BijbelArchief
Jacobus brief
Jacobus brief, “tekst - voor - tekst” studie
 

Jacobus brief, “tekst - voor - tekst” studie.

In deze studie willen wij tekst voor tekst, in combinatie met andere Bijbelteksten, de Jacobus-brief bestuderen. In de praktijk kun je verschillende kanten met een tekst voor tekst verklaring uit de voeten, de ene keer leg je de nadruk op de profetische strekking van een bijbelgedeelte, de andere keer op bekering en in wéér een andere versie zou b.v. de persoonlijke toerusting, bemoediging maar ook vermaning kunnen zijn. De laatste invalshoek zou ik de komende twee bijbelstudieavonden willen belichten, wij gaan naar onze persoonlijke toerusting, bemoediging en vermaning kijken. Deze brief behandeld heel veel aspecten van het christen zijn, onze relatie met de Here Jezus Christus én de onderlinge verhoudingen van de gelovigen.

Jacobus 1:

1. Jakobus, een dienstknecht van God en van de Here Jezus Christus, groet de twaalf stammen in de verstrooiing.

Hier schrijft Jacobus uitdrukkelijk aan de Christenen uit de Israëlieten, dus aan de Messias belijdende Joden zouden wij tegenwoordig zeggen. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat deze brief voor de christenen uit de heidenen, waar ik mij zelf ook reken, geen waarde zou hebben. Jacobus is een broer, eigenlijk een halfbroer, van de Here Jezus Christus, dit vinden wij in Mattheus 13:55.

Lezen: Mattheus 13: 53-58.

Verder zien wij dat hij een leidende positie bekleedde in de gemeente te Jeruzalem. Dit vinden wij in Handelingen 15:13-21 (Lezen) waar hij met autoriteit de broeders toespreekt in de vergadering waarin besloten is, en uitgesproken door Jacobus dat de gelovigen uit heidenen niet meer lasten opgelegd mogen worden dan zich te onthouden van bloed, het verstikte en hoererij.

2. Houdt het voor enkel vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt,

Jacobus wil hier dus mee zeggen dat wij, wanneer wij in beproevingen, verzoekingen vallen, dus worden verzocht, wij er blij om moeten zijn. Niet dat het zo’n feest is dát wij beproefd of verzocht worden maar wél dat satan ons de moeite waard vindt óm ons te verzoeken. Een lauwe christen zal niet verzocht worden, die is al lauw en zonder -, of met een matige relatie met de Here Jezus. In het kort kunnen wij dus stellen dat naar mate onze verzoekingen heviger worden wij kennelijk interessanter voor satan zijn die ons bij de Here vandaan wil halen.

3. Want gij weet, dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt.

4. Maar die volharding moet volkomen doorwerken, zodat gij volkomen en onberispelijk zijt en in niets te kort schiet.

Onze beproeving stelt ons in staat in Christus Jezus te groeien, een soortgelijke verwijzing zien wij ook in Romeinen 6:22;

“Maar thans, vrijgemaakt van de zonde en in de dienst van God gekomen, hebt gij tot vrucht uw heiliging en als einde het eeuwige leven”.  Romeinen 6:22

Deze vrucht van heiliging komt ons niet zo maar aanwaaien, het is de vrucht van de beproeving waarin wij overwinnaar bleken te zijn. Nu begrijpen wij óók beter waarom Jacobus in vers 2 zegt: “Houdt het voor enkel vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt”, deze beproeving brengt ons de vrucht van de heiliging, mits wij in die beproeving overwinnaar bleken te zijn.
 
5. Indien echter iemand van u in wijsheid te kort schiet, dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden.

De Here verwijt ons onze tekortkomingen niet, zoals mensen het elkaar steeds wel doen. In Zijn liefde en bewogenheid voor ons geeft Hij ons wat wij nodig hebben, zonder enig verwijt of voorwaarde van Zijn kant, mits wij natuurlijk ons aan hem geven! Verder valt op te merken dat deze tekst vaak wordt misbruikt en verkeerd uitgelegd, evenals een vele andere teksten. Want het is niet zo dat wanneer wij mensen wijsheid nodig hebben, of dénken nodig te hebben, wij dit van de Here kunnen vragen zoals wij een hamburger bestellen bij MacDonald. Bij de Here bestaat er geen fast-food, geen hapklare brokken maar Hij wil juist dat wij zelf ons best doen en dán zal hij ons ook ondersteunen en onderwijzen. Dan zal hij ons de wijsheid schenken die we nodig hebben, hierdoor krijgen wij het juiste inzicht om de beproevingen te door staan én te overwinnen. In Spreuken 2:1-7 lezen wij óók van deze wijsheid die de Heer ons wil schenken

'Mijn zoon, indien gij mijn woorden aanneemt en mijn geboden bij u bewaart, Zodat uw oor de wijsheid opmerkt en gij uw hart neigt tot de verstandigheid, Ja, indien gij tot het inzicht roept en tot de verstandigheid uw stem verheft; Indien gij haar zoekt als zilver en naar haar speurt als naar verborgen schatten, Dan zult gij de vreze des Heren verstaan en de kennis Gods vinden. Want de Here geeft wijsheid, uit zijn mond komen kennis en verstandigheid; Hij bewaart hulp voor de oprechten, Hij is een schild voor wie onberispelijk wandelen”.  Spreuken 2:1-7

Zoals wij in Spreuken lazen; “Indien gij haar zoekt als zilver en naar haar speurt als naar verborgen schatten”, zullen wij zélf moeten zoeken naar die wijsheid. Die wijsheid krijgen wij van de Here God als wij haar zoeken als zilver en verborgen schatten, die wijsheid vinden wij in Zijn Woord en als wij bidden om inzicht in het Woord zullen wij het ontvangen. Wie het Woord van de Here ontvangt, dus Zijn wijsheid en inzicht ontvangt prikt door alle waanwijsheid heen van vele predikers en evangelisten die ons het evangelie in hapklare en populaire brokken willen geven, als het ware het “Christelijke MacDonalds” gevoel. Dit gevoel, deze smaak staat er om bekend dat ze wereldwijd het zelfde is, laf en flauw eten dat met een sausje op smaak gemaakt moet worden, echt Amerikaans, noch smaak nog reuk, de saus is de smaakmaker.

6. Maar hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende, want wie twijfelt, gelijkt op een golf der zee, die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt.

Hier stelt de Here God zijn voorwaarde, deze voorwaarde doelt op de aart en het wezen van gebed. Het bidden moet “een bidden in geloof zijn”, het gaat niet om de zekerheid van de verhoring zoals christenen heel vaak denken want de verhoring ligt in de hand van de Here God, een verhoring die wij voor ogen hebben is niet altijd het beste voor ons. Wat Jacobus hier bedoeld is dat wij moeten bidden in het vertrouwen, in het onwrikbare vertrouwen in de macht en almacht van de Here God zoals wij lezen in Mattheus 7:7-11;

“Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden. Of welk mens onder u zal, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geven? Of als hij een vis vraagt, zal hij hem toch geen slang geven? Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden”.  Mattheus 7:7-11

7. Want zulk een mens moet niet menen, dat hij iets van de Here zal ontvangen,

8. Innerlijk verdeeld als hij is, ongestadig op al zijn wegen.

In ons geloofsleven twijfelen wij heel vaak, onze geest is vaak in beweging en deint vaak op en neer tussen “ja” en “nee”. Maar als wij  werkelijk op de onvoorwaardelijke beloften van de Here vertrouwen vinden wij rust en vrede, ook al zien wij de uitkomst direct niet;

“Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, indien gij geloof hebt en niet twijfelt, zult gij niet alleen doen wat met de vijgeboom is gebeurd, maar zelfs indien gij tot deze berg zegt: Hef u op en werp u in de zee, het zal geschieden. En al wat gij in het gebed gelovig vragen zult, zult gij ontvangen”.  Mattheus 21:21-22
 
“Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt”.  Efeze 4:14

Paulus zegt hier in de Efeze-brief waar het om gaat; een christen kan alleen maar als volwassen en mondig in het geloof beschouwd worden zodra deze niet meer mee gaat op de golven van het moment. Dit is in principe het zelfde wat wij lezen in Jacobus 1:6, een christen behoort een volwassen geloof te hebben dat gefundeerd is op de Bijbel, niets meer en niets minder. Hoe vaak komt het niet voor dat er zich een nieuwe trend aan dient, de ene keer moeten wij geloven dat we genezing moeten zoeken, de andere keer komt er iemand die beweerd dat onze gebeden verhoord zullen worden zodra wij in vastomlijnde beelden bidden, als het ware de nieuwe auto waar wij om vragen al voor ogen zien, zelfs in bouwjaar en kleur. Dit noemt men visualisatie, visualiserend bidden. Maar…… kijk wel uit dat u niet mee gaat in deze, steeds terugkerende zaken want ze komt vanuit het Boeddhisme.

En zo zien wij steeds opnieuw allerlei wind van leer op ons af komen, meestal houden dit soort zaken het niet erg lang vol en worden ze op een bepaald moment vervangen door een volgende, naar men zegt een nóg succesvollere trend. De Bijbel kent dit soort zaken niet, voor de Bijbel, het Woord van God staat alles vast, Jezus Christus die gestorven is, is de enige weg tot behoudenis en dáár zijn geen hulpmiddelen, boekjes of systemen bij nodig.

9. Laat de geringe broeder roemen in zijn hoogheid,

Het woord “geringe” heeft in dit opzicht letterlijk de betekenis van “gering in maatschappelijk opzicht”, dus iemand met een lage maatschappelijke status. In de wereld is zijn maatschappelijke status klein en gering maar in Christus mag deze zich beroemen in zijn Glorie, in de overwinning mét Christus Jezus.

10. Maar de rijke in zijn geringheid, want als een bloem in het gras zal hij vergaan.

Rijke – en mensen met enige maatschappelijke status, óók christenen, vergeten vaak gemakkelijk dat het leven van een mens eigenlijk maar een ademtocht is en dat het aardse leven bepalend is voor de échte positie, de hemelse positie.

“Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig, dat wij stof zijn. De sterveling; zijn dagen zijn als het gras, als een bloem des velds, zo bloeit hij; Wanneer de wind daarover is gegaan, is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer. Maar de goedertierenheid des Heren is van eeuwigheid tot eeuwigheid over wie Hem vrezen, en zijn gerechtigheid over kindskinderen”.  Psalm 103:14-17

De apostel Jacobus legt zijn vinger hier op een heel gevoelige plek want óók in kerken en gemeenten hebben mensen met veel geld of een hogere maatschappelijke status vaak veel aanzien, in ieder geval meer aanzien dan anderen met weinig inkomen en luxe. Tijdens mijn jeugd in Noord Oost Friesland bezochten wij de Gereformeerde Kerk en elk jaar werden daar enkele leden voor de kerkenraad gekozen. Het viel mij toen al op dat de functie’s binnen de kerk maatschappelijk bepaald waren, de boeren werden ouderling en de middenstanders kwamen altijd als diaken in de raad. Buiten het feit dat deze wijze van benoemen van de ouderlingen niet in de Bijbel terug te vinden is, veroordeeld de Bijbel deze wijze van doen óók!

