BijbelArchief
Kolossenzen 1 t/m 4
De brief van Paulus aan de Kolossenzen
 

De brief van Paulus aan de Kolossenzen
Schrijver Paulus
Afzender Paulus en Timotheus
Ontvangers Gemeente van Kolosse en Laodicea

Inleiding
De brief aan de kolossenzen is geschreven omdat Paulus zich zorgen maakte over -en in het verweer komt tegen - de leringen welke deze gemeente binnengebracht werden vanuit, naar men vermoed, de gemeente van Laodicea en Hierapolis. Tegenover de leerstellingen welke deze gelovigen binnenbrachten stelt Paulus ”de gezonde leer” van het Evangelie van Christus. Daardoor is de gemeente in staat te zien wat de valse leer is, door haar te vergelijken met de juiste leer.

Een Christen kan zich alleen maar verweren tegen dwalingen als er een stevig fundament ligt dat gebaseerd is op de Bijbel. Als dat fundament er niet ligt komen we in een zelfde situatie als veel leden van de grote kerken, deze dwalen ver van de Schrift af terwijl de leden van die kerken geen notie hebben van de gevaren die dreigen. De Samen Op Weg kerken hebben een gezamenlijk hoofdkwartier betrokken van waaruit wordt gewerkt naar een grote kerk met veel invloed. Deze kerken hebben innige contacten, via de Wereld Raad van Kerken, met de  New Age Beweging, Oosterse godsdiensten, en anderen. In de dagen van Paulus was het niet anders dan in onze tijd, er is één verschil, toen zou het nog eeuwen duren voordat de Here zou komen en onze generatie staat op het punt waarop de Gemeente kan worden weggenomen.
In de tijd van Paulus werd het ’de kennis’ (Gnostiek) genoemd dat de gelovigen van de Here afdreef, maar in onze dagen is het een ’verfijnde’ Gnostiek, de New Age en de technische mogelijkheden waardoor men miljoenen kan bereiken.

Hoofdstuk 1:1-14
Paulus dankt de Heer voor deze gemeente, ontstaan uit de prediking van Epafras die op dat moment bij hem in Rome verbleef. Paulus was persoonlijk nog nooit in Kolosse, een stad in Klein-Azië (Turkije), geweest - hoofdstuk. 2:1

  • Paulus heeft van Epafras gehoord van hun:
  • Geloof in Christus;
  • Onderlinge liefde;

De hoop, die zij gelovig verwachten, op de heerlijke toekomst in welke zij Christus hebben.
Dit was dan ook, vers. 9, de reden dat Paulus en Timotheus niet ophouden voor hen te bidden én de Heer te vragen dat zij met ”kennis van Zijn wil” vervuld zouden worden. De kennis van Zijn wil werkt namelijk uit dat zij vrucht dragen, meer kennis zullen krijgen en daardoor zullen leven naar Christus’ wil.

Zijn gebed is dus niet een ”wens” of ”goede bedoeling”, maar zeker weten dat zijn gebed vrucht zal dragen. Joh. 15:16.
Paulus noemt hier niet voor niets dat hij bid dat ze mogen groeien in de juiste kennis van God. De reden hiervoor zullen we later nog zien.

Om deze kennis te krijgen is het nodig om te verlangen Gods wil te doen. Dán pas kan God ons vervullen met de kennis van Zijn volmaakte wil. Het is niet alleen in onze hoofden dat deze kennis groeien moet, maar vooral in onze harten - want: Gods liefde is het geheim van alle wijsheid. (DJ Christiaanse)

Hoofdstuk 1:15-23
De verzen 15-20 vormen feitelijk het ”Evangelie in een notendop”:

