezegd kan worden, want de zelfs Joodse wereld wilde de liefde van God en de Zoon van God niet. Ze verwierpen de Heer Jezus, zodat de gehele wereld nu in het boze ligt. De Heer is naar het kruis gebracht. Daar is al de boosheid en de haat van de wereld openlijk ten toon gespreid. Voortaan zijn zij die in de Zoon van God geloven niet meer van de wereld, zoals Hij van de wereld niet is (Joh. 17:14, 16). Maar wij zijn nog wel in de wereld, zodat het nodig is om ons van dit systeem ver te houden.

Jakobus plaatst zich met zijn opmerking over de wereld dus ook duidelijk opnieuw achter het kruis van de Heer Jezus en vermaant ons om goed te beseffen dat we niet in de wereld thuishoren, zodat we ook in staat zijn ons onbevlekt van de wereld te bewaren, als we maar in Gods nabijheid blijven.

(c) copyright Uit het Woord der Waarheid, Winschoten, april ’76
Met toestemming overgenomen voor electronische distributie door Bijbelstudie-BBS