Lezen: Jacobus 2:1-4

In Christus heeft geld en status niets, maar dan ook niets te betekenen, niet alleen in Psalm 103 en Jacobus 2:1-4 lezen wij dit maar óók in de volgende verzen van Jacobus 1

11. Want de zon komt op met haar hitte en doet het gras verdorren, en zijn bloem valt af en de schoonheid van haar uiterlijk verdwijnt; zo zal ook de rijke met zijn ondernemingen verwelken.

De rijke, maar ook de arme is voor Christus Jezus gelijk, een zondaar die gered moet worden door Zijn verzoenende bloed op Golgotha naar het evangelie dat Hij door zijn dood heeft verkondigd:

“Want: Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem in het gras; het gras verdort en de bloem valt af, Maar het woord des Heren blijft in der eeuwigheid. Dit nu is het woord, dat u als evangelie verkondigd is”.  1 Petrus 1:24-25

12. Zalig is de man, die in verzoeking volhardt, want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben.

“Weet gij niet, dat zij, die in de renbaan lopen, allen wel lopen, doch dat slechts één de prijs kan ontvangen? Loopt dan zo, dat gij die behaalt!En al wie aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles; zij om een vergankelijke erekrans te verkrijgen, wij om een onvergankelijke”.  1 Korinthe 9:24-25

Laten wij eens terug gaan naar de verzen 2 – 4 van Jacobus1en dit vergelijken met vers 9 waar gesproken wordt over de rijke (degene zonder Christus natuurlijk) die spoorloos verdwijnt als het gras wanneer “de hitte van de dag”, de verzengende oostenwind, de sirocco, er over heen is gegaan.

“Houdt het voor enkel vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt, Want gij weet, dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt. Maar die volharding moet volkomen doorwerken, zodat gij volkomen en onberispelijk zijt en in niets te kort schiet”.  Jacobus 1:2-4

“Laat de geringe broeder roemen in zijn hoogheid, Maar de rijke in zijn geringheid, want als een bloem in het gras zal hij vergaan”.  Jacobus 1:9-10

Maar wie de “proef” heeft doorstaan, zowel de arme las ook de rijke die nederig en afhankelijk van de Here God wil leven zal zijn “kroon des levens”, zijn “erekrans” ontvangen, de kroon die wij later als lofoffer aan de Here God mogen offeren.

“En wanneer de dieren heerlijkheid, eer en dankzegging zullen brengen aan Hem, die op de troon gezeten is en tot in alle eeuwigheden leeft, Zullen de vierentwintig oudsten zich nederwerpen voor Hem, die op de troon gezeten is en Hem aanbidden, die tot in alle eeuwigheden leeft, en zij zullen hun kronen voor de troon werpen, zeggende: Gij, onze Here en God, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de macht; want Gij hebt alles geschapen, en om uw wil was het en werd het geschapen”.  Openbaring 4:9-11

Hier zien wij dus dat wij ondanks onze overwinning op de beproevingen en verzoekingen, de kroon, de lauwertak, in eerbied en als lofoffer eens aan de Here God (terug) zullen schenken. Dit zullen wij dan niet doen omdat wij gedwongen zijn dit te doen, maar uit dankbaarheid voor onze eeuwige redding door het bloed van onze Here Jezus Christus

13. Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking.

Wij kennen de opmerkingen over dit onderwerp allemaal, zo roepen hele volksstammen dat ze niet in een God willen geloven omdat deze honger, oorlog en geweld toe staat in de wereld. Ook onder hen die zich christen noemen horen wij deze opmerkingen wanneer ze ziek zijn, een dierbare is overleden, enz. Maar van wie komen de verzoekingen? Deze komen niet van God, als mens zijn wij zo snel met onze gedachten en onze mond, als we eventjes door zouden denken zouden wij beseffen dat alle verzoeking van satan komt. Denk eens aan de zondeval in Genesis 3, vanaf dát moment kwam zonde, ziekte en nood in de wereld. En vanuit die zondige situatie worden wij verzocht door de boze, wij laten het zo vaak toe in ons leven:

“Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen”.  Galaten 6:1

Hier zien wij dat Paulus waarschuwt voor een mogelijke zonde die door verzoeking op ons af komt. Een heel duidelijke poging om iemand tot zonde te verleiden zien wij in Lucas 4

“En toen de duivel alle verzoeking ten einde had gebracht, week hij van Hem tot een bestemde tijd”.  Lucas 4:13

Lezen: Lucas 4: 1-13.

14. Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte.

Op het woordje “eigen” ligt de nadruk, de schuld ligt in de mens zelf door satan de gelegenheid te geven, de Here Jezus Christus gáf hem de kans niet, die pareerde de uitspraken van satan met de Bijbel, het Woord van God. De satan had er alle belang bij dat de Heer Zijn in de verleiding zou trappen, dit was hem als eens eerder gelukt bij een mens die geen zonde op het geweten had, n.l. bij Adam, de eerste Adam. Wat zou het voor satan een overwinning geweest zijn als hij de twee Adam, de Here Jezus Christus óók buiten spel had kunnen zetten. In dat geval was de wet niet vervuld en leefden wij als christenen nog onder de wet, onder de zonde:

“Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een ander, van Hem, die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen.
 Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen; Maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter”. 
Romeinen 7:4-6

15. Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort.

Dit proces voltrekt zich onherroepelijk. Eerst wordt de begeerte bevrucht, denk aan Eva die een vrucht zag, begeerlijk om te eten, en daarna voltrekt de zonde zich. Ook kunnen wij hierbij aan David denken, hij zág Bathséba, hij zág dat ze begeerlijk was, en zowel David én Bathséba gaven uiteindelijk toe aan de zonde, de gevolgen waren vreselijk, het verwekte kind, en de wettige echtgenoot Uria overleefden deze overspelige zonde niet:

“Op zekere avond stond David van zijn rustbed op en wandelde op het dak van het paleis, en hij zag van het dak af een vrouw, bezig zich te baden; en die vrouw was zeer schoon van uiterlijk”.  2 Samuël 11:2

Ik kan moeilijk geloven dat Bathséba de onschuld zélf geweest is, ze wist dat wanneer ze op dat platte dak in bad ging dat de buren, en vooral de koning die in een grotere woning, een paleis, woonde en ruim zicht op haar bezigheden zou hebben. Dat Bathséba de wet niet erg getrouw nam laat zien dat ze met een man, Uria een Hethiet, uit de heidenen getrouwd was, ook dit werd haar naar ik aanneem niet door de Here in dank afgenomen:

“Wanneer gij van hun dochters voor uw zonen neemt en zij haar goden overspelig nalopen, dan zouden zij tevens uw zonen tot overspelig nalopen van haar goden verleiden”.  Exodus 34:16
Zie ook: Ezra 9:1 t/m Ezra 10:44

De gevolgen van zo’n daad kunnen héél ver gaan, zelfs tot in de verre geslachten:

“Het geschiedde namelijk, toen Salomo oud geworden was, dat zijn vrouwen zijn hart meevoerden achter andere goden, zodat zijn hart de Here, zijn God niet  volkomen was toegewijd gelijk dat van zijn vader David”.  1 Koningen 11:4

Lezen: 1 Koningen 11:1-13.

16. Dwaalt niet, mijn geliefde broeders.

Hier waarschuwt Jacobus de gelovigen voor zelfbedrog en dwaling, met een dergelijke waarschuwing  spreek Paulus ook in de Galaten brief:

“Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten”.  Galaten 6:7

17. Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder,van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer.

Van de Here God komt alles wat we nodig hebben, let wél, wat wij nódig hebben, niet wat wij dénken nodig te hebben.  Al het goede ontvangen wij van Hem zoals de Here ons Zelf heeft beloofd in Mattheus 7:7-12;

“Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal  opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden. Of welk mens onder u zal, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geven? Of als hij een vis vraagt, zal hij hem toch geen slang geven? Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden”.  Mattheus 7:7-11

De Here God geeft waar wij om bidden, vragen en tóch zien wij de uitkomst zo vaak niet zoals wij het graag zouden zien. Wij kunnen ons in dat geval afvragen of we wel de juiste zaken vragen, óf ons gebed wel in overeenstemming met zijn wil is. In materiele zaken kunnen wij als mensen wel enig begrip voor op brengen maar het wordt anders als het zaken betreft die ons gevoels - en geloofsleven betreft. Hierin staan wij niet alleen, denk maar eens aan Elia, hij voelde zich totaal afgedraaid en onbegrepen, zelfs door de Here God:

“Zelf echter trok hij een dagreis ver de woestijn in, ging zitten onder een bremstruik en begeerde te mogen sterven, en zeide: Het is genoeg! Neem nu Here, mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen. Daarop legde hij zich neer en sliep in onder een bremstruik. Doch zie, daar raakte een engel hem aan en zeide tot hem: Sta op, eet”.
1 Koningen 19:4-5

Als een man als Elia Gods bedoelingen al niet begreep hoe moeten wij er dan soms mee aan? Zoals Elia eenvoudig moest accepteren dat er nog een taak op hem lag te wachten zullen wij óók zo nu en dan moeten accepteren dat, ondanks ons gevoel dat onze gebeden niet begrepen of verhoord worden, er een andere verhoring is dan wij verwachten. Dat sterke en volwassen gelovigen de bedoelingen van de Here niet altijd begrijpen zien wij ook in het leven van Paulus, hij leed aan een lastige kwaal, zeer waarschijnlijk een oogziekte, maar begreep ook niet in één keer dat de Here God iets anders met hem voorhad dan hij eigenlijk zou willen:

“En ook om het buitengewone van de openbaringen. Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel des satans, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen. Driemaal heb ik de Here hierover gebeden, dat hij van mij zou aflaten. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, smaadheden, noden, vervolgingen, benauwenissen ter wille van Christus, want als ik zwak ben, dan ben ik machtig”.  2 Korinthe 12:7-10

In het kort gezegd mogen wij dus stellen dat onze gebeden wél verhoord worden maar dat wanneer de Her God het beter voor ons acht dat de verhoren uitblijft of anders vervuld wordt wij daarvoor begrip moeten op kunnen brengen, hoe moeilijk dit soms ook zal zijn.

18. Naar zijn raadsbesluit heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid, om in zekere zin eerstelingen te zijn onder zijn schepselen.

Hierin moeten wij de scheppende kracht van de Here zien, Hij heeft ons voorgebracht, in die zin dat wij eerstelingen, tot bekeerde mensen zijn geschapen door Zijn bloed volbracht op Golgotha.

19. Weet [dit] wel, mijn geliefde broeders: ieder mens moet snel zijn om te horen, langzaam om te spreken, langzaam tot toorn; 20 Want de toorn van een man brengt geen gerechtigheid voor God voort.

De apostel zegt hier mee dat wij snel van begrip moeten zijn, goed moeten luisteren wat de Here in Zijn Woord tot ons wil zeggen maar dat wij ook bedachtzaam in ons spreken, onze daden moeten zijn. In Efeze 4:25 zien wij deze opmerkingen iets duidelijker uitgelegd:

“Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander. Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan”.  Efeze 4:25

21. Legt dus af alle vuilheid en alle uitwas van boosheid en neemt met  zachtmoedigheid het in u geplante woord aan, dat uw zielen kan behouden.