  • Christus is het beeld van de onzichtbare God. Hij, God, kwam in het lichaam van een mens, Jezus, naar deze wereld: Joh. 10:30;
  • Christus was de eerstgeborene, niet de eerstgeschapene maar eerstgeborene, met andere woorden: vóór er ook maar iets was, was Hij er. Spreuken 8:22-36. Met name de verzen 34-36 hebben een profetisch karakter. Het is bijzonder te zien hoe Christus hier in het oude testament al geopenbaard is, als zijnde ”de wijsheid”. Ook blijkt dat de spreukendichter, Salomo, hier werkelijk de goddelijke wijsheid bezat.
  • Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; dit betekent: Hij is de schepper van alles, en hij schiep het ”tot zijn eer”. Met andere woorden: niet voor de mensen, maar tot eer van Hemzelf! Om zijn macht, wijsheid en kracht te tonen aan de Hemelse gewesten. Nooit is een ander wezen in staat geweest scheppend werk te verrichten dan God.
  • Er is niets wat kan leven zónder Hem. Paulus beantwoordt hier feitelijk de vraag ”wie is Christus Jezus” door duidelijk te maken dat Hij God zelf is!

Vervolgens legt Paulus uit wat Christus gedaan heeft: de mensheid -door Zijn bloed- verzoenen met God. Efeze 2:14-16 - de Wet, die scheiding maakt, buiten werking gesteld en daardoor de verzoening tussen God en mens bewerkstelligd.

Dit geldt ook voor de gelovigen in Kolosse, wanneer zij geworteld blijven in het geloof in Christus én daaraan vasthouden. Paulus waarschuwt -uitdrukkelijk- dat zij zich hiervan niet moeten laten afbrengen.

Hoofdstuk 1:24-2:6

Paulus wijst de Kolossenzen er op dat hij gevangen zit met een doel:
Ten behoeve van de Gemeente, het Lichaam van Christus. Door zijn gevangenschap en lijden werd namelijk vrucht bewerkt:

  1. Zijn volharding in zijn prediking was een getuigenis;
    Praktisch: hij kon ”zijn evangelie” nu op schrift stellen in de brieven aan de gemeenten. Immers: wanneer hij niet gevangen had gezeten had hij zichzelf, conform zijn karakter, hiervoor nooit de tijd gegund! *
  2. Het is hun tot troost. Hij heeft een zware strijd voor ze te voeren, maar weet: het is niet voor niets, het is lijden ten behoeve van Christus’ Lichaam: de Gemeente, OPDAT (redegevend)
  3. Hun harten getroost worden én
  4. Zij in liefde verenigd mogen worden;
  5. Zij volledig inzicht mogen krijgen door het geheimenis van God te begrijpen: Christus!

* Het komt wel eens vaker voor dat een prediker, of iemand anders, die een taak door de Here krijgt toebedeeld op het ziekbed komt   
   of op een andere wijze tijdelijk een stapje terug moet nemen. In zo’n periode van gedwongen rust kan de Here werken aan mensen
   die zichzelf, óf de Here voorbij lopen en niet optimaal kunnen functioneren.
 
Paulus voert hier dus geestelijk én lichamelijk een strijd tegen de satanische machten (de wereld, de geestelijke leiders) om hem heen, maar de vrucht zal zijn dat de Gemeente, van Kolosse, het ”Geheimenis van Christus” zal kennen. Het kwade ten goede gekeerd! De satan, door de hand van de Romeinse overheersers, wil hem breken; Christus overwint! Hij is zo zeker dat zijn volhardende geloof vrucht zal dragen, dat dit alleen al een enorm getuigenis en troost is voor de Gemeente te Kolosse.

Hoofdstuk 2:4-3:4
Na de wijsheid van Christus te hebben uitgelegd volgt de eigenlijke beweegreden voor deze brief, met als kern 2:8-9. In Kolosse en Laodicea waren namelijk gelovigen die de zogenaamde ’gnostische wijsheid’ leerden, een vorm van zogenaamde ’geheime kennis’. Paulus noemt deze kennis ”ijdel bedrog”, immers (vers 9): in Christus woont de volheid van God en zij hadden in Hem daaraan ook deel gekregen wat veel meer was dan de menselijke wijsheid van de gnostiek!