Dit vers moeten wij als hoofdgedachte beschouwen van de Jacobus-brief, dit is het sleutelvers waaraan de boodschap in deze brief is opgehangen. De christen wordt hier aangesproken in de verantwoordelijkheid van het geloof. Wie door de Here God is verlost zal Hem in daad en woord verheerlijken want het ene is de vrucht van het andere:

“Kinderkens, laten wij liefhebben niet met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid”. 
1 Johannes 3:18

Lezen: 1 Johannes 3:18-24

22. En weest daders des woords en niet alleen hoorders: dan zoudt gij uzelf  misleiden.

23. Want wie hoorder is van het woord en niet dader, die gelijkt op een man, die het gelaat, waarmede hij geboren is, in een spiegel beschouwt;

24. Want hij heeft zich beschouwd, is heengegaan en heeft terstond vergeten, hoe hij er uitzag.

Wie denkt dat alleen horen van het Woord voldoende is zou zich zelf misleiden, alleen aan horen van de boodschap van redding en verlossing voldoende zou vinden misleid zichzelf. Een mens kan een levenlang naar preken luisteren en toch niet tot een persoonlijk geloof komen, een leven lang uit gewoonte naar de kerk gaan en niet tot levend geloof in afhankelijkheid van de Here komen. Daar zijn tientallen, honderden voorbeelden van te noemen. Dit als gevolg van een kerkleer die mensen wijs maakt dat het besprenkelen van kinderen en op oudere leeftijd de z.g. belijdenis doen een mens tot christen maakt. Zo’n mens maakt zichzelf iets wijs, kijkt in de spiegel tijdens de belijdenis en vergeet later hij hij/zij er uit zag.

25. Maar wie zich verdiept in de volmaakte wet, die der vrijheid, en daarbij blijft, niet als een vergeetachtige hoorder, doch als een werkelijk dader, die zal zalig zijn in zijn doen.

De Joden hadden de wet totaal vervormd, onherkenbaar gemaakt en vaak in eigen voordeel uitgelegd en op slaafse wijze gevolgd moest worden:

“Gij verwaarloost het gebod Gods en houdt u aan de overlevering der mensen. En Hij zeide tot hen: Het gebod Gods stelt gij wel fraai buiten werking om uw overlevering in stand te houden. Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven. Maar gij zegt: Indien een mens tot zijn vader of moeder zegt: Het is korban, dat is, offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, Dan laat gij hem niet toe ook nog maar iets voor zijn vader of moeder te doen. En zo maakt gij het woord Gods krachteloos door uw overlevering, die gij overgeleverd hebt. En dergelijke dingen doet gij vele”.  Markus 7:8-13

De wet drukte als het ware als een vertstikkend juk op de hals, eigenlijk de nek, van de mensen:

“Nu dan, wat stelt gij God op de proef door een juk op de hals der discipelen te leggen, dat noch onze vaderen, noch wij hebben kunnen dragen?”  Handelingen 15:10

De mensen werden gedwongen de wet naar de letter te vervullen maar er werd geen aandacht geschonken aan de hartsgesteldheid van de mensen. Of dit nu uit een warm of koud hart kwam, de wet moest vervuld worden:

“Zij binden zware lasten bijeen en leggen die op de schouders der mensen, maar zelf willen zij ze met hun vinger niet verroeren.'   Mattheus 23: 4

Lezen: Mattheus 23: 1-38.

26. Indien iemand meent godsdienstig te zijn en daarbij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart misleidt, diens godsdienst is waardeloos.

Wij lezen in Psalm 24:4;
“Die rein is van handen en zuiver van hart, die zijn ziel niet op valsheid richt, noch bedrieglijk zweert. Die zal van de Here een zegen wegdragen en gerechtigheid van de God zijns heils”.  Psalm 24:4-5

En verder:
“Bewaar uw tong voor het kwade en uw lippen voor het spreken van bedrog; Wijk van het kwade en doe het goede, zoek de vrede en jaag die na”.  Psalm 34:14-15

Hiermee is eigenlijk alles gezegd, ondanks dat de Psalmen Oud Testamentisch zijn kan een christen zich ook spiegelen aan deze delen uit de Psalmen.

27 Zuivere en onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren.

Jacobus 2:

1. Mijn broeders, houdt uw geloof in onze Here der heerlijkheid, Jezus Christus, vrij van aanzien des persoons.

De Here is Redder van rijken en armen zonder enig onderscheid. Het geloof in Hem, en de relatie met hem moet dan ook alle bevoorrechting, corruptie of asociaal gedrag uitsluiten binnen de gemeente van Christus. Bij de Here God is géén aanziens des persoons:

“Want er is geen aanzien des persoons bij God”.  Romeinen 2:11

“Gij weet immers, dat een ieder, hetzij slaaf, hetzij vrije, al het goede, dat hij gedaan heeft, van de Here zal terugontvangen. En gij, heren, handelt evenzo jegens hen; laat het dreigen na. Gij weet immers, dat hun en uw Heer in de hemelen is, en bij Hem is geen aanzien des persoons”.  Efeze 6:8-9

Deze teksten maken ons duidelijk dat binnen de Gemeente van Christus niet mag gezien worden op de leefsituatie maar óók niet op leeftijd of afkomst want voor de Here is een ieder het zelfde, een geredde zondaar die door hem persoonlijk tot heerlijkheid is gebracht.

2. Want stel, er kwam in uw vergadering een man binnen met een gouden ring aan zijn vinger en in prachtige kleding, en er kwam ook een arme binnen in schamele kleding,

3. En gij zoudt opzien tegen de man met de prachtige kleding en zeggen: neem gij hier deze goede plaats, maar tot de arme zoudt gij zeggen: ga gij daar staan, of ga beneden bij mijn voetbank zitten,

4. Zoudt gij dan geen onderscheid maken onder elkander en optreden als rechters, die zich door verkeerde overwegingen laten leiden?

Het is erg pijnlijk wanneer er verschil gemaakt wordt tussen de gelovigen en dit vertroebeld ook de onderlinge verhoudingen binnen de samenkomsten, iets wat niet zelden voor komt. Het komt in de praktijk van alle dag vaak voor dat de rijke gemeenteleden meer aanzien en aandacht ontvangen, louter en alleen vanwege het geld dat eventueel geschonken zou kunnen worden.

Een gemeente welke een nieuw kerkgebouw laat bouwen of het bestaande gebouw wil vergroten is maar wat blij met één of twee miljonairs in haar ledenbestand en geeft hen graag wat extra aandacht en eer. Maar of dit op grond van de Bijbel valt te rechtvaardigen mag u zelf beoordelen. In theorie weten de gelovigen heel goed dat bij de Here geen aanziens des persoons is, nee het is zelfs zo dat de Here de gesteldheid van het hart aan ziet:

“En Hij riep zijn discipelen en zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, deze arme weduwe heeft het meeste in de offerkist geworpen van allen, die er iets in geworpen hebben”.
Marcus 12:43

Lezen: Marcus 12:41-43.

5. Hoort, mijn geliefde broeders! Heeft God niet de armen naar de wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het Koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben?

In de eerste gemeente waren de meeste leden trouwens overwegend arm:

“Ziet slechts, broeders, wat gij waart, toen gij geroepen werdt: niet vele wijzen naar het vlees, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken. Integendeel, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen; En wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wel iets is, zijn kracht te ontnemen.”
1 Korinthe 1:26-28

6. Doch gij hebt de arme smadelijk behandeld. Zijn het niet de rijken, die u geweld aandoen en die u voor de rechtbanken slepen?

7. Zijn zij het niet, die de goede naam, welke over u aangeroepen is, lasteren?

8. Indien gij echter de koninklijke wet vervult naar het schriftwoord: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf, dan doet gij wel.

In vroegere tijden, ook ten tijde van Jacobus was het soms erg slecht gesteld in de verhoudingen tussen rijk en arm. Rijken sleepten mensen voor de rechter vanwege schulden, probeerden onder afgesproken lonen vandaan te komen, enz. In latere tijden, ondanks de reformatie was er weinig ten goede veranderd, werkgevers, ondanks dat ze lid van de kerk waren zagen ze er geen been in om hun werknemers slecht te behandelen. De gevolgen hebben wij gezien, hele gebieden in Nederland zijn bijna onbereikbaar voor het Evangelie van de Here Jezus Christus geworden.

Als voorbeeld noem ik Oost-Groningen waar liberale Nederlands Hervormde boeren zich in rijkdom wentelden, de kapitale boerderijen getuigen nog steeds van die enorme welvaart. Op ruime afstand van die boerderijen stonden dan de huisjes waarin hun arbeiders moesten wonen, arbeiders welke heel snel voor het communisme werden gewonnen. Deze schrijnende situatie was uiteindelijke resultaat van de z.g. “verlichting”, het Woord van God werd ter discussie gesteld en de beter gesitueerde kerkleden gingen daar in mee. Uiteindelijk werd het geloofsleven steeds liberaler, zochten de kerkvoogden predikanten die daar preekten en het geloofsleven werd langzamerhand een lege huls. Ze zochten leraren die naar hun begeerten predikten en het volk verwilderde in geestelijk opzicht en tot op de dag van heden zien we de gevolgen van dit soort predikers. De afval werd steeds groter ondanks de instandhouding van de vaak mooie kerkgebouwen en dat men zondags bijeen kwam om de liberale, vrijzinnige preek aan te horen.

9. Doch indien gij met aanzien des persoons handelt, doet gij zonde en wordt gij door de wet overtuigd van overtreding.

10. Want wie de gehele wet houdt, maar op een punt struikelt, is schuldig geworden aan alle [geboden].

11. Want Hij, die gezegd heeft: Gij zult niet echtbreken, heeft ook gezegd: Gij zult niet doodslaan. Indien gij nu geen echtbreuk pleegt, maar wel doodslag, zijt gij toch een overtreder van de wet geworden.

Jacobus, die zich als geboren Jood profileert en dus de wet met de paplepel is ingegoten refereert hier aan Deuteronomium 1:17 en Leviticus 19:15;

“Gij zult in de rechtspraak de persoon niet aanzien; gij zult de onaanzienlijke evenzeer horen als de aanzienlijke; gij zult voor niemand vrezen, want de rechtspraak is Godes. De zaak echter, die voor u te zwaar is, zult gij tot mij brengen, opdat ik die hore”.  Deuteronomium 1:17

“Gij zult bij het rechtspreken geen onrecht doen; gij zult de arme niet  begunstigen en de aanzienlijke niet voortrekken: op rechtvaardige wijze zult gij uw naaste berechten.”  Leviticus 19:15

De Christenen uit de Joden gingen een strijd aan met de christenen uit de heidenen over de noodzaak van de wet:

“En sommigen, uit Judea gekomen, leerden de broeders: Indien gij u niet besnijden laat naar het gebruik van Mozes, kunt gij niet behouden worden”.  Handelingen 15:1

“Welke van eeuwigheid bekend zijn. Daarom ben ik van oordeel, dat men hen, die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet verder moet lastig vallen,Maar hun aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed.”  Handelingen 15:18-20

Lezen: Handelingen 15: 1-21 (De wet is door zondig mens niet te volbrengen)

12. Spreekt zo en handelt zo als [mensen] [past], die door de wet der vrijheid zullen geoordeeld worden.

13. Want onbarmhartig zal het oordeel zijn over hem, die geen barmhartigheid bewezen heeft; barmhartigheid [echter] roemt tegen het oordeel.

Een christen is zelf gered door de Here Jezus, die mag dan toch niet (meer) liefdeloos zijn. Voor ons bestaat er een nauw verband tussen de liefde van de Here Jezus en van ons als wedergeboren mensen;

“Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is. En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; laat los en gij zult losgelaten worden. Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden.”  Lucas 6:36-38

In Spreuken zien wij een wijze les, ook al zouden wij ongelovig zijn, zou het zelfs handig zijn te investeren op de toekomst;

“Wie zijn oor gesloten houdt voor het hulpgeroep van de geringe, zal, als hij zelf roept, geen antwoord ontvangen”.
Spreuken 21:13

14. Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dat geloof hem behouden?

Geloof zonder werken is een theoretisch geloof, de Here verwacht vrucht(en) van het geloof, wij moeten wel bedenken dat Jacobus een andere invalshoek heeft dan Paulus, een schijnbare tegenstelling. Wanneer wij dit bestuderen komen we tot de ontdekking dat zowel Paulus, als ook Jacobus, in de eerste plaats denken aan het “Sola Fide”, redding door Christus alleen maar dat ze wél elk vanuit een andere invalshoek één en ander belichten: Bij Paulus is geloof de persoonlijke en volle overgave aan de Here Jezus Christus;

“Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet.”  Romeinen 3:28

Maar ook Paulus leert, in dit geval door de liefde, werken te verrichten;

“Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar geloof, door liefde werkende.”
Galaten 5:5
 
15. Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel,

16. En iemand uwer zegt tot hen: Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit?

Om de naaste die hulp nodig heeft, zo dichtbij mogelijk te noemen begint Jacobus in de naaste, directe omgeving, bij broeders en zusters in Christus. Alleen maar vriendelijke woorden gebruiken en de broeder en zuster in armoede achter laten is gewoon te belachelijk voor woorden. In één vers, vers zestien, zien wij het hele probleem, christendom, gemeente, rijkdom, prachtige gebouwen en daarnaast, vaak in de kerk of gemeente diepe armoede van broeders en zusters. In het verleden heb ik menige kathedraal en kerk bewonderd, niet vanwege het RK geloof maar vanwege de extreme luxe aankleding. Ik bedacht mij dan vaak dat de meeste gebouwen gebouwd zijn met geld dat de arme bevolking van zo’n streek werd afgetroggeld. Vaak dacht ik met mededogen aan de arme sloebers die een mooi plaatsje in de hemel beloofd werd, áls ze maar betaalden voor de weelde van de leidende kliek, de kerkleiding en adel die mooi weer speelde van de armoede en ellende van medegelovigen. Maar……… ik kijk óók menigmaal op de website van kerken en groepen, dan met name van de Evangelische groepen. Ik weet van bepaalde groepen dat daar ook arme mensen in de samenkomsten komen, mensen die het collectegeld haast niet op kunnen brengen, mensen die de zoveelste oproep, tot beschamend toe, om toch vooral tienden te geven onder ogen krijgen. Die tienden hebben de evangelische “broeders” hard nodig om evenals de rijke adel uit de middeleeuwen de luxe gebouwen te bekostigen, hun eigen eer en grootheid te bevestigen.

“En iemand uwer zegt tot hen: Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit?”  Jacobus 2:16.

Waarom niet een eenvoudiger gebouw of twee diensten op een zondag in het oude gebouw? Of moeten wij hierbij denken aan de hoogmoed van een koning uit een heel ver verleden?;

“Daarom, o koning, laat mijn raad u welgevallig zijn: doe uw zonden teniet door rechtvaardigheid en uw ongerechtigheden door erbarming jegens ellendigen; of er misschien verlenging van uw rust wezen moge. Dit alles overkwam koning Nebukadnessar. Na verloop van twaalf maanden, toen hij aan het wandelen was op het koninklijk paleis in Babel, Nam de koning het woord en zeide: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een koninklijke woonstede door de sterkte mijner macht en tot eer mijner majesteit? Nog was dat woord in des konings mond, toen er een stem nederklonk uit de hemel: U wordt aangezegd, o koning Nebukadnessar: het koningschap is van u geweken”.
Daniël 4:27-31

17. Zo is het ook met het geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood.

18. Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt geloof en ik heb werken. Toon mij dan uw geloof zonder de werken, en ik zal u mijn geloof tonen uit mijn werken.

Jacobus verwerpt, weerlegd hier de gedachte dat een levend geloof mogelijk zou zijn zonder enige daad. Hij zegt hier mee dat niemand zijn geloof kan demonstreren zonder werken want in werken krijgt het geloof een zichtbare gestalte. Uit werken blijkt dat mijn geloof een levensbeginsel is, het leeft.

“Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar geloof, door liefde werkende.”
Galaten 5:6

19. Gij gelooft, dat God één is? Daaraan doet gij wel, [maar] dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen.

Het geloof alleen, zonder meer inhoud, een groot te kort. Boze geesten geloven óók maar ze sidderen, sidderen van angst, de boze geesten beseften héél goed dat God de Schepper persoonlijk voor hen stond! Het is een theoretisch kennen en erkennen en die vorm van geloof brengt angst. In de Bijbel vinden wij een aantal aanwijzingen in Mattheus 8:28-34; Handelingen 19:15; Lucas 4: 34; Efeze 6:12; 1 Timotheus 4:1.

“En in de synagoge was iemand met een boze, onreine geest. En hij schreeuwde met luider stem: Ha, wat hebt Gij met ons te maken, Jezus van Nazaret? Zijt Gij gekomen om ons te verdelgen? Ik weet wel, wie Gij zijt: de heilige Gods.”
Lucas 4:33-34

De basis van het geloof van Israël, dus óók van de christen, is de monotheistische God, het geloof in één God. Dit staat haaks op het veel-goden-dom van de heidense (af) godsdiensten, het is van fundamenteel belang. Daarom slaan wij naar aanleiding van deze tekst eventjes een klein zijpaadje in:

“Hoor, Israël: de Here is onze God; de Here is één! Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, Gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat.”
Deuteronomium 6:4-7

Binnen het christendom is veel verwarring over deze teksten, de meeste gelovigen denken in de termen “Vader-Zoon-Heilige Geest”, zien de Here God onder invloed van de, oorspronkelijk, Roomse leer ook als drie personen! En hoe moet je hier dan mee uit de voeten? De Here Zelf zegt dat Hij ÉÉN is en de kerk heeft daar het dogma van de “Drie-enige God” van gemaakt! Eigenlijk het heel simpel te verklaren, Rome heeft het dogma van de drie-enigheid, in navolging van de Babylonisch/Romeinse godsdienst ingesteld en de reformatie heeft deze overgenomen ondanks dat deze dwaling in strijd is met de Bijbel zoals wij zagen in Deuteronomium 6:4.

Wanneer wij principieel zouden zijn, de drie-enigheid willen verdedigen zouden wij ook moeten verkondigen dat: De Here God dan ook als “Rechter” genoemd moet worden: Genesis 18:25; Richteren 11:27; Job 9:15, enz. Of als “Engel des Heren” welke 63 maal in de Bijbel genoemd wordt, wij weten toch allemaal dat met Dé Engel des Heren, Engel met een hoofdletter, de Here Jezus Christus bedoeld wordt? En zo zijn er nog wel een paar namen te bedenken waarmee de Here genoemd wordt in de Bijbel. Neem maar eens een concordantie ter hand en zoek eens op namen als: Heilige, Rechter, Rechtvaardige, Schepper, Onderhouder alle dingen, Vader, Genadige, Geest, Zoon, Trooster, enz, enz.

Laten wij in het kort eventjes bekijken waar de gedachte van het veel-godendom vandaan komt, want veelgodendom is het wanneer wij onze Here in drie delen verdelen. Wij lezen b.v. in “Ga uit van haar mijn volk” door D. Thomas een beschrijving van de oorsprong van de z.g. “hostie”, het wafeltje dat door de RK priester op de tong van de kerkgangers wordt gelegd tijdens de z.g. heilige communie:

Men gelooft dat de hostie 'Jezus' is, net zoals de oude Egyptenaren geloofden dat hun 'wafel' of 'hostie' hun zonnegod, Osiris, was [in feite: Nimrod, Baal]. Frapperend is dat de wafel niet alleen hetzelfde betekent, er staat ook nog eens hetzelfde als tekst op: IHS. Bij de Egyptenaren stond het voor 'Isis, Horus en Seb', de Egyptische drie-eenheid. Bij de R.K. Kerk zou het staan voor de eerste drie letters van 'de heilige naam van Jezus' in het Grieks. 'Hierin komt het z.g. 'goddelijke' van de ouwel [=hostie, D.T.] tot uiting. De niet-ingewijden mochten buigen voor de gift 'van het koren' tot voeding van hun lichaam, maar aanbaden de “moeder”, Isis, voor haar grotere gift, voor de voeding van hun zielen. De 'hostie' wordt door een formule van de priester tot het materiële vlees van het lichaam van de 'zoon'' ('Babylon leeft onder ons', pag. 35, J.I. van Baaren) De Egyptenaren geloofden o.a. dat door het wafeltje, die de zon of zoon voorstelde, men eeuwig zou leven.

20. Wilt gij weten, gij dwaze mens, dat het geloof zonder de werken niets uitwerkt?

21. Is onze vader Abraham niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Isaäk op het altaar legde?

In Abraham “onze geestelijke vader” hebben wij een voorbeeld gezien van een werkzaam geloof en als “geestelijke kinderen” van hem hebben wij zijn weg te gaan;

“Op dezelfde wijze heeft ook Abraham God geloofd en het is hem tot gerechtigheid gerekend. Gij bemerkt dus, dat zij, die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn.”  Galaten 3:6-7

22. Daaruit kunt gij zien, dat zijn geloof samenwerkte met zijn werken, en dat dit geloof pas volkomen werd uit de werken;

Geloof en werken vormden bij Abraham een natuurlijk geheel, werkte het één, dan werkte ook het andere. Het offer van Izaäk was een geloofswerk. Op grond daar van werd hij voor rechtvaardig verklaard, dat wil zeggen; door God aangenomen:

“En hij geloofde in de Here, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid.”  Genesis 15:6

Paulus beroept zich op het zelfde Schriftgedeelte als bewijsvoering:

“Want wat zegt het schriftwoord? Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.”  Romeinen 4:3

Ook voor Paulus, al zegt hij het op een andere, subtielere wijze, gaan geloof én werken hand in hand:

“Op dezelfde wijze heeft ook Abraham God geloofd en het is hem tot gerechtigheid gerekend.”  Galaten 3:6

23. En het schriftwoord werd vervuld, dat zegt: Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend, en hij werd een vriend van God genoemd.

24. Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit geloof.

25. En is niet evenzo Rachab, de hoer, uit werken gerechtvaardigd, toen zij de boodschappers in huis nam en langs een andere weg liet heengaan?

“Doch de stad en al wat erin is, zal door de ban de Here gewijd zijn; alleen de hoer Rachab zal in leven blijven, zij en allen die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden die wij uitgezonden hadden, heeft verborgen.”  Jozua 6:17

Wij zien hier dat bij Rachab, een door de mensen uitgespuugde vrouw, door de Here hoog werd geacht, ze werd beloond voor haar geloof dat gepaard ging met werken, haar geloof in de God van Israël dreef haar tot redding van verspieders.

26. Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood.