Deze ’gnostische leer’ onderwees onder andere het volgende:

  • Zelfkastijding (2:23) welke zou leiden, volgens hen, tot een ”meer verheven christendom”;
  • Verbieden van bepaalde soorten eten, het vieren van bepaalde hoogtijdagen en ”apart-gezette” dagen als de sabbat, het vieren van de nieuwe maan, etc, etc. (2:16)
  • Engelenverering, inwijdingen (2:17)
    De gevolgen hiervan zijn duidelijk als we zien waar de Gemeente van Laodicea een 25 jaar later zich geestelijk ”bevind”: Openbaring 3:14-22. Ze zijn niet heet of koud, ze zijn lauw geworden. En net als lauw water door mens wordt uitgespuugd, zo spuugt de Heer hen uit als zij zich niet zullen bekeren. Met andere woorden: ze moesten terugkeren van de weg welke ze waren ingeslagen, anders kostte het hun de heerlijkheid!

Tegenwoordig is het helemaal ’in’ om te spreken over engelen, predikers hebben ze ’gezien’ en vertellen er met smaak over. Het komt voor dat tijdens de samenkomsten alleen maar over ’engelen’ wordt gesproken, de preek wordt onderbroken omdat iemand een gedaante ziet of hoort.
Paulus wijst de gemeente er op (3:3) dat zij gestorven zijn -in geestelijke zin - voor de wereld. Zij zijn mét Christus begraven in de doop (2:11, 12. Daarom ook zijn zij -in geestelijke zin - dood voor de wet en de (menselijke) inzettingen als religieuze regels. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de vele ”kerkelijke regels” welke er door de diverse kerken, en ook Evangelische gemeenten, zijn gemaakt! Menselijke inzettingen zijn in dit opzicht dan ook de doodsteek voor geestelijk leven! Het kan dan ook niet zo zijn dat we daarin geoordeeld worden door de Heer en elkaar, als mensen, be - of veroordelen hierin. Paulus maakt zeer duidelijk dat dit soort zaken daarom niet behoren tot waar christelijk geloof.

In dit gedeelte komt ook naar voren dat de doop een beeld is van het samen met Christus ”sterven en opstaan”. Door de wedergeboorte en de doop zijn we als gelovigen ”dood” voor de wereld. Wij zijn hierdoor begraven én weer opgestaan - als een nieuwe schepping in Christus. Dit toont dan ook de Bijbelse volgorde:

  • Éérst Christus aanvaarden, middels de wedergeboorte: 2:6;
  • Dán met Hem ”begraven worden en opstaan” in de doop: 2:12
    Alle prachtige theologische vondsten ten spijt; dit is wat de Schrift leert.

Terecht heeft Paulus de oudsten van Efeze gewaarschuwd tegen de komst van verscheurende wolven die de kudde [de gemeente] niet zouden sparen (Hand. 20:29. Een tirannieke geestelijkheid heerstte over de leken, en het menselijk systeem werd zo machtig dat in de middeleeuwen de kerk een politieke wereldmacht werd, die eeuwenlang over keizers en koningen heerste. Onmogelijke christelijke plichten en wetten werden opgelegd, en wie ze niet nakwam werd met excommunicatie, brandstapel en vernietiging bedreigd. Bovendien werd een walgelijk systeem van afgoderij ingevoerd. We zien hier dat het vasthouden van de volledige waarheid van de structuur van de gemeente als Lichaam van Christus direct samengaat met het vasthouden van de waarheid dat Hij het hoofd van de Gemeente is. De apostel had reeds verklaard dat ieder die Christus als zijn persoonlijke verlosser aanvaardt, in Hem alles bezit. Wij zijn volmaakt IN HEM. Dat wil zeggen dat wij, in Gods ogen, een positie van volmaakte heiligheid bezitten, niet op grond van wat wij zelf zijn maar op grond van de absolute volmaaktheid van het werk van Christus. Welk een dwaasheid was het nu om engelen, schepselen, te vereren, als Christus ons in zulk een positie van nabijheid tot God gebracht heeft. Is Christus niet boven alle machten en dus ook boven (Aarts)engelen verheven? (DJ Christiaanse)

Nogmaals: het maakt niet uit wat wij zijn, welke regels we allemaal onderhouden, of we hogere wezens vereren of ingewijd zijn in welke groep ook - denk hierbij bijvoorbeeld ook aan de kinderdoop, feitelijk een Babylonisch inwijdingsritueel, en de daaraan gerelateerde verbondsleer - zonder wedergeboorte en opstanding in Christus kan het ons niet redden!