Door werken kunnen wij niet gered worden, wij kunnen niets toe voegen aan onze redding maar wél zal de liefde tot Christus ons dringen tot daden. Een geloof dat ons alleen tot activiteiten dringt op de zondag en eventueel een avond in de week als we naar een bidstond of bijbelstudie gaan is op zich een dood geloof, consumenten geloof dat lijkt op de gelijkenis van de talenten:

“Want het is als een mens, die bij zijn vertrek naar het buitenland zijn slaven riep en hun zijn bezit toevertrouwde. En de een gaf hij vijf talenten, een ander twee, een derde een, een ieder naar zijn bekwaamheid, en hij reisde buitenslands. Terstond ging hij, die de vijf talenten ontvangen had, op weg, en hij deed er zaken mede en verdiende er vijf bij. Evenzo verdiende hij, die de twee talenten had, er twee bij. Maar hij, die het ene talent ontvangen had, ging heen en groef een gat in de grond en verborg het geld van zijn heer. En na lange tijd kwam de heer van die slaven en hield afrekening met hen. En die de vijf talenten ontvangen had, trad toe en bracht nog vijf talenten bovendien,zeggende: Heer, vijf talenten hebt gij mij toevertrouwd: zie, ik heb er vijf talenten bij verdiend. Zijn heer zeide tot hem. Wel gedaan, gij goede en getrouwe slaaf, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga in tot het feest van uw heer. Die met de twee talenten trad ook toe en zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij toevertrouwd; zie, ik heb er twee talenten bij verdiend. Zijn heer zeide tot hem: Wel gedaan, gij goede en getrouwe slaaf, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga in tot het feest van uw heer. Nu kwam ook hij, die het ene talent ontvangen had, en zeide: Heer, ik wist van u, dat gij een hard mens zijt, die maait, waar gij niet gezaaid hebt, en die bijeenbrengt van plaatsen, waar gij niet hebt uitgestrooid. En ik was bevreesd en ben heengegaan en heb uw talent in de grond verborgen; hier hebt gij het uwe. En zijn heer antwoordde en zeide tot hem: Gij slechte en luie slaaf, wist gij, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb en bijeenbreng van plaatsen, waar ik niet heb uitgestrooid? Dan hadt gij mijn geld aan de bankiers moeten geven en ik zou bij mijn komst mijn eigendom met rente opgevraagd hebben. Neemt hem dan het talent af en geeft het aan hem, die de tien talenten heeft.”  Mattheus 25:14-28

De slaaf werd het talent afgenomen, meer niet, hij werd niet in een cel geworpen of wat dan ook. Hij had de kans gekregen, van hem werd lang niet zo verwacht dat degene die vijf talenten had ontvangen, maar zelfs die kleine verantwoordelijkheid wilde hij niet op zich nemen. Zo vergaat het velen van ons, velen hebben een geloof zonder werken, ze willen niets op zich nemen, geen enkele verantwoordelijkheid op zich nemen.

Jacobus 3:

1. Laat niet zovelen uwer leraars zijn, mijn broeders; gij weet immers, dat wij er des te strenger om geoordeeld zullen worden.

Vaak wordt er niet over nagedacht maar het zijn juist de leraren en geestelijke leiders welke grote verantwoordelijkheden dragen. Één fout van een voorganger of geestelijke leider kan een gemeente of groep uit elkaar drijven in twee kampen. Daar komt verder bij dat de Here van de door hem aangestelde leraren ijver en plichtsbetrachting verwacht, zoals ook van de slaven die talenten hadden ontvangen:

“En die de vijf talenten ontvangen had, trad toe en bracht nog vijf talenten bovendien,zeggende: Heer, vijf talenten hebt gij mij toevertrouwd: zie, ik heb er vijf talenten bij verdiend. Zijn heer zeide tot hem. Wel gedaan, gij goede en getrouwe slaaf, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga in tot het feest van uw heer”.

De heer van de slaven had hen persoonlijk opdracht gegeven het talent te beheren en te vermeerderen, zo vergaat het óók herders en leraren die door de Heer zijn aangesteld, de taak belangeloos en ten volle uitvoeren zonder enig winstoogmerk:

“Terwijl al het volk het hoorde, zeide Hij tot de discipelen: Wacht u voor de schriftgeleerden, die gesteld zijn op het wandelen in lange gewaden en houden van begroetingen op de markten, erezetels in de synagogen en eerste plaatsen bij de maaltijden; Die de huizen der weduwen opeten en voor de schijn lange gebeden uitspreken; dezen zullen een zwaarder oordeel ontvangen.”  Lucas 20:45-47

2. Want wij struikelen allen in velerlei opzicht; wie in zijn spreken niet struikelt, is een volmaakte man, in staat zelfs zijn gehele lichaam in toom te houden.

Lezen: Romeinen 3:9-20

3. Als wij paarden de toom in de bek leggen, zodat zij ons gehoorzamen, kunnen wij ook hun gehele lichaam besturen.

“Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet; Ik raad u; mijn oog is op u. Weest niet als een paard, als een muildier zonder verstand, welks trots men bedwingt met toom en bit, opdat het u niet te na kome. Talrijk zijn de smarten van de goddeloze, maar wie op de Here vertrouwt, die omringt Hij met goedertierenheid. Verheugt u in de Here en juicht, gij rechtvaardigen; jubelt allen, gij oprechten van hart.”  Psalm 32:8-11

4. Zie, ook de schepen, ofschoon zij zo groot zijn en door sterke winden voortgedreven worden, worden door een zeer klein roer gestuurd, waarheen maar het believen van de stuurman wil.

5. Zo is ook de tong een klein lid en voert toch een hoge toon. Zie, hoe weinig vuur een groot bos in brand steekt.

Een verkeerd woord, een leugen of een onoplettend moment kan veel stuk maken, soms voor het leven:

“Een bedevaartslied. In mijn angst heb ik tot de Here geroepen en Hij heeft mij geantwoord. Here, red mij van de leugenlippen, van de bedrieglijke tong. Wat zal Hij u geven, en wat zal Hij u toevoegen, gij bedrieglijke tong? Gescherpte pijlen van een held, benevens gloeiende kolen van brem.”  Psalm 120:1-4

“Als er geen hout is, dooft het vuur; waar geen lasteraar is, komt de twist tot rust. Zoals de kolen de gloed en hout het vuur doen opvlammen, zo een twistziek man de strijd. De woorden van de lasteraar zijn als lekkernijen; zij glijden immers af naar de schuilhoeken van het hart. Zilverglazuursel op een potscherf, zo zijn brandende lippen en een boos hart.”  Spreuken 26:20-23

Deze vergelijking in Spreuken 26:20 maakt het probleem aanschouwelijk, waar geen lasteraar is, óf verwijderd is, zal de ruzie toe rust komen. We kunnen stellen dat wanneer de lasteraar uit de plaatselijke gemeente is verwijderd de rust terug komt. In de praktijk loopt het wel eens anders, het is vaak de lasteraar en fluisteraar die blijft zitten en zijn slachtoffers vertrekken moeten.

6. Ook de tong is een vuur, zij is de wereld der ongerechtigheid; de tong neemt haar plaats in onder onze leden, als iets, dat het gehele lichaam bezoedelt en het rad der geboorte* in vlam zet, terwijl zij zelf in vlam gezet wordt door de hel.

De tong is als een vuur zegt Jacobus, en wat is dat door de eeuwen heen een verschrikkelijke waarheid gebleken voor de Gemeente van Christus. Gemeente scheuringen zijn er uit voort gekomen, mensen voor het leven beschadigd en héél vaak vanwege onnadenkendheid zijn er veel pijnlijke dingen gebeurd. De tong, de laster en leugen, vat eigenlijk alle ongerechtigheid van de wereld samen, ze organiseert en maakt de leugen tot een macht die het hele menselijke bestaan aantast. Maar hoe kán het ook anders, de meester van de leugen, de vader der leugen is satan zelf:

“Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen. Maar omdat Ik u de waarheid zeg, Mij gelooft gij niet.”
Johannes 8:44-45

Nu wij de bron herkend hebben, herkennen wij óók wie de christenen uiteen drijft, wie gemeenten kapot maakt en het werk van de Here Jezus Christus tegen staat, het is satan persoonlijk.

“Here, red mij van de leugenlippen, van de bedrieglijke tong. Wat zal Hij u geven, en wat zal Hij u toevoegen, gij bedrieglijke tong? Gescherpte pijlen van een held, benevens gloeiende kolen van brem.”  Psalm 120:2-4

Als de psalmist dan zegt “Here, red mij van de leugenlippen, van de bedrieglijke tong”, bedoeld hij te zeggen: “Here red mij van de dienstknechten van satan, van de volksgenoten die satans werken in hun leven hebben toe gelaten.

*In het “rad der wedergeboorte” of het levensrad wordt waarschijnlijk “rad” als teken van het voort wentelend en wisselende bestaan van de mensen, de levensloop gebruikt. De tong vormt de as van het rad, die door haar vuur het gehele rad in vlammen zet. Vlammend wentelt het, het leven door terwijl de tong steeds opnieuw vuur voort brengt. Een leugenwoord, een lasterwoord, kan driften en hartstochten opwekken die het leven verteren kan.  Één lasterwoord kan een leven voor jaren verwoesten:

“Een nietswaardig man delft boosheid op, op zijn lippen is het als verzengend vuur. Een valsaard veroorzaakt twist, een lasteraar brengt scheiding tussen vrienden”  Spreuken 16:27-28

7. Want alle soorten van wilde dieren en vogels, van kruipende dieren en zeedieren worden bedwongen en zijn bedwongen door de menselijke natuur,

8. Maar de tong kan geen mens bedwingen. Zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn.

Dit staat met elkaar in schril contrast, wilde dieren, de grootste en gevaarlijkste, worden door de mens bedwongen en afgericht maar wij zijn niet in staat onze tong altijd in bedwang te houden, hoe wij ons best doen, soms komt er echt venijn uit onze monden en maakt vriendschappen voor altijd stuk.

9. Met haar loven wij de Here en Vader en met haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis Gods geschapen zijn:

10. Uit dezelfde mond komt zegening en vervloeking voort. Dit moet, mijn broeders, niet zo zijn.

Ook Paulus spreek ons aan op de zonde der tong:

“Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed [woord] hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, genade ontvangen.”  Efeze 4:29

11. Doet soms een bron uit dezelfde ader zoet en bitter water opwellen?

12. Kan soms, mijn broeders, een vijgeboom olijven of een wijnstok vijgen opleveren? Evenmin kan een zilte bron zoet water geven.

De natuur is consequent; een zelfde bron geeft óf brak water, of zoet water maar niet beide tegelijk. Kan iemand spreken of onderwijzen met twee monden, met een gespleten tong? Kan iemand samenkomsten bezoeken waar op het ene moment een dwaalleraar spreekt en de andere keer een iemand op roept tot overgave aan Jezus Christus? Want het is niet alleen een mens die met een gespleten tong kan spreken, ook een plaatselijke gemeente kan een gespleten beleid voeren! Als christenen willen wij niet met leugenaars en lasteraars om gaan, waarom bezoeken wij wel een gemeente waar op het ene moment een Maria-aanhanger spreekt en de andere keer een voorganger oproept tot geloof in Jezus Christus alleen? Kan een kerk, een gemeente, op het ene moment Maria accepteren (dat doen wij als we Dries van Agt in de samenkomst laten spreken) en het andere moment onderwijzen dat Jezus alleen de Weg, de Waarheid en het leven is?
 
13. Wie is wijs en verstandig onder u? Hij tone uit zijn goede wandel zijn werken met wijze zachtmoedigheid.

Er is maar één Weg tot wijsheid en verstandigheid:

“En dat gij van kindsbeen af de heilige schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof in Christus Jezus.”  2 Timotheus 3:15

Het onderwijs in de Schriften wordt steeds vaker een ondergeschoven kindje in de gemeente van Christus, het onderwijs is grotendeels vervangen door wat men noemt een beeldcultuur, niet het geschreven Woord staat centraal in d samenkomsten maar zaken die tastbaar, zichtbaar en amusement brengen. De levenswandel van de christen zal echte wijsheid openbaren. Op eerlijke, begrijpende en vriendelijke wijze zal de verstandige zijn naaste tegemoet treden en laten zien dat hij/zij zachtmoedig is in Christus Jezus, de oude en harde natuur achter zich gelaten heeft:

“En dat gij een goede wandel leidt onder de heidenen, opdat zij, nader toeziende op datgene, waarin zij u als boosdoeners belasteren, op grond van uw goede werken God mogen verheerlijken ten dage der bezoeking.”
1 Petrus 2:12

14. Indien gij echter bittere naijver en zelfzucht in uw hart hebt, beroemt u dan niet en liegt niet tegen de waarheid.

Maar wat dan als de leiding van de plaatselijke gemeente de Bijbelse waarheid niet kan verdragen en zich richt op het zichtbare, grotere aantallen bezoekers in de samenkomsten en wat er meer aantrekkelijk is voor het menselijke gemoed, de vleselijke en emotionele mens bevredigen?

“Want gij zijt nog vleselijk. Want als er onder u nijd en twist is, zijt gij dan niet vleselijk, en leeft gij niet als [onveranderde] mensen?”  1 Korinthe 3:3

Met “en liegt niet tegen de waarheid” mogen wij dit niet opvatten als de waarheid van de Bijbel, het Evangelie of wanneer een bepaalde zaak in het geding is. Wij moeten eerder denken aan de boosheid van Jacobus over de zonden der tong die zo veel kapot maakt in een christenleven en de Gemeente.

15. Dat is niet de wijsheid, die van boven komt, maar zij is aards, ongeestelijk, duivels;

De “wijsheid van boven” verlicht het hart en het verstand:

“Toch spreken wij wijsheid bij hen, die daarvoor rijp zijn, een wijsheid echter niet van deze eeuw, noch van de beheersers dezer eeuw, wier macht teniet gaat, maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God [reeds] van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid. En geen van de beheersers dezer eeuw heeft van haar geweten, want indien zij van haar geweten hadden, zouden zij de Here der heerlijkheid niet gekruisigd hebben. Maar, gelijk geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben. Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods. Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods. Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is. Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken. Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is. Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld. Want wie kent de zin des Heren, dat hij Hem zou voorlichten? Maar wij hebben de zin van Christus.”  1 Korinthe 2:6-16

Maar de aardse wijsheid vanuit het zondige hart en is duivels volgens Jacobus.

“Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen”.  1 Timotheus 4:1

16. Want waar naijver en zelfzucht heerst, daar is wanorde en allerlei kwade praktijk.

In een gemeente waar naijver en zelfzucht heerst, kan nergens iets van terecht komen, daar moet wel ellende en nood van komen.

17. Maar de wijsheid van boven is vooreerst rein, vervolgens vreedzaam, vriendelijk, gezeglijk, vol van ontferming en goede vruchten, onpartijdig en ongeveinsd.

De kenmerken en de uitwerking van de hemelse wijsheid worden hier omschreven.
Ze kent de vrees waar Spreuken 9:10 over spreekt:

“De vreze des Heren is het begin der wijsheid en het kennen van de Hoogheilige is verstand”.  Spreuken 9:10

In het verleden hebben wij vaker gesproken over de vreze des Heren, voor menig Christen is dit een verouderd begrip, uit een vervlogen tijd, voor de toen on-ontwikkelde mens. Zónder de vreze des Heren is het onmogelijk een levende relatie met Hem te hebben.

“Haar wegen zijn liefelijke wegen, al haar paden zijn vrede”.  Spreuken 3:17

18. Maar gerechtigheid is een vrucht, die in vrede wordt gezaaid voor hen, die vrede stichten.

De vrucht der gerechtigheid, de vrucht die gerechtigheid is, wordt gezaaid in vrede:

“Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid.”  Hebreeën 12:11

De gelovige zal alleen vrede ontvangen als deze zich ook wil laten gezeggen, dat hij of zij wil luisteren naar de wil van de Here God. Het zaaien in vrede wil zeggen dat de zaaier een vreedzame man moet zijn want alleen als er vrede is kan de vrucht der gerechtigheid groeien. Onder twist en onwil kan niet gezaaid worden, laat staan dat er groei mogelijk zou zijn!:

“Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als Wijzen. U de gelegenheid ten nutte makende, want de dagen zijn kwaad. Weest daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan, wat de wil des Heren is.” 
Efeze 5:15-17

“En dit bid ik, dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid. Om te onderscheiden, waarop het aankomt. Dan zult gij rein en onberispelijk zijn tegen de dag van Christus. Vervuld van de vrucht van gerechtigheid, welke door Jezus Christus is, tot eer en prijs van God.”  Filippenzen 1:9-11

Jacobus 4:

1. Waaruit komt bij u strijden en vechten voort? Is het niet hieruit uit uw hartstochten, die in uw leden zich ten strijde toerusten?

Ten tijde van Jacobus was het al niet veel beter dan in onze dagen, met dit verschil dat de gemeente op dit moment al ver in de eindtijd leeft en dat satan steeds heviger op de gemeente van Christus in beukt.

2. Gij begeert, doch gij hebt niet; gij zijt moorddadig en naijverig en gij kunt er niets mede verkrijgen; gij vecht en gij strijdt. Gij hebt niets, omdat gij niet bidt.

3. [Of], gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt, om het in uw hartstochten door te brengen.

Bidden met het eigen begerige ik in het centrum is verkeerd, dan ontvangen wij niet waarom wij vragen en als we het wél ontvangen kan dit een tuchtiging of straf van de Here zijn:

“Terwijl het vlees nog tussen hun tanden was, voordat het gekauwd was, ontbrandde de toorn des Heren tegen het volk en de Here sloeg het volk met een zeer zware slag”.  Numeri 11:33

Lezen: Numeri 11:4-35.

4. Overspeligen, weet gij niet, dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie dus een vriend der wereld wil zijn, wordt metterdaad een vijand van God.

Vriendschap met de wereld zet de Here God op de tweede plaats:

“Wee u, wanneer alle mensen wel van u spreken; immers, op dezelfde wijze hebben hun vaderen met de valse profeten gehandeld”.  Lucas 6:26

“Verraderlijk, roekeloos, opgeblazen, met meer liefde voor genot dan voor God.”  2 Timotheus 3:4

5. Of meent gij, dat het schriftwoord zonder reden zegt: De geest, die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid?

In het Oude Testament komt deze opmerking niet voor, dit maakt ons opnieuw duidelijk pas ná het offer van de Here op Golgotha de Heilige Geest in de mens inwoning wil maken. Die inwoning ontvangen wij alleen ná de wedergeboorte van een mens.

“En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn. De Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u.”  Johannes 14:16-18

6. Maar Hij geeft dan ook des te grotere genade. Daarom heet het: God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade.

Lezen: 1 Petrus 5:1-6

7. Onderwerpt u dus aan God, maar biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden.

“Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Wederstaat hem, vast in het geloof, wetende, dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toegemeten.”  1 Petrus 5:8-9

Lezen: Efeze 6: 10-20.

8. Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinigt uw handen, zondaars, en zuivert uw harten, gij, die innerlijk verdeeld zijt.

“Van de dagen uwer vaderen af zijt gij afgeweken van mijn inzettingen en hebt ze niet onderhouden.
Keert terug tot Mij, dan zal Ik tot u terugkeren, zegt de Here der heerscharen. En dan zegt gij: In welk opzicht moeten wij terugkeren?” 
Maleachi 3:7

Door middel van de oproep van Maleachi aan het volk Israël zien wij dat wanneer er verwijdering is tussen de mens en de Here God er altijd een terugweg is. Wie tot berouw en inkeer kwam in Israël mocht er op rekenen dat de Here op Zijn schreden terug kwam, dat hij het zondige volk opnieuw in zijn armen wilde sluiten. Hoe veel te meer zal de Here de wedergeboren christen tot zich willen trekken want Hij heeft Zijn bloed, Zijn leven voor die christen gegeven.

“Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.”  1 Johannes 1:9

9. Beseft uw ellende, treurt en weent; uw gelach moet veranderen in treurigheid, en uw vreugde in neerslachtigheid.

Zonder dit inzicht kan de zondaar niet tot inkeer komen. Zonder inzicht, zonder begrip voor de eeuwige verlorenheid is het onmogelijk te bevatten dat een mens van nature zondaar en verloren is.  Een gespleten gevoelsleven verhinderd tot de God te komen, Hij wil een totale overgave zodat Hij ons kan redden en verlossen. Uiterlijke schijn is niet voldoende, dit zagen wij ook toen Johannes de mensen in de Jordaan doopte:

“En zij lieten zich in de rivier, de Jordaan, door hem dopen, onder belijdenis van hun zonden. Toen hij nu zag, dat vele van de Farizeeën en Sadduceeën tot de doop kwamen, zeide hij tot hen: Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan? Brengt dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt”.  Mattheus 3:6-8

Stelt u zich eens voor, een mens, Johannes de Doper, had door dat de Farizeeën en Sadduceeën de doop tot een soort levensverzekering wilden gebruiken, hoe nauw luistert het dan als de Here ons door heeft? En . . .  Hij hééft ons door:

“Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten; zie, of bij mij een heilloze weg is, en leid mij op de eeuwige weg.”  Psalm 139:23

“Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het kennen? Ik, de Here, doorgrond het hart en toets de nieren, en dat, om aan een ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner daden.”  Jeremia 17:9-10

10. Vernedert u voor de Here, en Hij zal u verhogen.

11. Spreekt geen kwaad van elkander, broeders. Wie van zijn broeder kwaad spreekt of hem oordeelt, spreekt kwaad van de wet en oordeelt haar; en indien gij de wet oordeelt, zijt gij geen dader, doch een rechter der wet.

Kwaadsprekerij is van alle eeuwen en tijden, dit zit de mens van nature ingebakken en maakt de tong van de mens tot een slang, dienstknecht van dé slang, satan. Parallel aan de kwaadsprekerij, of als gevolg daar van openbaren zich ook andere zonden:

“Want ik vrees, dat ik misschien bij mijn komst u niet zo zal vinden, als ik wens, en zelf door u zo zal gevonden worden, als gij niet wenst. Ik vrees, voor twist, naijver, opwellingen van toorn, van zelfzucht, voor laster, oorblazerij, verwatenheid en ongeregeldheden. Ik vrees, dat, als ik weer kom, mijn God mij bij u verootmoedigen zal en dat ik zal hebben te treuren om velen van hen, die vroeger in de zonde geleefd hebben en nog niet tot berouw zijn gekomen over de onreinheid, hoererij en ontucht, die zij gepleegd hebben.”  2 Korinthe 12:20-21

12. Één is wetgever en rechter, Hij, die de macht heeft om te behouden en te verderven. Maar wie zijt gij, dat gij uw naaste oordeelt?

Uiteindelijk is het de Here God die be - en veroordeeld, Hij velt het vonnis en voert die uit.