Hoofdstuk 3:5-17
We vinden hier de praktische uitwerking van het (nieuwe) leven als Christen. Het gaat daarbij niet allemaal vanzelf na de wedergeboorte! Er staat: ”doodt dan de leden”, ofwel: er is een actieve houding nodig van de gelovige. Het komt je niet aanwaaien, je moet het zelf willen en strijd voeren tegen onreinheid, heerszucht, begeerte(n), etc.
Paulus schrijft: ”thans moet ook gij dit alles wegdoen” omdat de gelovige -in geestelijke zin - een nieuwe schepping is en daar dus óók een nieuwe levenswandel bij hoort. Wanneer de gelovige dit doet, hiernaar leeft, dan zal hij komen tot volle kennis, naar het beeld van God.

Dit is geen eigen werkzaamheid, dit is leven in gehoorzaamheid aan Christus!
Het gevolg hiervan is tevens dat er geen onderscheid meer is tussen ras - of afkomst, slaaf of vrije, heiden of Jood, in allen is Christus. Wanneer we als gelovigen zo denken en handelen openbaart zich het ware lichaam: de Gemeente, waarin we elkaar verdragen en vergeven, zorg voor elkaar dragen en door de band van de onderlinge liefde voor elkaar ontstaat er een volmaakt gemeentelijk samenzijn! Natuurlijk geldt dit niet alleen voor de zondagse samenkomst of de Bijbelstudies, dit dient de praktijk van alle dag te zijn, vgl. in dit opzicht het leven van de eerste gemeente in Handelingen 4:32 e.v.

Dit alles heeft niet alleen zijn uitwerking in de Gemeente, maar ook in het praktische, dagelijkse leven:

  • Een juiste verhouding tussen man en vrouw (3:18, 19);
  • Een juiste verhouding tussen ouders en kinderen (3:20, 21);
  • Een juiste verhouding ten opzichte van onze wereldse ’heren’ (werkgevers, overheden. Vergelijk hoe Paulus de slaven en de heren opdracht geeft met - en naar elkaar te handelen!

Tot slot, hoofdstuk 4
Hierin roept Paulus de gemeente op voor hem en zijn medearbeiders te bidden en, als gelovige, zelf ook te volharden in gebed en (het) waakzaam zijn. Met als gevolg dat de evangelieverkondiging doorgang zal vinden, vrucht mag dragen én wij, als gelovige, ook ten opzichte van de wereld om ons heen een getuigenis mogen zijn.

Samenvatting
Samengevat wordt in deze brief het volgende onderwezen/de volgende vragen beantwoord:

  • Wie is Christus? : Hij is God, naar de aarde gekomen in de gedaante van een mens;
  • Wat heeft Christus gedaan? : Hij is gestorven aan het kruis; God met de mensen verzoent;
  • Wat is hiervan het gevolg? : Eeuwig leven voor een ieder die gelooft; het ontstaan van de Gemeente.
  • Hoe wordt een mens deel van de Gemeente? : Bekering en doop
    (Let wel! De Gemeente, het Lichaam van Christus, is dus géén kerk, plaatselijke gemeente, groep, etc. waarvoor een lidmaatschap of ”inwijdingsritueel” benodigd is, als mens is men lidmaat van de Gemeente van Christus zodra men tot wedergeboorte komt en zich heeft laten dopen! Een gemeente waar men de ’kinderdoop’, ’belijdenis doet’ en/of ’volwassendoop’ als ’entreebewijs’ voor de plaatselijke gemeenschap verlangt en/of de doop koppelt aan het ”lid worden” van de plaatselijke groep houdt zich derhalve bezig met het hellend vlak van het ’inwijdingsritueel’.)

    Gevolg hiervan:
  • Nieuw leven in Christus, voor eeuwig;
  • De wet -en menselijke ”religieuze” inzetting - heeft geen heerschappij meer;
  • Onderlinge liefde, een nieuwe levenswandel, een veranderd leven.

    Praktische uitwerking:
  • Een leven naar Gods wil;
  • Niet meer onder het juk van religieuze regels of ”de Wet”;
  • Een leven met Christus als Heer en een praktische levenswandel waar dit uit blijkt.