13. Welaan dan, gij, die zegt: Vandaag of morgen gaan wij op reis naar die en die stad, wij zullen er een jaar doorbrengen, zaken doen en winst maken;

14. Gij, die niet [eens] weet, hoe morgen uw leven zijn zal! Want gij zijt een damp, die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt;

Het benauwt je soms hoe mensen, ook zij die zich christen noemen, plannen maken op hele lange termijn terwijl een mens bij wijze van spreken nog geen seconde voor uit kan zien. David, de Psalmist sprak al eeuwen voor Jacobus over de vergankelijkheid van de mens:

“Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig, dat wij stof zijn. De sterveling; zijn dagen zijn als het gras, als een bloem des velds, zo bloeit hij. Wanneer de wind daarover is gegaan, is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.”
Psalm 103:14-16

Veel mensen schuiven de beslissing om de Here te volgen, tot geloof te komen, voor zich uit, vaak denkt men dat “het later nog wel kan, eerst maar even genieten”. Wat dat genieten in mag houden kan iedereen zelf wel invullen, maar ook in oude tijden waarschuwde Prediker voor de komende ouderdom en de onmogelijkheid om dan tot geloof te komen:

Lezen: Prediker 11:9 – 12:7

Verheug u, o jongeling, in uw jeugd, en uw hart zij vrolijk in uw jongelingsjaren; ja, volg de lust van uw hart en wat uw ogen aanschouwen, maar weet, dat God u om al deze dingen in het gericht zal doen komen. Weer dus het verdriet uit uw hart en houd de kwalen weg van uw lichaam, want jeugd en jonkheid zijn ijdelheid. Gedenk dan uw Schepper in uw jongelingsjaren, voordat de kwade dagen komen en de jaren naderen, waarvan gij zegt: Ik heb daarin geen behagen;

Dat het menselijk gesproken te laat is, dat de geestelijke starheid wegen de ouderdom de mens in de greep heeft

Voordat de zon verduisterd wordt evenals het licht en de maan en de sterren en de wolken na de regen wederkeren;

Dat de ogen slechter worden, het licht of donker slechter te onderscheiden is.

Op de dag, dat de wachters van het huis beven en de sterke mannen zich krommen, en de maalsters ophouden, omdat haar aantal gering geworden is, en zij, die uit de vensters zien, hun glans verliezen,

Op de dag dat de handen beven, de benen krom van ouderdom krom staan, de tanden uitgevallen zijn en de ogen dof van ouderdom zijn geworden.

En de deuren naar de straat gesloten worden; als het geluid van de molen verzwakt, en de stem hoog wordt als die van een vogel en alle tonen gedempt worden;

Dat het gehoor slecht geworden is en de dagelijkse geluiden bijna niet meer door dringen en de stembanden verstard geworden zijn en de stem hoger en zwakker geworden is.

Op de dag, dat men ook vreest voor de hoogte, en er verschrikkingen op de weg zijn, de amandelboom bloeit, de sprinkhaan zich voortsleept en de kapperbes niet meer helpt (want de mens gaat naar zijn eeuwig huis en de rouwklagers gaan rond op de straat);

Op de dag dat men steeds moeilijker gaat lopen, het haar wit geworden is, het lichaam vermoeid is en de kapperbes de eetlust niet meer kan opwekken, dat de dood voor de deur staat.

Voordat het zilveren koord losgemaakt en de gouden lamp verbroken wordt; voordat de kruik bij de bron verbrijzeld en het scheprad in de put verbroken wordt,

Voordat de dood de intrede doet.

En het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft.”

En als de mens sterft en begraven wordt, ja dan is het te laat, het leven is kort en de keuze moet worden gemaakt wanneer het denken nog helder is en het gezonde lichaam ten dienste van de Here kan staan.

15. In plaats van te zeggen: Indien de Here wil, zullen wij leven en dit of dat doen.

16. Maar nu roemt gij in uw grootspraak; al zulk roemen is verkeerd.

De broosheid en vergankelijkheid van de mensen vinden wij ook in Handelingen 18:21 waar Paulus zei:

“Maar hij nam afscheid en zeide: “Zo God wil, kom ik bij u terug”

Of zoals vroeger onze ouders en grootouders zeiden:

“Zoals de Here wil en wij leven”.

17. Als iemand dan weet goed te doen en het niet doet, is het hem tot zonde.

Als wij weten wat de Here van ons verwacht en we laten het na is het zonde, ook bij werkzaamheden en opdrachten waarvan wij die dachten te kunnen ontduiken met een fijne smoes.

Jacobus 5:

1. Welaan dan, gij rijken, weent en maakt misbaar over de rampen, die u zullen overkomen.

2. Uw rijkdom is verrot, uw klederen zijn door de mot aangevreten,

Jacobus oordeelt scherp over de rijken, zijn oordeel geldt natuurlijk elk mens die het vertrouwen stelt op geld en goed, maar hij noemt hier expliciet de rijken, misschien degene wel die het in handel en wandel niet zo nou neemt:

“Een betrouwbaar man heeft veel zegen, maar wie naar rijkdom jaagt, blijft niet ongestraft.”  Spreuken 28:20

Ook onder de christenen vinden mensen welke op het oog eerlijk en rechtschapen lijken en in stilte jagen naar geld en aanzien, het vrome druipt soms van het optreden af maar in stilte leven ze op twee sporen, een leven dat uiteindelijk vast zal lopen:

“Indien gij dus niet getrouw geweest zijt ten aanzien van de onrechtvaardige Mammon, wie zal u dan het ware goed toevertrouwen? En indien gij niet getrouw geweest zijt ten aanzien van het goed van een ander, wie zal u het onze geven? Geen slaaf kan twee heren dienen, want hij zal of de ene haten en de andere liefhebben, of zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet God dienen en Mammon. Dit alles hoorden de Farizeeën, die geldzuchtig waren, en zij hoonden Hem.”  Lucas 16:11-14

In  naam waren de Farizeeën de geestelijke leiders van het volk maar in de praktijk dienden ze niet het volk, maar vérdienden ze aan het volk, de Here Jezus zei niet voor niets dat de mensen wél moesten doen naar de woorden der Farizeeën maar niet naar hun dáden.

3. Uw goud en zilver is verroest, en het roest ervan zal tegen u getuigen en uw vlees verteren als vuur. Gij zijt schatten gaan opleggen, terwijl het de laatste dagen zijn.

Jacobus zegt hier dat “het de laatste dagen zijn” en onderhand zijn wij bijna 2000 jaren verder en nóg is het de grote dag voor de gemeente niet geweest. Wanneer het toen zo belangrijk was in die tijd om géén schatten op aarde te verzamelen, hoe veel te meer dat het nu een dringende kwestie is, de gemeente van de Here Jezus Christus is op dit moment wel héél dicht bij haar eindbestemming gekomen. Aardse schatten zijn vergankelijk maar hemelse hebben eeuwigheids waarde:

“Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen; Maar verzamelt u schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen. Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. De lamp van het lichaam is het oog. Indien dan uw oog zuiver is, zal geheel uw lichaam verlicht zijn.”  Mattheus 6:19-22

Want waar ons hart ligt, liggen óók onze banden die ons eventueel aan de aarde, het aardse vast zouden kunnen houden, denk eens aan de vrouw van Lot én aan wat de Here Zelf heeft gezegd, je kunt niet God dienen én de mammon:

“Op dezelfde wijze als het geschiedde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden. Maar op de dag, waarop Lot uit Sodom ging, regende vuur en zwavel van de hemel en verdelgde hen allen. Op dezelfde wijze zal het gaan op de dag, waarop de Zoon des mensen geopenbaard wordt. Wie op die dag op het dak zal zijn, terwijl zijn huisraad in huis is, ga niet naar beneden om het te halen, en wie in het veld is evenzo, hij kere niet terug. Denkt aan de vrouw van Lot! Ieder, die zijn leven zal trachten te behouden, die zal het verliezen, maar ieder, die het verliezen zal, die zal het vernieuwen. Ik zeg u, in die nacht zullen er twee in een bed zijn, de een zal aangenomen, de ander achtergelaten worden. Twee vrouwen zullen samen bezig zijn met malen, de ene zal aangenomen, de andere achtergelaten worden. Twee zullen op het land zijn, de een zal aangenomen, de ander achtergelaten worden.”
Lucas 17:28-36

Dit zal enerzijds zo gebeuren op het moment dat de Here zich openbaard aan Israël als de Redder, de Overwinnaar en de Verlosser, máár wanneer wij lezen dat er twee in het veld zullen zijn en één wordt aangenomen en de andere achtergelaten mag ons dat wel tot nadenken stemmen. Niet voor niets heeft de Here de vrouw van Lot in deze toespraak genoemd, deze vrouw had een gespleten hart, ze was loyaal aan haar man en het gezin waarschijnlijk én kon ze de rijkdom en weelde niet los laten want vergeet niet dat haar man, Lot, geen kleine jongen was, hij behoorde tot de leiders van de zondige stad Sodom:

“En de twee engelen kwamen in de avond te Sodom. Lot zat in de poort van Sodom en toen Lot hen zag, stond hij op, ging hun tegemoet, boog zich neder met het aangezicht ter aarde”.  Genesis 19:1

Het gaat in deze studie te ver om uitputtend te bestuderen hoe en waarom mensen, vaak ouder en geestelijk rijpere mannen, “in de poort zaten”, maar één voorbeeld wil ik wel noemen waarin wij zien dat de leiders van een stad zitting hielden waar recht werd gesproken en adviezen werden gegeven:

“Intussen was Boaz naar de poort gegaan en had zich daar neergezet. En zie, daar ging de losser voorbij, van wie Boaz gesproken had. Toen zeide hij: Gij daar, kom eens hier, zet u hier neer. Hij dan kwam en zette zich neer. Daarop nam hij tien mannen uit de oudsten der stad en zeide: Zet u hier neer. En zij zetten zich neer. Toen zeide hij tot de losser: Naomi, die uit het veld van Moab teruggekeerd is, verkoopt het stuk land, dat aan onze broeder Elimelek toebehoorde. Nu heb ik gedacht, ik vertrouw het uw oor toe): Koop gij het in  tegenwoordigheid van hen die hier zitten en van de oudsten mijns volks. Indien gij lossen wilt, los het; maar indien gij niet wilt lossen, verklaar het mij dan, opdat ik het wete, want er is niemand om te lossen behalve gij en daarna ik. Toen zeide hij: Ik zal lossen.”  Ruth 4:1-4

Hier zien wij dus dat alle belangrijke zaken voor een samenleving op die plaats werden besproken, dáár zal de leiding van de stad, niet omdat het zo lekker koel was onder de poortgewelven maar omdat daar zichtbaar en merkbaar voor alle inwoners van de stad duidelijk was dat de problemen behandeld werden en serieus genomen werden.

4. Zie, het loon, dat door u is ingehouden van de arbeiders, die uw landen hebben gemaaid, schreeuwt, en het geroep van hen, die uw oogst hebben binnengehaald, is doorgedrongen tot de oren van de Here Sebaot.

Met andere woorden, wél mensen voor je laten werken en niet betalen, of te weinig betalen. In mijn jeugd werden de landbouwgronden vaak in aangenomen tarief bewerkt, dat wil zeggen dat de grondoppervlakte werd bereken, de werkzaamheden en een paar andere factoren en dat men daar door tot een redelijk bedrag kwam. Nu gebeurde het vaak dat een landbouwer of een vee boer iets te laag in oppervlakte berekende en dus voor een deel de verrichte werkzaamheden niet betaalde. Het is moeilijk om toe te geven maar bij ons op het dorp waren het niet de liberale boeren die dit kunstje uithaalden maar de gereformeerde, waaronder één die met grote regelmaat ouderling en scriba was van de kerk waar van ik lid was

5. Gij hebt op aarde weelderig geleefd en u te goed gedaan, gij hebt uw hart vetgemest in de slachttijd.

“Wanneer gij dan bijeenkomt, is dat niet het eten van de maaltijd des Heren; Want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen deel, zodat de één hongerig is en de ander dronken. Hebt gij dan geen huizen om te eten en te drinken? Of minacht gij [zozeer] de gemeente Gods, dat gij de behoeftigen beschaamd maakt? Wat zal ik tot u zeggen? Zal ik u prijzen? Op dit punt prijs ik niet”.  1 Corinthe 11:20-22

Wij zien hier dat rijke mensen, ondanks hun bekering, redding en verlossing door het bloed van de Here Jezus door gaan met hun aardse genot en feestjes en dat er voor de armlastige en behoeftige niet veel over blijft. In dat opzicht is de gemiddelde kerkganger of lid van een evangelische gemeente vaak weinig beter, eigenlijk slechter, dan iemand die de Here Jezus Christus niet kent. Jezus heeft gezegd dat wij, Zijn volgelingen, als onze broeders en zuster moeten beschouwen en wie laat nu een familielid verhongeren? In de praktijk is dit een Utopia, de praktijk laat zien dat vele gelovigen de geschiedenis van Lot en zijn toch maar eventjes moeten lezen, want wie weet wanneer de bazuin klinkt? Wist Lot op het moment dat hij die twee mannen, die engelen, tegemoet liep hij álle rijkdom en aanzien de volgende dag volledig kwijt werd en zelfs weduwnaar?

6. Gij hebt de rechtvaardige veroordeeld, ja vermoord; er is geen verweer tegen u.

Misschien dan wel niet letterlijk vermoord maar misschien laten verhongeren, in de kou op straat laten zwerven? Hoe zit dat met ons, met ons zélf, wanneer wij de supermarkt verlaten en er een zwerver staat die de straatkrant aan ons wil verkopen? Lopen wij dan met opgetrokken neus voorbij of kopen wij een krant of geven we de vijftig eurocent van de winkelkar aan die stakker? Ook dát is christen zijn! Hier wil ik het maar bij laten.

7. Hebt dus geduld, broeders, tot de komst des Heren! Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld, totdat de vroege en late regen erop gevallen is.

8. Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst des Heren is nabij.

Hier gebruikt Jacobus het alledaagse beeld van de landbouw en hij bedoelt er mee te zeggen dat na een periode van zaaien, groeien en rijping de vrucht geoogst zal kunnen worden. Zo zal het ook met de geschiedenis van de gemeente van Christus Jezus gaan, op een gegeven moment zal er een bazuin klinken, misschien wel een angstwekkend geluid voor de wereld en voor de mensheid het zal kunnen beseffen is de Gemeente van Gods kinderen van de aarde weggenomen.

9. Broeders, zucht niet tegen elkander, opdat gij niet onder het oordeel valt; zie, de Rechter staat voor de deur.

Dit zuchten kunnen wij ook vertalen met: “heb geen wrok tegen elkaar, haat elkaar niet”. Want het is te schandalig voor woorden maar juist in de Gemeente van Christus komt veel haat en verdriet voor, de ene ontbind de andere in de hemel (alsof dit mogelijk zou zijn) en de ander schopt gemeenteleden uit de samenkomsten omdat er een vinger op de huichelende zere plek werd gelegd. In de tijd van Jacobus kwam onderlinge haat en nijd voor, maar in onze dagen lijkt het wel dat het nog meer voor komt. Het lijkt soms wel alsof in het zicht van de haven, de komst van de Here voor de gemeente, de strijd en nijd alleen maar groter gaat worden.

10. Broeders, neemt tot een voorbeeld van gelatenheid en geduld de profeten, die in de naam des Heren hebben gesproken.

11. Zie, wij prijzen hen zalig, die volhard hebben: gij hebt van de volharding van Job gehoord en gij hebt uit het einde, dat de Here deed volgen, gezien, dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming.

Hier hoeft weinig van gezegd worden, het spreekwoord heeft het niet voor niest over een “Jobs geduld of een geduld als Job”, dat geduld wordt ook van ons gevraagd, gewoon rustig afwachten op het moment van de Here Jezus Christus.

12. Maar vooral, mijn broeders, zweert niet, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch welke andere eed ook. Laat ja bij u ja zijn en neen; neen, opdat gij niet onder het oordeel valt.

Deze tekst is de reden waarom ik persoonlijk geen eed wil afleggen maar de belofte zoals dat dan in de volksmond heet. En verder die opmerking: Laat uw ja, ja zijn en uw nee, nee zijn zullen wij als onderlinge groep moeten leren want wanneer wij hier niet onderling op aan kunnen staat scheuring en ellende voor de deur.

13. Heeft iemand onder u leed te dragen? Laat hij bidden. Is iemand blij te moede? Laat hij lofzingen.

Dit is duidelijk voor ons christenen, als wij blij zijn zingen wij lofliederen, alleen heel jammer dat de duizenden lofliederen van alle eeuwen vervangen zijn door onzingbare melodieën waarop men discutabele tekst zingt, jammer een gemiste kans.

Ook als iemand leed heeft te dragen wil de Here kracht geven, kracht waar nodig, niet zoals IK denk dat het goed is maar zo als de Here dat schenkt in Zijn wijsheid:

“Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden. Of welk mens onder u zal, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geven? Of als hij een vis vraagt, zal hij hem toch geen slang geven? Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden”.  Mattheus 7:7-11

14. Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren.

Eigenlijk wil ik hier weinig of niets van zeggen, de tekst is duidelijk, hier is iets aan de hand.

15. En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken, en de Here zal hem oprichten. En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden.

Ja, het gebed zal de gelovige gezond maken, welk gebed? Toch het gebed om schuldvergeving lezen wij hier? Jacobus zou wel eens kunnen wijzen op wat de Here Jezus heeft gezegd tegen de man die werd genezen door Hem:

“Daarna was er een feest der Joden en Jezus ging op naar Jeruzalem. Nu is er te Jeruzalem bij de Schaapspoort een bad, dat in het Hebreeuws de bijnaam Bethesda draagt, met vijf zuilengangen. Daarin lag een menigte zieken, blinden, verlamden en verschrompelden, die wachtten op de beweging van het water. Want van tijd tot tijd daalde een engel des Heren neder in het bad; dan bewoog het water; wie er dan het eerst in kwam na de beweging van het water werd gezond, wat voor ziekte hij ook had. En daar was een man, die reeds achtendertig jaar lang ziek geweest was. Hem zag Jezus liggen en daar Hij wist, dat hij daar reeds lange tijd was, zeide Hij tot hem: Wilt gij gezond worden? De zieke antwoordde Hem: Here, ik heb geen mens om mij, zodra er beweging komt in het water, in het bad te werpen; en terwijl ik onderweg ben, daalt een ander voor mij af. Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw matras op en wandel. En terstond werd de man gezond en nam zijn matras op en ging zijns weegs. Nu was het sabbat op die dag. De Joden dan zeiden tot de genezene: Het is sabbat en dan moogt gij uw matras niet dragen. Doch hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, die heeft tot mij gezegd: Neem uw matras op en ga uws weegs. Zij vroegen hem: Wie is de mens, die tot u gezegd heeft: Neem op en ga uws weegs? En de genezene wist niet, wie het was; want Jezus was ontweken, omdat er een [grote] schare op die plaats was. Daarna vond Jezus hem in de tempel en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet iets ergers overkome.”  Johannes 5:1-14

Maar dít is andere koek! Hier blijkt dat die ziekte gevolg is van zonde en wat lezen wij in de Jacobusbrief?

“En als hij zonden heeft gedaan, zal hem vergiffenis geschonken worden”.

Zullen wij maar eens een beetje voorzichtig worden met de z.g. oliezalving?

Het spijt mij voor jullie, ik zal er geen medewerking aan verlenen. Er valt wel een volle week bijbelstudie te houden om ook maar tien procent van de boeken te weerleggen die in het Nederlandse taal gebied zijn uitgekomen, dan praten wij nog niet eens over het Engels/Amerikaans taalgebied. Daar beginnen we maar niet aan. Ik wil als laatste u het volgende deeltje uit een artikel uit het Friesch Dagblad voorlezen:

maandag, 25 februari 2002, Geloof & Kerk
Campagne van Jan Zijlstra
3500 mensen in Eelde bij genezingsdiensten

Eelde/Leeuwarden – Evangelist Jan Zijlstra uit Leiderdorp heeft dit weekeinde zo’n 3500 bezoekers getrokken bij drie reddings- en genezingsdiensten en een seminar over geloof en genezing in Eelde. De evangelist, die voorganger is van De Levensstroom Gemeente in Leiderdorp, was vrijdag, zaterdag en zondag te gast in de Flowerdome in Eelde, die plaats kon bieden aan 2300 mensen per avond. De campagne stond oorspronkelijk gepland in de Oosterkerk in Groningen en was georganiseerd in samenwerking met de Evangelische Gemeente Helperkerk. Anneke Moddejonge, coördinator van de campagne namens die gemeente, spreekt van ,,fantastische en heel erg mooie samenkomsten’’.

Het zal best, wij zijn nu bijna twee jaren verder en van de genoemde gemeente uit Groningen is niet veel meer over, een verdeeld en armzalige groep geworden, ligt de bron van de scheuring in het genezings-evangelie van Jan Zijlstra?

Ik weet het niet, in ieder geval schijnt Zijlstra de Jacobus brief niet begrepen hebben.


16. Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt.

Wéér een oproep om (onderlinge) zonden te belijden, misschien de onderlinge strijd en afgunst? Wij weten het niet maar het schijnt mij toe dat Jacobus op algemeen bekende problemen duidde.

17. Elia was slechts een mens zoals wij en hij bad een gebed, dat het niet regenen zou, en het regende niet op het land, drie jaar en zes maanden lang;

18. En hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen en de aarde deed haar vrucht uitspruiten.

Hier zien wij de vergelijking, Elia een geweldige Gods-mens en wat zegt Jacobus, Elia slechts een mens, hier wil Jacobus eigenlijk mee zeggen ondanks alles, ondanks de geweldige bediening was Elia maar een gewoon mens wiens gebed verhoord werd. Dus, jou en mijn gebed wordt óók verhoord, mits ……. En nu komt het; als we naar Zijn wil bidden! Zonden opruimen, ellende opruimen, vergeving vragen en dán pas is de weg vrij om de Heer te ontmoeten. Niks geen olieflesje of een snel gebedje in de samenkomst, een persoonlijke overgave, die soms veel kan kosten en dwars tegen het gevoelsleven van de mens, de zondaar, in gaat en pas dán zal er genezing óf zielenrust komen.!

19. Mijn broeders, indien bij u iemand van de waarheid afdwaalt, en een ander brengt hem tot inkeer,

20. Weet dan, dat, wie een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, diens ziel van de dood zal behouden en tal van zonden bedekken.

Dit lijk mij een fijn besluit van deze studieserie, wie een zondaar van de dwaalweg terug zal zijn ziel van de dood behouden.